Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23192

2026-08-18 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.4897
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.4897
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel Jemen. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er ten aanzien van Jemen geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatieverordening. Daarnaast heeft de minister geen onderzoek verricht naar de individuele omstandigheden van eiser en is er geen beoordeling ten aanzien van artikel 3 van het EVRM verricht. Het beroep is gegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.880 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht


Zaaknummer: NL24.4897


V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , eiser

geboren op [geboortedag] 1986, van Jemenitische nationaliteit,
(gemachtigde: mr. C.C. Smit),



en




de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E. Sweerts).



Inleiding


1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 september 2024 deze aanvraag afgewezen.



1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer L. Warsame als tolk in de Somalische taal en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.



2.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. De vader van eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en zijn moeder de Somalische. Hij is in Somalië geboren en daar is hij ook opgegroeid. Hij is nog nooit in Jemen geweest. Hij heeft (alleen) de Jemenitische nationaliteit.



3.1.
Eiser verklaart een polyamoreus huwelijk te hebben. Hij is in 2003 met zijn eerste vrouw en in 2008 of 2009 met zijn tweede vrouw religieus getrouwd. Eiser heeft van 2003 of 2004 tot 2021 met zijn eerste vrouw en hun kinderen in Saudi-Arabië verbleven. Zijn tweede vrouw en hun drie kinderen verbleven in Somalië. Eiser verklaart verder na zijn vertrek twee keer kort in Somalië te hebben verbleven. Dit betrof een periode van ongeveer zes maanden in 2016 en anderhalve maand in 2017. In 2017 werkte eiser als kleermaker in [plaats]. Toen is eiser door Al-Shabaab gevraagd om een uniform voor hun te maken. Eiser heeft dit geweigerd waarna hij is aangevallen. Hij wist te ontkomen. Deze mannen hebben de tweede vrouw van eiser aangevallen en verkracht. Eiser verklaart Somalië illegaal te zijn uitgereisd en naar Saoedi-Arabië te zijn gegaan. Hij heeft hierbij gebruik gemaakt van een vals paspoort. Eiser is vanuit Saoedi-Arabië naar Turkije gevlucht. Via Turkije is eiser naar Griekenland gereisd. Eiser heeft op 13 oktober 2022 een asielaanvraag in Nederland ingediend.



3.2.
Eiser verklaart dat zijn tweede vrouw samen met de kinderen afzonderlijk van hem naar Turkije is gevlucht. De vrouw van eiser was destijds acht maanden zwanger. Zij is in 2017 samen met hun twee dochters en ongeboren kind omgekomen bij een bootongeluk bij de oversteek van Turkije naar Griekenland. Hun zoon heeft het bootongeluk overleefd en die verblijft sindsdien bij zijn oma in Kenia.



Het bestreden besluit


4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

- zijn identiteit, nationaliteit en herkomst.


De minister acht dit asielmotief geloofwaardig en gaat daarbij alleen uit van eisers Jemenitische nationaliteit. In het voornemen heeft de minister eisers problemen met Al-Shabaab ook als asielmotief aangemerkt. De minister heeft in het bestreden besluit aangegeven dat dit asielmotief en alle overige punten in de zienswijze over Somalië niet verder zullen worden getoetst, omdat eiser wordt gevolgd in zijn standpunt dat hij niet óók de Somalische nationaliteit bezit.




4.1.
Volgens de minister loopt eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft niet aangetoond dat er individuele omstandigheden zijn op basis waarvan hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van een hoge mate van willekeurig geweld. Dat eiser nooit in Jemen is geweest, daar geen netwerk heeft en het daardoor voor hem moeilijker is om zich aan het geweld te onttrekken, is niet door eiser gemotiveerd. De algehele situatie in Jemen is weliswaar aan te merken als humanitaire crisis, maar dat is op zichzelf onvoldoende om bij terugkeer te spreken van een schending van artikel 3 van het EVRM.



De beoordeling van de rechtbank





Standpunt eiser


5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte het nieuwe beleid ten aanzien van Jemen heeft toegepast. Indien tijdig op de asielaanvraag was beslist, had eiser op grond van het oude landenbeleid van vóór 24 april 2024 in het bezit moeten worden gesteld van een verblijfsvergunning, omdat destijds voor Jemen nog een uitzonderlijk niveau van geweld werd aangenomen. Eiser stelt daardoor te zijn benadeeld. Eiser voert verder aan dat op basis van de beschikbare landeninformatie ook op dit moment in Jemen nog sprake is van een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict zoals bedoeld in artikel 15, onder c (hierna: 15c), van de Kwalificatieverordening. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de minister niet heeft beoordeeld of hij een risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Jemen.



Standpunt minister


6. De minister stelt zich op het standpunt dat het huidige beleid terecht op de beoordeling van eisers asielaanvraag is toegepast en wijst op de ex-nunc beoordeling van asielaanvragen. Daarnaast blijkt volgens de minister uit de landeninformatie niet dat ten aanzien van Jemen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatieverordening. Dat het huidige beleid standhoudt, blijkt volgens de minister uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 9 juni 2026. Ten aanzien van de beoordeling met betrekking tot artikel 3 van het EVRM stelt de minister zich op het standpunt dat die beoordeling niet expliciet is gemaakt, maar dat hij heeft bedoeld aan te sluiten bij de 15c-beoordeling en dat de humanitaire omstandigheden daarbij zijn betrokken. De minister heeft daarom de rechtbank verzocht om voor zover het beroep gegrond verklaard wordt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.



Toetsing aan het beleid van de minister op het moment van besluitvorming


7. De rechtbank overweegt allereerst dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komt, onvoldoende is om van het uitgangspunt af te wijken dat bij het nemen van een besluit op bezwaar de beleidsregels worden toegepast zoals die op dat moment gelden. Slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Dit uitgangspunt geldt ook voor beslissingen op asielaanvragen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken, nu eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd. Het enkele feit dat de minister niet tijdig op zijn asielaanvraag heeft beslist, is daartoe onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.

Geschil tussen partijen

8. Niet in geschil is dat eiser geen asielmotieven heeft ten aanzien van Jemen. Wat in geschil is, is of sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatieverordening dan wel een schending van artikel 3 van het EVRM.



Artikel 15c van de Kwalificatieverordening


9. De rechtbank stel allereerst vast dat de minister geen landeninformatie heeft betrokken in zowel het voornemen als het bestreden besluit. De minister stelt zich slechts op het standpunt dat het feit dat eiser afkomstig is uit Jemen onvoldoende is om een risico op ernstige schade aan te nemen. Ook zijn er volgens de minister geen individuele omstandigheden aangevoerd waarom eiser specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. Naar het oordeel van de rechtbank is deze motivering te summier en blijkt hieruit niet dat de minister onderzoek heeft gedaan naar de specifieke situatie van eiser bij terugkeer naar Jemen.



9.1.
Verder stelt de rechtbank vast dat, anders dan de minister betoogt, het landenbeleid van de minister ten aanzien van Jemen geen standhoudt. Ten aanzien van de beoordeling van de algehele veiligheidssituatie verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 juli 2026. In deze uitspraken is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat niet inzichtelijk is geworden hoe de elementen uit het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van 10 juni 2021 samen hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Ook heeft de minister niet op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee niet in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025.



9.2.
De minister heeft ten aanzien van het landenbeleid over Jemen in het verweerschrift gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 9 juni 2026. Uit deze uitspraak blijkt dat de minister aan de wijziging van het landenbeleid ten aanzien van Jemen beslisnota 15c ten grondslag heeft gelegd. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 9.1. heeft overwogen houdt deze beleidswijziging, anders dan de minister betoogt, geen stand. Voor zover de minister met de verwijzing naar de beslisnota 15c heeft bedoeld te zeggen dat daaruit blijkt dat eiser naar de door de minister als veilig beoordeelde gebieden in Jemen kan terugkeren, is de rechtbank van oordeel dat elke asielaanvraag op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld. Deze verwijzing volstaat naar het oordeel van de rechtbank om die reden dan ook niet. Anders dan in die uitspraak van 9 juni 2026, heeft de minister ten aanzien van eiser in het bestreden besluit niet gemotiveerd naar welke provincie eiser zou kunnen terugkeren. De minister neemt voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit de provincies Abyan, Aden, Al Bayda, Al Dhale, Al Hudayda, Al Jawf, Ibb, Lahj, Marib, Sa’da, Sana’a (stad), Sana’a (provincie), Shabwa, Taiz, Al Mahwit, Amran, Dhamar, Hajjah en Raymah en die een reëel risico lopen op ernstige schade vanwege de uitzonderlijke veiligheidssituatie, in beginsel aan dat er een beschermingsalternatief is in Al Mahra en Hadramaut. Eiser heeft nooit in Jemen verbleven, dus de rechtbank ziet niet in waarom dit beschermingsalternatief ook op eiser van toepassing is zonder dat de minister daar eerst nader onderzoek naar heeft verricht. De beroepsgrond slaagt.



9.3.
Daarnaast heeft de minister eisers individuele omstandigheden onvoldoende bij de beoordeling van eisers asielaanvraag betrokken. Eiser verklaart dat hij nooit in Jemen is geweest en is opgegroeid in Somalië. Ook heeft hij een groot deel van zijn leven verbleven in Saoedi-Arabië. Eiser spreekt niet vloeiend Arabisch maar Somalisch en verklaart geen sociaal netwerk te hebben in Jemen. Hij heeft nooit contact gehad met zijn familie aan vaderszijde in Jemen en hij weet ook niet waar zij verblijven. Door het ontbreken van een sociaal netwerk is het voor eiser moeilijker om zich te onttrekken aan willekeurig geweld en loopt hij het risico om gerekruteerd te worden, zo stelt hij. Verder heeft eiser geen officiële documenten en is hij Soenitisch moslim.



9.4.
Naar het oordeel van de rechtbank had de minister gemotiveerd moeten ingaan op deze individuele omstandigheden van eiser. De enkele stelling dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers, volstaat naar het oordeel van de rechtbank niet nu de motivering van de minister te algemeen is geformuleerd. Daarnaast geeft de landeninformatie geen eenduidig beeld over de situatie van terugkeerders. Uit de informatie uit het algemeen ambtsbericht volgt dat er nauwelijks tot geen concrete informatie beschikbaar is over uitgeprocedeerde asielzoekers die vanuit Europa of andere westerse landen naar Jemen terugkeren. Verder blijkt uit een brief van VluchtelingenWerk Nederland dat Jemenitische arbeiders in Saoedi-Arabië die gedwongen terugkeren wegens werkloosheid of uitzetting, bij terugkeer worden geconfronteerd met geweld en een verhoogde kwetsbaarheid voor mensenhandel. De minister dient gemotiveerd te onderbouwen of eiser individueel risico loopt op basis van alle door hem aangevoerde omstandigheden, waarbij ook relevante landeninformatie dient te worden betrokken. Dat heeft de minister ten onrechte niet gedaan. De beroepsgrond slaagt eveneens.



Artikel 3 EVRM

10. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister in het bestreden besluit geen beoordeling heeft gemaakt ten aanzien van artikel 3 van het EVRM. Een beoordeling of eiser een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM betreft een autonome beoordeling en is niet dezelfde beoordeling als de beoordeling van de zwaarwegendheid van een asielaanvraag. Deze beroepsgrond slaagt.






Conclusie en gevolgen


11. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, nu de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de situatie van eiser bij terugkeer naar Jemen en het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.



11.1
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.



11.2
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.


Verordening 2024/1347. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. Artikel 41 van de Kwalificatieverordening bepaalt dat de Kwalificatieverordening geen overgangsrecht kent.


ECLI:NL:RBDHA:2026:15586.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4158.


ECLI:NL:RBDHA:2026:18242, rechtsoverwegingen 11-13 en ECLI:NL:RBDHA:2026:18225, rechtsoverwegingen 12-14.1.


ECLI:EU:C:2021:472.


Hof van Justitie van de Europese Unie.


ECLI:NL:RVS:2025:3153.


Zie voetnoot 3.


De bijlage 15c beoordeling bij de beslisnota van de minister van 8 oktober, 2025 19 637, nr. 3489.


Algemeen ambtsbericht Jemen, april 2025, pagina 105-106.


Brief VluchtelingenWerk Nederland, “terugkeer uit het buitenland (Westen en Golfstaten)”, 9 januari 2026.


Algemene wet bestuursrecht.


De rechtbank kent een waarde toe van €934.- per punt met wegingsfactor 1.