Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23212
2026-08-18
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.47316
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vovo hangende bezwaar artikel 64 Vw en feitelijke uitzetting, wel spoedeisend belang, ondanks geen gedwongen vertrek, nieuwe medische omstandigheden, toegewezen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21827 Rechtbank Den Haag 05-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22356 Rechtbank Den Haag 05-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21827 Rechtbank Den Haag 05-08-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.573 tekens)
proces-verbaal uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47316
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de overdracht naar Duitsland op 19 augustus 2026 om 11.00 uur.
1.1.
Verzoekster heeft op 13 augustus 2026 verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij besluit van 18 augustus 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen op 18 augustus 2026 bezwaar ingediend, omdat uit recente medische stukken blijkt dat er een vergroot risico is op suïcide en een miskraam. Uitzetting van verzoekster naar Duitsland is dan ook in strijd met het arrest C.K. De minister dient eerst advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) te vragen, aldus verzoekster.
1.2.
Verzoekster heeft op 18 augustus 2026 ook bezwaar ingediend tegen de feitelijke uitzetting naar Duitsland op 19 augustus 2026, omdat de uitzetting in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
1.3.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting naar Duitsland te voorkomen. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft op het verweerschrift gereageerd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. De voorzieningenrechter doet dit als onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.1 De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om partijen niet uit te nodigen voor een zitting, gelet op de korte termijn die resteert tot 19 augustus 2026. Partijen worden hierdoor niet in hun belangen geschaad. Verzoekster heeft de gronden van haar verzoek immers naar voren kunnen brengen, de minister heeft daarop gereageerd en verzoekster heeft gereageerd op de reactie van de minister. De voorzieningenrechter sluit daarom het onderzoek.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
Over het spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er sprake is van spoedeisend belang.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van spoedeisend belang. Het gaat namelijk niet om een gedwongen overdracht, maar om een gecontroleerde overdracht.
7. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat in gevallen waarbij geen sprake is van een gedwongen overdracht doorgaans geen spoedeisend belang wordt aangenomen.2 In dit geval komt de voorzieningenrechter echter tot een ander oordeel.
8. Uit de informatie van GZ-psycholoog [A] van 12 augustus en 17 augustus 2026 blijkt namelijk dat de aanzegging van de overdracht naar Duitsland bij verzoekster heeft geleid tot een acute en ernstige toename van psychische ontregeling, gekenmerkt door hevige paniek, verhoogde basisspanning, gevoelens van hopeloosheid en een duidelijke toename/triggering van trauma gerelateerde klachten.
9. Hoewel verzoekster technisch gezien zou kunnen weigeren mee te werken aan de overdracht, is de vraag of dit gezien haar psychische toestand voor haar ook daadwerkelijk mogelijk zal zijn. Bovendien hangt de mogelijkheid van een gedwongen overdracht op korte termijn dan boven haar hoofd en zal dit naar verwachting ook de nodige psychische druk met zich meebrengen.
10. Gezien de psychische toestand van verzoekster, waar in het vervolg van deze uitspraak nog nader op zal worden ingegaan, acht de voorzieningenrechter het geboden om verzoekster zo snel mogelijk uitsluitsel te geven over het geplande vertrek. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er daarom in dit specifieke geval wel sprake van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek daarom hierna inhoudelijk.
Over het bezwaar tegen afwijzing aanvraag artikel 64 Vw
11. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 20263 volgt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoekster. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 64 van de Vw niet wordt toegepast als verzoekster op grond van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMvB) wordt overgedragen aan Duitsland. Verzoekster wordt immers overgedragen aan Duitsland en niet naar haar land van herkomst. De minister mag ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat de medische voorzieningen in Duitsland van een vergelijkbaar niveau zijn. De minister heeft er in het besluit van 18 augustus 2026 terecht op gewezen dat de nieuwe medische informatie die verzoekster bij haar aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw heeft overgelegd wel van belang kan zijn voor de feitelijke overdracht aan Duitsland. Het bezwaar gericht tegen de afwijzing van artikel 64 van de Vw heeft daarom geen redelijke kans van slagen.
Over het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting
12. Verzoekster voert aan dat uit de medische stukken die zij heeft overgelegd blijkt dat er sprake is van verhoogde kans op suïcidaliteit en een miskraam. Dit raakt aan het arrest C.K. en de uitzettingshandelingen zijn mogelijk in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarom dient eerst het BMA te worden geraadpleegd voordat de uitzettingshandelingen verricht kunnen worden en verzoekster daadwerkelijk zal worden uitgezet naar Duitsland, aldus verzoekster.
13. Ter onderbouwing van haar medische situatie heeft verzoekster een brief overgelegd van GZ-psycholoog [A] van Psi-care van 12 augustus 2026 en een verwijsbrief specialistische zorg van PSI-Care aan het UMCG – Universitair Medisch Centrum Groningen, POP-Poli van 17 augustus 2026. Uit deze stukken blijkt dat verzoekster momenteel 5-6 weken zwanger is. Uit de brief van 12 augustus 2026 blijkt dat de GZ-psycholoog de huidige situatie ernstig zorgelijk vindt. De voorgenomen overdracht naar Duitsland heeft voor verzoekster een specifieke traumatische lading. Tijdens een eerder verblijf in Duitsland heeft verzoekster herhaaldelijk ernstige belastende en traumatische ervaringen doorgemaakt. Zij heeft onder meer melding gemaakt van een zeer traumatisch verlopen miskraam zonder de door haar benodigde medische en psychische ondersteuning, ervaringen van uitbuiting en langdurige intimidatie. Een gedwongen terugkeer naar de context waarbinnen deze traumatische ervaringen hebben plaatsgevonden, vormt vanuit de klinische beoordeling een zeer groot risico op hertraumatisering en psychiatrische decompensatie. Voor verzoekster bestaat een verhoogd suïciderisico, een risico op abrupt afbreken van gespecialiseerde behandeling en risico’s in relatie tot de zwangerschap. De GZ-psycholoog geeft aan dat vanwege de verhoogde risico’s binnen de behandeling inmiddels sprake is van intensieve veiligheidsmonitoring. De GZ-psycholoog geeft ook aan de situatie vanwege de lichamelijke stressreactie van verzoekster op het onverwerkte trauma rondom de eerdere miskraam gezien de huidige zwangerschap extra kwetsbaar en zorgelijk te achten.
14. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit nieuwe medische informatie is, die nog niet eerder bekend was, die niet is voorgelegd aan het BMA en ook nog niet is meegenomen in de eerdere besluitvorming. Hoewel de minister in het verweerschrift heeft toegelicht dat verzoekster onder begeleiding van medisch personeel zal worden overgedragen naar Duitsland en dat gezondheidsgegevens zijn gedeeld met Duitsland, blijkt niet dat een medische deskundige onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de overdracht voor verzoekster. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verzoekster dat de minister niet de aangewezen partij is om zelf een medisch oordeel te geven over de vraag of daarmee voldoende waarborgen zijn gegeven voor een veilige overdracht. Het ligt daarom op de weg van de minister het BMA in te schakelen voordat wordt overgegaan tot overdracht naar Duitsland. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe.
Conclusie en gevolgen
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster niet zal worden overgedragen aan Duitsland totdat op het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting is beslist.
16. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de minister het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
17. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
schorst het primaire besluit tot de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op 18 augustus 2026 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
19 augustus 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
__________________________________________
1. Zie artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Zie ECLI:NL:RBDHA:2026:21827, ECLI:NL:RBDHA:2026:22356 en ECLI:NL:RBDHA:2026:21827.
3 Zaaknummer NL26.24791.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47316
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de overdracht naar Duitsland op 19 augustus 2026 om 11.00 uur.
1.1.
Verzoekster heeft op 13 augustus 2026 verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij besluit van 18 augustus 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen op 18 augustus 2026 bezwaar ingediend, omdat uit recente medische stukken blijkt dat er een vergroot risico is op suïcide en een miskraam. Uitzetting van verzoekster naar Duitsland is dan ook in strijd met het arrest C.K. De minister dient eerst advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) te vragen, aldus verzoekster.
1.2.
Verzoekster heeft op 18 augustus 2026 ook bezwaar ingediend tegen de feitelijke uitzetting naar Duitsland op 19 augustus 2026, omdat de uitzetting in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
1.3.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting naar Duitsland te voorkomen. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft op het verweerschrift gereageerd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. De voorzieningenrechter doet dit als onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.1 De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om partijen niet uit te nodigen voor een zitting, gelet op de korte termijn die resteert tot 19 augustus 2026. Partijen worden hierdoor niet in hun belangen geschaad. Verzoekster heeft de gronden van haar verzoek immers naar voren kunnen brengen, de minister heeft daarop gereageerd en verzoekster heeft gereageerd op de reactie van de minister. De voorzieningenrechter sluit daarom het onderzoek.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
Over het spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er sprake is van spoedeisend belang.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van spoedeisend belang. Het gaat namelijk niet om een gedwongen overdracht, maar om een gecontroleerde overdracht.
7. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat in gevallen waarbij geen sprake is van een gedwongen overdracht doorgaans geen spoedeisend belang wordt aangenomen.2 In dit geval komt de voorzieningenrechter echter tot een ander oordeel.
8. Uit de informatie van GZ-psycholoog [A] van 12 augustus en 17 augustus 2026 blijkt namelijk dat de aanzegging van de overdracht naar Duitsland bij verzoekster heeft geleid tot een acute en ernstige toename van psychische ontregeling, gekenmerkt door hevige paniek, verhoogde basisspanning, gevoelens van hopeloosheid en een duidelijke toename/triggering van trauma gerelateerde klachten.
9. Hoewel verzoekster technisch gezien zou kunnen weigeren mee te werken aan de overdracht, is de vraag of dit gezien haar psychische toestand voor haar ook daadwerkelijk mogelijk zal zijn. Bovendien hangt de mogelijkheid van een gedwongen overdracht op korte termijn dan boven haar hoofd en zal dit naar verwachting ook de nodige psychische druk met zich meebrengen.
10. Gezien de psychische toestand van verzoekster, waar in het vervolg van deze uitspraak nog nader op zal worden ingegaan, acht de voorzieningenrechter het geboden om verzoekster zo snel mogelijk uitsluitsel te geven over het geplande vertrek. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er daarom in dit specifieke geval wel sprake van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek daarom hierna inhoudelijk.
Over het bezwaar tegen afwijzing aanvraag artikel 64 Vw
11. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 20263 volgt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoekster. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 64 van de Vw niet wordt toegepast als verzoekster op grond van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMvB) wordt overgedragen aan Duitsland. Verzoekster wordt immers overgedragen aan Duitsland en niet naar haar land van herkomst. De minister mag ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat de medische voorzieningen in Duitsland van een vergelijkbaar niveau zijn. De minister heeft er in het besluit van 18 augustus 2026 terecht op gewezen dat de nieuwe medische informatie die verzoekster bij haar aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw heeft overgelegd wel van belang kan zijn voor de feitelijke overdracht aan Duitsland. Het bezwaar gericht tegen de afwijzing van artikel 64 van de Vw heeft daarom geen redelijke kans van slagen.
Over het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting
12. Verzoekster voert aan dat uit de medische stukken die zij heeft overgelegd blijkt dat er sprake is van verhoogde kans op suïcidaliteit en een miskraam. Dit raakt aan het arrest C.K. en de uitzettingshandelingen zijn mogelijk in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarom dient eerst het BMA te worden geraadpleegd voordat de uitzettingshandelingen verricht kunnen worden en verzoekster daadwerkelijk zal worden uitgezet naar Duitsland, aldus verzoekster.
13. Ter onderbouwing van haar medische situatie heeft verzoekster een brief overgelegd van GZ-psycholoog [A] van Psi-care van 12 augustus 2026 en een verwijsbrief specialistische zorg van PSI-Care aan het UMCG – Universitair Medisch Centrum Groningen, POP-Poli van 17 augustus 2026. Uit deze stukken blijkt dat verzoekster momenteel 5-6 weken zwanger is. Uit de brief van 12 augustus 2026 blijkt dat de GZ-psycholoog de huidige situatie ernstig zorgelijk vindt. De voorgenomen overdracht naar Duitsland heeft voor verzoekster een specifieke traumatische lading. Tijdens een eerder verblijf in Duitsland heeft verzoekster herhaaldelijk ernstige belastende en traumatische ervaringen doorgemaakt. Zij heeft onder meer melding gemaakt van een zeer traumatisch verlopen miskraam zonder de door haar benodigde medische en psychische ondersteuning, ervaringen van uitbuiting en langdurige intimidatie. Een gedwongen terugkeer naar de context waarbinnen deze traumatische ervaringen hebben plaatsgevonden, vormt vanuit de klinische beoordeling een zeer groot risico op hertraumatisering en psychiatrische decompensatie. Voor verzoekster bestaat een verhoogd suïciderisico, een risico op abrupt afbreken van gespecialiseerde behandeling en risico’s in relatie tot de zwangerschap. De GZ-psycholoog geeft aan dat vanwege de verhoogde risico’s binnen de behandeling inmiddels sprake is van intensieve veiligheidsmonitoring. De GZ-psycholoog geeft ook aan de situatie vanwege de lichamelijke stressreactie van verzoekster op het onverwerkte trauma rondom de eerdere miskraam gezien de huidige zwangerschap extra kwetsbaar en zorgelijk te achten.
14. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit nieuwe medische informatie is, die nog niet eerder bekend was, die niet is voorgelegd aan het BMA en ook nog niet is meegenomen in de eerdere besluitvorming. Hoewel de minister in het verweerschrift heeft toegelicht dat verzoekster onder begeleiding van medisch personeel zal worden overgedragen naar Duitsland en dat gezondheidsgegevens zijn gedeeld met Duitsland, blijkt niet dat een medische deskundige onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de overdracht voor verzoekster. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verzoekster dat de minister niet de aangewezen partij is om zelf een medisch oordeel te geven over de vraag of daarmee voldoende waarborgen zijn gegeven voor een veilige overdracht. Het ligt daarom op de weg van de minister het BMA in te schakelen voordat wordt overgegaan tot overdracht naar Duitsland. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe.
Conclusie en gevolgen
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster niet zal worden overgedragen aan Duitsland totdat op het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting is beslist.
16. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de minister het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
17. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
schorst het primaire besluit tot de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op 18 augustus 2026 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
19 augustus 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
__________________________________________
1. Zie artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Zie ECLI:NL:RBDHA:2026:21827, ECLI:NL:RBDHA:2026:22356 en ECLI:NL:RBDHA:2026:21827.
3 Zaaknummer NL26.24791.