Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23188

2026-08-18 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.6053
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.6053
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel - Syrië - Damascus - geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan opgenomen in het beleid - hoewel de humanitaire situatie precair is, valt dit over het algemeen niet binnen de reikwijdte van het willekeurige geweld in het kader van een lopend gewapend conflict - beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.774 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.6053


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser, geboren op [geboortedatum],van Syrische nationaliteit, V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D. de Vries),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.J. Dreijer).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.





Beoordeling door de rechtbank



Het asielrelaas


3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard afkomstig te zijn uit Damascus en daar in een restaurant te hebben gewerkt. Hij werd door de groep Al Jaish Al Shaábi ervan beschuldigd hen in een hinderlaag te hebben gelokt, doordat zij in zijn restaurant werden gearresteerd door de groep Al Jaish Al Hur. Door Al Jaish Al Hur werd eiser beschuldigd sympathisant van het regime te zijn, omdat de groep Al Jaish Al Shaábi regelmatig eisers restaurant bezochten. Eiser werd daarom meegenomen en mishandeld door Al Jaish Al Hur. Nadat hij werd vrijgelaten heeft eiser ondergedoken en uiteindelijk heeft hij Syrië verlaten. Bij terugkeer vreest eiser voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië.



Het bestreden besluit


4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:- identiteit, nationaliteit en herkomst;- de problemen met Al Jaish Al Hur en Al Jaish Al Shaábi;- de algemene situatie in Syrië.


De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen met Al Jaish Al Hur en Al Jaish Al Shaábi zijn ook geloofwaardig. De minister stelt zich echter op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de aanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond.




Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?


5. Eiser stelt dat de minister ten onrechte uitgaat van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Eiser verwijst hiervoor naar verschillende uitspraken van verschillende zittingsplaatsen en naar de brief van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) van 6 februari 2026. Uit het rapport van de Deense Immigratiedienst volgt verder dat grote delen van Syrië nog steeds zwaar vervuild zijn met explosieve oorlogsresten, met name in de provincies Homs, Aleppo, Deir, ex-Zor en Daraa. Volgens eiser is de enkele verwijzing door de minister naar het EUAA-rapport van december 2025 onvoldoende om hiervan af te wijken. Daarnaast zijn volgens eiser de humanitaire omstandigheden onvoldoende bij de beoordeling betrokken. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de uitspraak van 11 december 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem. De val van Assad maakt verder niet dat sprake is van een nieuw conflict. De minister moet aannemelijk maken dat de schade aan de Syrische infrastructuur niet door andere actoren in dit conflict is ontstaan. Eiser verwijst tot slot naar het negatief reisadvies voor Syrië en naar het feit dat VWN terugkeer naar Syrië afraadt. De Nederlandse overheid heeft ook geen zogenaamde go and see regeling, waarbij men zonder verblijfsrechtelijke consequenties een verkennende reis kan maken naar Syrië. Eiser heeft op zitting de beroepsgrond dat zijn individuele omstandigheden onvoldoende bij de beoordeling zijn betrokken, ingetrokken.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in Damascus geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan opgenomen in het beleid. De minister heeft in het bestreden besluit voldoende deugdelijk gemotiveerd dat het aantal burgerslachtoffers in Damascus sinds de machtsovername laag is gebleven, gelet op het aantal inwoners. Uit het algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 volgt verder dat de meeste geweldsincidenten in de verslagperiode zich voordeden buiten Damascus. Ten aanzien van de ontplofbare oorlogsresten, overweegt de rechtbank dat uit het ambtsbericht volgt dat dergelijke incidenten beperkt voorkwamen in Damascus en dat hier opruimingswerkzaamheden zijn uitgevoerd. De rechtbank overweegt verder dat uit het EUAA-rapport van december 2025 volgt dat geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Damascus wordt hierin aangemerkt als het meest stabiele gebied van Syrië. De rechtbank ziet in de door eiser overgelegde stukken en de verwijzing naar verschillende uitspraken, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor een ander oordeel.

6.1.
De minister heeft verder voldoende gemotiveerd dat, hoewel de humanitaire situatie precair is, dit over het algemeen niet binnen de reikwijdte van het willekeurige geweld in het kader van een lopend gewapend conflict valt. De rechtbank overweegt dat deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 9 december 2025 heeft geoordeeld dat de humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van één van de strijdende partijen. Uit het Algemeen Ambtsbericht van Syrië van mei 2025 blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. De rechtbank ziet in het algemeen ambtsbericht van Syrië van januari 2026 geen aanleiding voor een ander oordeel. De verwijzing naar de uitspraak van 11 december 2025 leidt, gelet op het voorgaande, evenmin tot een ander oordeel.



Conclusie en gevolgen


7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Vreemdelingenwet 2000.


ECLI:NL:RBDHA:2025:23822.


ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.