Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23193

2026-08-18 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.1768
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.1768
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf van referent in Nederland voor zijn ouders, broertjes en zusjes in het buitenland. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat referent niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn broertjes en zusjes.’

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.979 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht



Zaaknummer: NL24.1768



V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]
[v-nummer 3]
[v-nummer 4]
[v-nummer 5]
[v-nummer 6]
[v-nummer 7]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1965, eiser



[eiseres 1]
, geboren op [geboortedag 2] 1971, eiseres,


[eiser 2]
, geboren op [geboortedag 3] 2001, eiser,


[eiseres 2]
, geboren op [geboortedag 4] 2003, eiseres,


[eiser 3]
, geboren op [geboortedag 5] 2007, eiser,


[eiser 4]
, geboren op [geboortedag 6] 2009, eiser,


[eiseres 3]
, geboren op [geboortedag 7] 2014, eiseres,



allen van Eritrese nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eisers hebben op 30 april 2021 een aanvraag gedaan voor een mvv voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij [referent] , referent. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 december 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 december 2023 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.





Beoordeling door de rechtbank



Achtergrond



3. Eisers zijn onderscheidenlijk de ouders, broertjes en zusjes van referent. Eisers en referent komen uit Eritrea. Referent is geboren op [geboortedag 8] 1999. Hij is in 2014 gevlucht. Op 23 mei 2015 is hij aangekomen in Nederland. Op 26 juni 2015 heeft hij een verblijfsvergunning asiel gekregen. In 2015 en 2017, toen referent nog minderjarig was, heeft referent aanvragen ingediend voor een mvv voor eisers. Deze aanvragen zijn afgewezen wegens het ontbreken van gegevens. Toen de onderhavige aanvraag werd ingediend, was referent net 22 jaar oud.



Bestreden besluit



4. De minister heeft het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag ongegrond verklaard. Referent heeft de identiteit van zijn ouders wel aannemelijk gemaakt, maar die van zijn broertjes en zusjes niet. Ook heeft referent zijn familierechtelijke relatie met eisers niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast is er geen sprake van familieleven tussen referent en zijn ouders. Ten tijde van het primaire besluit voldeed referent nog aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid, maar ten tijde van het bestreden besluit niet meer. Referent woont sinds 2016 zelfstandig en is in staat gebleken om in zijn eigen onderhoud te voorzien. Ten tijde van het bestreden besluit werkte hij al ongeveer een jaar fulltime. Verder is er geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referent en zijn ouders en tussen hem en zijn meerderjarige broer [persoon] . Ook is er geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn overige broertjes en zusjes. Tot slot heeft de minister een belangenafweging gemaakt die in het nadeel van eisers is uitgevallen.



Jongvolwassenenbeleid



5. Eisers kunnen zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat referent niet onder het jongvolwassenenbeleid viel. De minister heeft niet alle relevante omstandigheden voldoende meegewogen. Referent was ten tijde van zijn vlucht uit Eritrea slechts vijftien jaar oud en ten tijde van de eerste twee aanvragen voor gezinshereniging was hij minderjarig. Deze eerdere aanvragen zijn afgewezen, omdat het referent niet lukte om contact met eisers te leggen en hij de aanvragen dus niet compleet kon maken. Ook is er in de onderhavige procedure veel tijdsverloop dat te wijten is aan de minister. Er zaten acht maanden tussen de aanvraag en het primaire besluit en bijna twee jaar tussen het bezwaarschrift en het besluit op bezwaar. Eisers verwijzen daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 23 november 2020. Deze uitspraak ziet weliswaar niet op de discussie of een vreemdeling een beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, maar eisers menen dat een beroep op deze uitspraak wel slaagt, gelet op de bijzondere omstandigheden. Tot slot woont referent weliswaar zelfstandig en kan hij zich handhaven, maar is deze situatie noodgedwongen. Bovendien is referent met zijn opleiding gestopt om meer geld te verdienen voor zijn broertjes in Ethiopië en zijn zusje in Libië.

6. De minister stelt zich op het standpunt dat tussen referent en zijn ouders geen sprake is van gezinsleven op basis van het jongvolwassenenbeleid. Referent kan voorzien in zijn eigen levensonderhoud en is in staat zich zelfstandig te handhaven. Dat dit uit noodzaak zou zijn ontstaan, maakt de feitelijke situatie niet anders. Dat referent het soms moeilijk vindt, maakt niet dat hij nog daadwerkelijk afhankelijk is van zijn ouders. De stelling van referent dat een groot deel van zijn inkomsten naar mensenhandelaren gaat, is niet onderbouwd. Verder doet de stelling dat hij is gestopt met de opleiding tot service-medewerker en automonteur niet af aan het feit dat hij meer inkomsten heeft en in staat is daarmee in zijn levensonderhoud te voorzien. Tot slot betwist de minister dat het tijdsverloop enkel aan hem te wijten is. De aanvraag was bij de indiening niet compleet en de termijn voor de gronden van bezwaar is verlengd. Het tijdsverloop is dus ook te wijten aan eisers. Bovendien zijn eisers naar aanleiding van de procedure over het niet tijdig beslissen al financieel gecompenseerd voor het tijdsverloop.

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat referent niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet. De rechtbank licht dat oordeel hierna toe.


7.1.
In het jongvolwassenenbeleid neemt de minister familie- of gezinsleven tussen een kind en zijn ouder(s) aan als dat kind ook na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). De minister neemt uitsluitend aan dat die situatie zich voordoet als een meerderjarig kind jongvolwassen is, met zijn ouders in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd.



7.2.
Het peilmoment is in dit geval het besluit op bezwaar. De minister moest dus beoordelen of referent aan het jongvolwassenenbeleid voldeed op basis van de feiten en omstandigheden die golden ten tijde van het bestreden besluit. Wat betreft het criterium dat een jongvolwassene niet in zijn eigen onderhoud voorziet, overweegt de rechtbank dat referent ten tijde van het bestreden besluit al een jaar fulltime werkte. Hij voorzag daarmee in zijn eigen onderhoud. Dat referent noodgedwongen werkt om meer geld te verdienen voor eisers, zoals referent stelt, maakt dit niet anders. Als een meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, door bijvoorbeeld een vluchtsituatie, mag de minister dit tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Er zijn geen aanwijzingen dat referent zich niet zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Dit betekent dat referent niet voldeed aan alle criteria van het jongvolwassenenbeleid.



7.3.
Dat referent ten tijde van het primaire besluit nog wel voldeed aan alle criteria van het jongvolwassenenbeleid en dat het tijdsverloop van bijna twee jaar tussen het bezwaarschrift en het bestreden besluit vrijwel geheel te wijten is aan de minister, laat onverlet dat op het moment van het bestreden besluit niet meer aan alle criteria werd voldaan. De toets of sprake is van familie- of gezinsleven is een feitenkwestie. Deze toets biedt geen ruimte om rekening te houden met het tijdsverloop.



7.4.
Ook de verwijzing van eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2020, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Uit deze uitspraak volgt dat de minister in de belangenafweging rekening moet houden met bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld het meerderjarig worden van een referent na afwijzing van een eerste mvv-aanvraag in het kader van nareis. Uit de uitspraak volgt niet dat de minister bij de toets die voorafgaat aan de belangenafweging, namelijk het vaststellen of sprake is van familie- of gezinsleven, ook rekening moet houden met dergelijke omstandigheden.



7.5.
De beroepsgrond slaagt niet.



Hechte persoonlijke banden



8. Eisers voeren verder aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en [eiseres 2] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiseres 3] . Daartoe wijzen zij erop dat referent als enige losgeld betaalt voor [eiseres 2] aan criminelen via de zogeheten Hawala. Alleen al vanwege deze omstandigheid is er sprake van hechte persoonlijke banden tussen hen. Verder voeren eisers aan dat er hechte persoonlijke banden zijn tussen referent en [eiser 3] , [eiser 4] en [eiseres 3] , nu referent als oudere broer (financieel) voor hen zorgt en zich verantwoordelijk voelt voor hen. De minister stelt ten onrechte dat pas kan worden gesproken van hechte persoonlijke banden als een band de gebruikelijke band tussen minderjarige en meerderjarige broers en zussen overstijgt. Dit blijkt niet uit de rechtspraak van het EHRM. Door te overwegen dat er eerst sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke band, geeft de minister blijk van een te strikte uitleg van dit begrip. De minister toetst dan feitelijk of er sprake is van more than normal emotional ties.

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en [eiseres 2] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiseres 3] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.



9.1.
Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat de relatie tussen broers en zussen slechts in bepaalde gevallen onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM valt, waarbij het EHRM het criterium ‘especially close ties’ hanteert. Om te kunnen spreken van hechte persoonlijke banden moet er sprake zijn van een band die de gebruikelijke band tussen minderjarige- en meerderjarige broers of zussen overstijgt. De vraag of sprake is van hechte persoonlijke banden is een kwestie van feitelijke aard. Of sprake is van hechte persoonlijke banden moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie.



9.2.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat referent eisers financieel ondersteunt. De verklaringen van referent hierover zijn onvoldoende concreet. Referent heeft zijn verklaringen ook niet met de nodige stukken onderbouwd. Bovendien is financiële ondersteuning onvoldoende om hechte persoonlijke banden aan te nemen, omdat deze ondersteuning ook op afstand kan plaatsvinden. Zonder af te willen doen aan de ernst van de gestelde situatie, overweegt de rechtbank dat ook niet is onderbouwd en dus niet aannemelijk is gemaakt dat referent losgeld betaalt voor [eiseres 2] . Het enkele feit dat referent zich voor zijn broertjes en zusjes verantwoordelijk voelt omdat hij hun oudere broer is, maakt niet dat er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen hen.



9.3.
De beroepsgrond slaagt niet.



Belangenafweging




10. Gelet op het voorgaande, hoefde de minister geen belangenafweging te maken ten aanzien van referent en eisers.






Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid vanmr. C.S. Carella, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2020:2780, onder 6.5.


Zie in dat kader paragraaf 3.4 van Werkinstructie 2020/16 en paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000, die golden ten tijde van het bestreden besluit. Inmiddels is het jongvolwassenenbeleid afgeschaft.


Uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4630, onder 5.2.


Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, onder 8.3.


ECLI:NL:RVS:2020:2780, onder 6.5.


Europees Hof voor de Rechten van de Mens.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 26 november 2013, Vasquez tegen Zwitserland, app.no. 1785/08, onder 48.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1189.