Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23143
2026-08-17
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/09/710174 / KG ZA 26/865
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding tegen de gemeente Gouda. Vordering om met spoed te voorzien in huisvesting van een nieuw te stichten middelbare school. Eisende partij is niet-ontvankelijk, omdat bij de bestuursrechter een voorlopige voorziening kan worden gevraagd. Die procedure is met voldoende waarborgen omkleed. Daarom is er geen taak weggelegd voor de civiele rechter in kort geding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.620 tekens)
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/710174 / KG ZA 26/865
Vonnis in kort geding van 17 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING DE OZONLAAG te Den Haag,
eiseres,
advocaat: mr. L.F.B.V. Peeters,
tegen:
GEMEENTE GOUDA te Gouda,
gedaagde,
advocaten: mrs. J.A.N. Baas en R.G. de Jong.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘De Ozonlaag’ en ‘de gemeente’.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van De Ozonlaag, met producties 1 tot en met 31;
- de aanvullende producties van De Ozonlaag, genummerd 32 tot en met 44;
- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties 1 tot en met 4;
- de op 12 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De Ozonlaag exploiteert scholen in verschillende steden.
Bekostiging
2.2.
Op 31 oktober 2024 heeft De Ozonlaag bij de minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (‘de minister’) een verzoek ingediend voor bekostiging op grond van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (‘Wvo’) van een bijzondere school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs genaamd ‘Novum Saeculum Gouda’ (‘het Novum’), te vestigen in Gouda.
2.3.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de gemeente op 12 november 2024 bij de minister een zienswijze ingediend. Daarin staat onder meer dat de gemeente problemen voorziet bij de huisvesting van de school.
2.4.
Op 30 mei 2025 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (‘de staatssecretaris’) het besluit genomen dat het Novum met ingang van 1 augustus 2026 in aanmerking komt voor bekostiging als school voor middelbaar algemeen voorgezet onderwijs.
2.5.
Naar aanleiding van dit besluit heeft de gemeente op 14 oktober 2025 de minister een brief gestuurd waarin staat, voor zover van belang:
‘Wij verzoeken u daarom om de gemeente Gouda een jaar uitstel te geven om in die tijd te komen tot:
- Goede afspraken met initiatiefnemers voor de ontwikkeling van islamitisch voortgezet onderwijs in Gouda.
- Ruimte en middelen te vinden om islamitisch onderwijs in Gouda op een verantwoorde manier te huisvesten.
- Voldoende tijd om met het huidige onderwijsveld afspraken te maken over hoe we bovenstaande gaan combineren met de afspraken zoals dit jaar vastgesteld in de 2e tranche van het IHP’
2.6.
Op 9 februari 2026 heeft de staatssecretaris op dit verzoek een besluit genomen. In het besluit staat, voor zover van belang:
‘Op grond van het voorgaande stem ik met toepassing van artikel 4.7 derde lid, in met uw verzoek de aanspraak op bekostiging met een jaar te handhaven. Dit betekent dat de bekostiging van de school aan zal vangen op 1 augustus 2027.’
2.7.
Op 10 juli 2026 heeft De Ozonlaag bestuursrechtelijk bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.8.
Bij beslissing van 3 augustus 2026 heeft de staatssecretaris het bezwaar gegrond verklaard. In de beslissing staat, voor zover van belang:
‘Ik verklaar uw bezwaarschrift gegrond, omdat het besluit van 9 februari 2026 onzorgvuldig is voorbereid en genomen. Tegelijkertijd constateer ik dat mede vanwege het tijdsverloop sinds het besluit van 9 februari 2026 ik het risico dat de bekostigingsaanspraak voor uw school vervalt, in dit geval moet aanmerken als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4.7, derde lid, van de WVO 2020. Gelet hierop herroep mijn besluit in die zin dat ik de
goedkeuring van de aanvraag intrek wegens onzorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming en de aanvraag alsnog goedkeur wegens aanwezigheid van bijzondere omstandigheden. De bekostigingsaanspraak van uw school blijft daarmee gehandhaafd tot 1 augustus 2027.’
(…)
In het besluit van 9 februari 2026 is voorts niet meer beoogd dan dat, ingeval uw school niet op de eerste schooldag van 2026 in uw regio zou kunnen starten, de aanspraak op de bekostiging voor een jaar kan worden gehandhaafd tot augustus 2027. Een andere uitleg dan uit de wet volgt, past niet.
Indien er voor de eerste schooldag van 2026 in uw regio (31 augustus 2026) kan worden voorzien in de huisvesting, dan staat dit besluit er niet aan in de weg dat de bekostiging alsnog aanvangt per 1 augustus 2026.’
2.9.
Op 10 augustus 2026 heeft De Ozonlaag tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’). Op diezelfde datum heeft De Ozonlaag aan de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Voor deze zaken is nog geen datum bepaald.
Huisvesting; reguliere aanvraag (artikel 6.4 Wvo)
2.10.
Op 8 september 2025 heeft De Ozonlaag het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (‘het college’) een brief gestuurd waarin staat dat het Novum uiterlijk in december 2025 wil beschikken over huisvesting voor de school.
2.11.
Op 31 december 2025 heeft De Ozonlaag het college een brief gestuurd waarin staat dat het Novum per 31 augustus 2026 zal starten met het onderwijs, dat zij de ‘huisvestigingsaanvraag’ van 8 september 2025 ‘bevestigt’ en dat zij de gemeente verzoekt om uiterlijk per 15 januari 2026 in huisvestiging te voorzien.
2.12.
Op 15 januari 2026 heeft De Ozonlaag het college een brief gestuurd waarin zij vraagt om binnen twee weken te bevestigen dat alsnog in huisvesting zal worden voorzien.
2.13.
Per e-mail van 15 januari 2026 heeft het college hierop geantwoord dat het eerst wacht op de beslissing op het verzoek van 14 oktober 2025 om de bekostiging van het Novum met een jaar uit te stellen.
2.14.
Op 10 juli 2026 heeft De Ozonlaag bij de bestuursrechter van deze rechtbank beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om huisvesting. Voor deze zaak is nog geen datum bepaald.
Huisvesting; spoedaanvraag (artikel 6.8 Wvo)
2.15.
Op 18 juli 2026 heeft De Ozonlaag het college verzocht om overeenkomstig artikel 6.8 Wvo – met spoed – per 1 augustus 2026 in huisvesting te voorzien.
2.16.
Bij brief van 28 juli 2026 heeft het college dit verzoek afgewezen. In de brief staat dat volgens het college geen sprake is van een spoedeisende situatie, omdat de aanvangsdatum van de bekostiging van het Novum is uitgesteld tot 1 augustus 2027.
2.17.
Op 15 augustus 2026 heeft De Ozonlaag bestuursrechtelijk bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hierop is nog niet beslist.
3Het geschil
3.1.
De Ozonlaag vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
( i) de gemeente te gebieden om uiterlijk 19 augustus 2026 aan eiseres ten behoeve van het Novum Saeculum Lyceum te Gouda tijdelijke passende huisvesting ter beschikking te stellen met een bruto vloeroppervlakte van ten minste 1.913 m2, zijnde de normatieve ruimtebehoefte voor de eerste twee leerjaren (151 leerlingen) die voortvloeit uit de bij het bekostigingsbesluit van 30 mei 2025 behorende, door de minister beoordeelde prognose en uit bijlage II, deel B, van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Gouda (een vaste voet van 980 m2 voor de hoofdvestiging, vermeerderd met 6,18 m2 per onderbouwleerling; zie nr. 26 en Productie 27) - waarbinnen ten minste acht lesruimten met bijbehorende sanitaire, docenten- en algemene voorzieningen beschikbaar zijn, zodanig dat deze leerlingen en het benodigde personeel veilig en overeenkomstig de wettelijke onderwijsvereisten kunnen worden gehuisvest -, zulks hetzij door een passende voorziening (gebouw of medegebruik) ter beschikking te stellen, hetzij door aan eiseres een toereikend budget voor tijdelijke huur ter beschikking te stellen, op straffe van een eenmalige, onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000.000 indien de gemeente hieraan niet uiterlijk 19 augustus 2026 heeft voldaan, althans een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
(ii) voor het geval de gemeente niet uiterlijk 19 augustus 2026 volledig aan het onder (i) gevorderde heeft voldaan: zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiseres met ingang van de tweede dag nadien gerechtigd is de voormalige onderwijslocatie [adres] te Gouda om niet als tijdelijke huisvestingsvoorziening ten behoeve van het Novum Saeculum Lyceum in gebruik te nemen en te gebruiken totdat de gemeente alsnog volledig aan het onder (i) gevorderde heeft voldaan dan wel over de huisvesting in een bodemprocedure of in de bestuursrechtelijke procedures onherroepelijk anders is beslist, doch uiterlijk tot en met 31 juli 2027, en door te bepalen dat dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor deze ingebruikgeving vereiste medewerking en wilsverklaringen van de gemeente, met machtiging van eiseres op de voet van artikel 3:299 BW om zich dit gebruik zo nodig zelf te verschaffen met behulp van de deurwaarder en de sterke arm (artikel 555 e.v. in verbinding met artikel 444 Rv), alsmede de gemeente te veroordelen om dit gebruik te dulden, de locatie binnen twee dagen na het eerste daartoe strekkende verzoek van eiseres ontruimd en onder afgifte van alle sleutels en toegangsmiddelen feitelijk ter beschikking te stellen en aan eiseres een toereikend budget ter beschikking te stellen voor het voor onderwijs gereedmaken van die locatie – waarvan de omvang nader zal worden onderbouwd bij aanvullende productie –, althans de gemeente te gebieden die locatie binnen twee dagen nadien als tijdelijke huisvestingsvoorziening aan eiseres in gebruik te geven, althans een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening waarmee het onderwijs op 31 augustus 2026 feitelijk kan aanvangen;
(iii) meer subsidiair, de gemeente te veroordelen om met ingang van de datum van betekening van het vonnis, althans op een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen tijdstip, bij wijze van voorschot op de door haar verschuldigde schadevergoeding aan eiseres maandelijks bij vooruitbetaling de daadwerkelijk krachtens een door eiseres ten behoeve van het Novum Saeculum Lyceum te Gouda te sluiten huurovereenkomst voor tijdelijke huisvesting verschuldigde huur- en servicekosten te voldoen, tegen overlegging van die huurovereenkomst en de desbetreffende facturen en tot een maximum van € 60.000 per maand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, totdat de Gemeente passende huisvesting ter beschikking heeft gesteld of in de bestuursrechtelijke procedure is geoordeeld dat Novum in schooljaar 2026-2027 geen aanspraak op bekostiging of huisvesting heeft, doch uiterlijk tot en met 31 juli 2027;
(iv) de gemeente te verbieden om bij de behandeling of uitvoering van de huisvestingsaanvraag van eiseres voorwaarden te stellen die niet berusten op het wettelijke huisvestingskader, waaronder het afhankelijk stellen van die behandeling of uitvoering van (de uitkomst van gesprekken met of over) andere schoolinitiatieven of van “beeldvorming” over het onderwijsconcept van eiseres;
( v) de gemeente te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 25.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan
dat zij in gebreke blijft aan de veroordelingen onder (ii) en/of (iv) te voldoen, met een maximum van € 1,000.000;
(vi) de gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval de
voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf het verstrijken van die termijn.
3.2.
Daartoe voert De Ozonlaag – samengevat – het volgende aan. Op basis van het bekostigingsbesluit van 30 mei 2025 moet het onderwijs op het Novum op 31 augustus 2026 kunnen aanvangen. De gemeente voldoet al geruime tijd niet aan haar verplichting om aan De Ozonlaag huisvesting voor het Novum toe te kennen. De gemeente handelt aldus onrechtmatig jegens De Ozonlaag wegens strijd met de wettelijke huisvestingstaak, de toepasselijke besluitvormingsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dat de aanspraak op bekostiging is gehandhaafd tot 1 augustus 2027, ontslaat de gemeente niet van de verplichting om ook voor het komende schooljaar in huisvesting te voorzien. Verder stelt de gemeente in het kader van de huisvesting voorwaarden aan de inhoudelijk inrichting van het onderwijs, terwijl daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Daarnaast heeft de gemeente onzorgvuldig gehandeld in de procedure over de bekostiging van het Novum door het besluit van 9 februari 2026 pas een maand later aan De Ozonlaag door te sturen.
3.3.
De gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling van het geschil
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van de gemeente is dat De Ozonlaag in deze civiele kortgedingprocedure niet-ontvankelijk is, omdat zij haar vorderingen in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang aan de bestuursrechter ter beoordeling kan voorleggen. Dit verweer slaagt. Hierna wordt uitgelegd waarom.
4.2.
De vraag of voor de civiele rechter een taak is weggelegd bij de beoordeling van een geschil waarin het gaat om bestuursrechtelijk handelen van een overheidsorgaan is afhankelijk van de vraag of een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat, waarin de rechtmatigheid van dat handelen kan worden getoetst. Is een dergelijke procedure die voldoende rechtsbescherming biedt bij de bestuursrechter voorhanden, dan moet daarvan ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen van de civiele rechter en de bestuursrechter over eenzelfde kwestie gebruik gemaakt worden en is voor de civiele rechter geen taak weggelegd. Het bewaken van de taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter wordt ook ingegeven door het belang dat het zo veel mogelijk de gespecialiseerde (bestuurs)rechter moet zijn die de specialistische zaken behandelt en beoordeelt.
4.3.
De vorderingen strekken ertoe dat de gemeente wordt veroordeeld ervoor te zorgen dat het Novum voor schooljaar 2026-2027 kan beschikken over huisvesting. De Ozonlaag heeft voor die huisvesting twee aanvragen bij de gemeente gedaan: een reguliere aanvraag om voor het Novum een voorziening op te nemen in het jaarlijks vast te stellen ‘programma huisvestigingsvoorzieningen’ (op grond van artikel 6.4 Wvo) en een spoedaanvraag om tijdelijk een schoolgebouw ter beschikking te stellen of te bekostigen (op grond van artikel 6.8 Wvo).
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat als de gemeente een besluit neemt op deze verzoeken, dat telkens een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Tegen een dergelijk besluit kan De Ozonlaag opkomen bij de bestuursrechter. De gemeente heeft nog niet beslist op de reguliere huisvestingsaanvraag, zodat er op dit moment geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb voorhanden is. In artikel 6:2 Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 Awb gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek kan De Ozonlaag blijkens artikel 6:12 Awb in beroep gaan bij de bestuursrechter. Hangende het beroep kan De Ozonlaag op grond van artikel 8:81 Awb de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter verzoeken om één of meerdere voorlopige voorzieningen te treffen. Ook in de procedure hangende het bezwaar tegen de weigering van de spoedaanvraag heeft De Ozonlaag de mogelijkheid om voorlopige voorzieningen te vragen aan de bestuursrechter. In die voorlopige voorzieningen-procedure kan De Ozonlaag dezelfde verzoeken indienen als zij in dit kort geding heeft gedaan. Ook bij de bestuursrechter kan, in spoedeisende gevallen, op zeer korte termijn een voorlopige voorziening worden gevraagd. De Ozonlaag voert aan dat die procedure(s), anders dan een civiel kort geding, hooguit kan/kunnen leiden tot (hernieuwde) besluitvorming door het college en niet tot het feitelijk beschikbaar krijgen van een schoolgebouw, maar dat is niet juist. Binnen het bestuursrecht is een daartoe strekkende voorlopige voorziening niet uitgesloten. De Ozonlaag kan dus bij de bestuursrechter hetzelfde resultaat bereiken als het resultaat dat zij met deze procedure beoogt te bereiken. Daarmee staat vast dat voor De Ozonlaag een met voldoende waarborgen omklede en snelle rechtsgang bij de bestuursrechter open staat waarin een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt.
4.5.
De conclusie is dus dat De Ozonlaag niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vorderingen.
4.6.
De Ozonlaag is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- griffierecht € 3.083,-
- salaris advocaat € 1.177,-
- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 4.449,-
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart De Ozonlaag niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
5.2.
veroordeelt De Ozonlaag in de proceskosten van € 4.449,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als De Ozonlaag niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet De Ozonlaag € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.
mve
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/710174 / KG ZA 26/865
Vonnis in kort geding van 17 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING DE OZONLAAG te Den Haag,
eiseres,
advocaat: mr. L.F.B.V. Peeters,
tegen:
GEMEENTE GOUDA te Gouda,
gedaagde,
advocaten: mrs. J.A.N. Baas en R.G. de Jong.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘De Ozonlaag’ en ‘de gemeente’.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van De Ozonlaag, met producties 1 tot en met 31;
- de aanvullende producties van De Ozonlaag, genummerd 32 tot en met 44;
- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties 1 tot en met 4;
- de op 12 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De Ozonlaag exploiteert scholen in verschillende steden.
Bekostiging
2.2.
Op 31 oktober 2024 heeft De Ozonlaag bij de minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (‘de minister’) een verzoek ingediend voor bekostiging op grond van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (‘Wvo’) van een bijzondere school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs genaamd ‘Novum Saeculum Gouda’ (‘het Novum’), te vestigen in Gouda.
2.3.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de gemeente op 12 november 2024 bij de minister een zienswijze ingediend. Daarin staat onder meer dat de gemeente problemen voorziet bij de huisvesting van de school.
2.4.
Op 30 mei 2025 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (‘de staatssecretaris’) het besluit genomen dat het Novum met ingang van 1 augustus 2026 in aanmerking komt voor bekostiging als school voor middelbaar algemeen voorgezet onderwijs.
2.5.
Naar aanleiding van dit besluit heeft de gemeente op 14 oktober 2025 de minister een brief gestuurd waarin staat, voor zover van belang:
‘Wij verzoeken u daarom om de gemeente Gouda een jaar uitstel te geven om in die tijd te komen tot:
- Goede afspraken met initiatiefnemers voor de ontwikkeling van islamitisch voortgezet onderwijs in Gouda.
- Ruimte en middelen te vinden om islamitisch onderwijs in Gouda op een verantwoorde manier te huisvesten.
- Voldoende tijd om met het huidige onderwijsveld afspraken te maken over hoe we bovenstaande gaan combineren met de afspraken zoals dit jaar vastgesteld in de 2e tranche van het IHP’
2.6.
Op 9 februari 2026 heeft de staatssecretaris op dit verzoek een besluit genomen. In het besluit staat, voor zover van belang:
‘Op grond van het voorgaande stem ik met toepassing van artikel 4.7 derde lid, in met uw verzoek de aanspraak op bekostiging met een jaar te handhaven. Dit betekent dat de bekostiging van de school aan zal vangen op 1 augustus 2027.’
2.7.
Op 10 juli 2026 heeft De Ozonlaag bestuursrechtelijk bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.8.
Bij beslissing van 3 augustus 2026 heeft de staatssecretaris het bezwaar gegrond verklaard. In de beslissing staat, voor zover van belang:
‘Ik verklaar uw bezwaarschrift gegrond, omdat het besluit van 9 februari 2026 onzorgvuldig is voorbereid en genomen. Tegelijkertijd constateer ik dat mede vanwege het tijdsverloop sinds het besluit van 9 februari 2026 ik het risico dat de bekostigingsaanspraak voor uw school vervalt, in dit geval moet aanmerken als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4.7, derde lid, van de WVO 2020. Gelet hierop herroep mijn besluit in die zin dat ik de
goedkeuring van de aanvraag intrek wegens onzorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming en de aanvraag alsnog goedkeur wegens aanwezigheid van bijzondere omstandigheden. De bekostigingsaanspraak van uw school blijft daarmee gehandhaafd tot 1 augustus 2027.’
(…)
In het besluit van 9 februari 2026 is voorts niet meer beoogd dan dat, ingeval uw school niet op de eerste schooldag van 2026 in uw regio zou kunnen starten, de aanspraak op de bekostiging voor een jaar kan worden gehandhaafd tot augustus 2027. Een andere uitleg dan uit de wet volgt, past niet.
Indien er voor de eerste schooldag van 2026 in uw regio (31 augustus 2026) kan worden voorzien in de huisvesting, dan staat dit besluit er niet aan in de weg dat de bekostiging alsnog aanvangt per 1 augustus 2026.’
2.9.
Op 10 augustus 2026 heeft De Ozonlaag tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’). Op diezelfde datum heeft De Ozonlaag aan de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Voor deze zaken is nog geen datum bepaald.
Huisvesting; reguliere aanvraag (artikel 6.4 Wvo)
2.10.
Op 8 september 2025 heeft De Ozonlaag het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (‘het college’) een brief gestuurd waarin staat dat het Novum uiterlijk in december 2025 wil beschikken over huisvesting voor de school.
2.11.
Op 31 december 2025 heeft De Ozonlaag het college een brief gestuurd waarin staat dat het Novum per 31 augustus 2026 zal starten met het onderwijs, dat zij de ‘huisvestigingsaanvraag’ van 8 september 2025 ‘bevestigt’ en dat zij de gemeente verzoekt om uiterlijk per 15 januari 2026 in huisvestiging te voorzien.
2.12.
Op 15 januari 2026 heeft De Ozonlaag het college een brief gestuurd waarin zij vraagt om binnen twee weken te bevestigen dat alsnog in huisvesting zal worden voorzien.
2.13.
Per e-mail van 15 januari 2026 heeft het college hierop geantwoord dat het eerst wacht op de beslissing op het verzoek van 14 oktober 2025 om de bekostiging van het Novum met een jaar uit te stellen.
2.14.
Op 10 juli 2026 heeft De Ozonlaag bij de bestuursrechter van deze rechtbank beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om huisvesting. Voor deze zaak is nog geen datum bepaald.
Huisvesting; spoedaanvraag (artikel 6.8 Wvo)
2.15.
Op 18 juli 2026 heeft De Ozonlaag het college verzocht om overeenkomstig artikel 6.8 Wvo – met spoed – per 1 augustus 2026 in huisvesting te voorzien.
2.16.
Bij brief van 28 juli 2026 heeft het college dit verzoek afgewezen. In de brief staat dat volgens het college geen sprake is van een spoedeisende situatie, omdat de aanvangsdatum van de bekostiging van het Novum is uitgesteld tot 1 augustus 2027.
2.17.
Op 15 augustus 2026 heeft De Ozonlaag bestuursrechtelijk bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hierop is nog niet beslist.
3Het geschil
3.1.
De Ozonlaag vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
( i) de gemeente te gebieden om uiterlijk 19 augustus 2026 aan eiseres ten behoeve van het Novum Saeculum Lyceum te Gouda tijdelijke passende huisvesting ter beschikking te stellen met een bruto vloeroppervlakte van ten minste 1.913 m2, zijnde de normatieve ruimtebehoefte voor de eerste twee leerjaren (151 leerlingen) die voortvloeit uit de bij het bekostigingsbesluit van 30 mei 2025 behorende, door de minister beoordeelde prognose en uit bijlage II, deel B, van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Gouda (een vaste voet van 980 m2 voor de hoofdvestiging, vermeerderd met 6,18 m2 per onderbouwleerling; zie nr. 26 en Productie 27) - waarbinnen ten minste acht lesruimten met bijbehorende sanitaire, docenten- en algemene voorzieningen beschikbaar zijn, zodanig dat deze leerlingen en het benodigde personeel veilig en overeenkomstig de wettelijke onderwijsvereisten kunnen worden gehuisvest -, zulks hetzij door een passende voorziening (gebouw of medegebruik) ter beschikking te stellen, hetzij door aan eiseres een toereikend budget voor tijdelijke huur ter beschikking te stellen, op straffe van een eenmalige, onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000.000 indien de gemeente hieraan niet uiterlijk 19 augustus 2026 heeft voldaan, althans een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
(ii) voor het geval de gemeente niet uiterlijk 19 augustus 2026 volledig aan het onder (i) gevorderde heeft voldaan: zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiseres met ingang van de tweede dag nadien gerechtigd is de voormalige onderwijslocatie [adres] te Gouda om niet als tijdelijke huisvestingsvoorziening ten behoeve van het Novum Saeculum Lyceum in gebruik te nemen en te gebruiken totdat de gemeente alsnog volledig aan het onder (i) gevorderde heeft voldaan dan wel over de huisvesting in een bodemprocedure of in de bestuursrechtelijke procedures onherroepelijk anders is beslist, doch uiterlijk tot en met 31 juli 2027, en door te bepalen dat dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de voor deze ingebruikgeving vereiste medewerking en wilsverklaringen van de gemeente, met machtiging van eiseres op de voet van artikel 3:299 BW om zich dit gebruik zo nodig zelf te verschaffen met behulp van de deurwaarder en de sterke arm (artikel 555 e.v. in verbinding met artikel 444 Rv), alsmede de gemeente te veroordelen om dit gebruik te dulden, de locatie binnen twee dagen na het eerste daartoe strekkende verzoek van eiseres ontruimd en onder afgifte van alle sleutels en toegangsmiddelen feitelijk ter beschikking te stellen en aan eiseres een toereikend budget ter beschikking te stellen voor het voor onderwijs gereedmaken van die locatie – waarvan de omvang nader zal worden onderbouwd bij aanvullende productie –, althans de gemeente te gebieden die locatie binnen twee dagen nadien als tijdelijke huisvestingsvoorziening aan eiseres in gebruik te geven, althans een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening waarmee het onderwijs op 31 augustus 2026 feitelijk kan aanvangen;
(iii) meer subsidiair, de gemeente te veroordelen om met ingang van de datum van betekening van het vonnis, althans op een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen tijdstip, bij wijze van voorschot op de door haar verschuldigde schadevergoeding aan eiseres maandelijks bij vooruitbetaling de daadwerkelijk krachtens een door eiseres ten behoeve van het Novum Saeculum Lyceum te Gouda te sluiten huurovereenkomst voor tijdelijke huisvesting verschuldigde huur- en servicekosten te voldoen, tegen overlegging van die huurovereenkomst en de desbetreffende facturen en tot een maximum van € 60.000 per maand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, totdat de Gemeente passende huisvesting ter beschikking heeft gesteld of in de bestuursrechtelijke procedure is geoordeeld dat Novum in schooljaar 2026-2027 geen aanspraak op bekostiging of huisvesting heeft, doch uiterlijk tot en met 31 juli 2027;
(iv) de gemeente te verbieden om bij de behandeling of uitvoering van de huisvestingsaanvraag van eiseres voorwaarden te stellen die niet berusten op het wettelijke huisvestingskader, waaronder het afhankelijk stellen van die behandeling of uitvoering van (de uitkomst van gesprekken met of over) andere schoolinitiatieven of van “beeldvorming” over het onderwijsconcept van eiseres;
( v) de gemeente te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 25.000, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan
dat zij in gebreke blijft aan de veroordelingen onder (ii) en/of (iv) te voldoen, met een maximum van € 1,000.000;
(vi) de gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval de
voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf het verstrijken van die termijn.
3.2.
Daartoe voert De Ozonlaag – samengevat – het volgende aan. Op basis van het bekostigingsbesluit van 30 mei 2025 moet het onderwijs op het Novum op 31 augustus 2026 kunnen aanvangen. De gemeente voldoet al geruime tijd niet aan haar verplichting om aan De Ozonlaag huisvesting voor het Novum toe te kennen. De gemeente handelt aldus onrechtmatig jegens De Ozonlaag wegens strijd met de wettelijke huisvestingstaak, de toepasselijke besluitvormingsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dat de aanspraak op bekostiging is gehandhaafd tot 1 augustus 2027, ontslaat de gemeente niet van de verplichting om ook voor het komende schooljaar in huisvesting te voorzien. Verder stelt de gemeente in het kader van de huisvesting voorwaarden aan de inhoudelijk inrichting van het onderwijs, terwijl daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Daarnaast heeft de gemeente onzorgvuldig gehandeld in de procedure over de bekostiging van het Novum door het besluit van 9 februari 2026 pas een maand later aan De Ozonlaag door te sturen.
3.3.
De gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling van het geschil
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van de gemeente is dat De Ozonlaag in deze civiele kortgedingprocedure niet-ontvankelijk is, omdat zij haar vorderingen in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang aan de bestuursrechter ter beoordeling kan voorleggen. Dit verweer slaagt. Hierna wordt uitgelegd waarom.
4.2.
De vraag of voor de civiele rechter een taak is weggelegd bij de beoordeling van een geschil waarin het gaat om bestuursrechtelijk handelen van een overheidsorgaan is afhankelijk van de vraag of een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat, waarin de rechtmatigheid van dat handelen kan worden getoetst. Is een dergelijke procedure die voldoende rechtsbescherming biedt bij de bestuursrechter voorhanden, dan moet daarvan ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen van de civiele rechter en de bestuursrechter over eenzelfde kwestie gebruik gemaakt worden en is voor de civiele rechter geen taak weggelegd. Het bewaken van de taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter wordt ook ingegeven door het belang dat het zo veel mogelijk de gespecialiseerde (bestuurs)rechter moet zijn die de specialistische zaken behandelt en beoordeelt.
4.3.
De vorderingen strekken ertoe dat de gemeente wordt veroordeeld ervoor te zorgen dat het Novum voor schooljaar 2026-2027 kan beschikken over huisvesting. De Ozonlaag heeft voor die huisvesting twee aanvragen bij de gemeente gedaan: een reguliere aanvraag om voor het Novum een voorziening op te nemen in het jaarlijks vast te stellen ‘programma huisvestigingsvoorzieningen’ (op grond van artikel 6.4 Wvo) en een spoedaanvraag om tijdelijk een schoolgebouw ter beschikking te stellen of te bekostigen (op grond van artikel 6.8 Wvo).
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat als de gemeente een besluit neemt op deze verzoeken, dat telkens een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Tegen een dergelijk besluit kan De Ozonlaag opkomen bij de bestuursrechter. De gemeente heeft nog niet beslist op de reguliere huisvestingsaanvraag, zodat er op dit moment geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb voorhanden is. In artikel 6:2 Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 Awb gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek kan De Ozonlaag blijkens artikel 6:12 Awb in beroep gaan bij de bestuursrechter. Hangende het beroep kan De Ozonlaag op grond van artikel 8:81 Awb de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter verzoeken om één of meerdere voorlopige voorzieningen te treffen. Ook in de procedure hangende het bezwaar tegen de weigering van de spoedaanvraag heeft De Ozonlaag de mogelijkheid om voorlopige voorzieningen te vragen aan de bestuursrechter. In die voorlopige voorzieningen-procedure kan De Ozonlaag dezelfde verzoeken indienen als zij in dit kort geding heeft gedaan. Ook bij de bestuursrechter kan, in spoedeisende gevallen, op zeer korte termijn een voorlopige voorziening worden gevraagd. De Ozonlaag voert aan dat die procedure(s), anders dan een civiel kort geding, hooguit kan/kunnen leiden tot (hernieuwde) besluitvorming door het college en niet tot het feitelijk beschikbaar krijgen van een schoolgebouw, maar dat is niet juist. Binnen het bestuursrecht is een daartoe strekkende voorlopige voorziening niet uitgesloten. De Ozonlaag kan dus bij de bestuursrechter hetzelfde resultaat bereiken als het resultaat dat zij met deze procedure beoogt te bereiken. Daarmee staat vast dat voor De Ozonlaag een met voldoende waarborgen omklede en snelle rechtsgang bij de bestuursrechter open staat waarin een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan worden bereikt.
4.5.
De conclusie is dus dat De Ozonlaag niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vorderingen.
4.6.
De Ozonlaag is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- griffierecht € 3.083,-
- salaris advocaat € 1.177,-
- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 4.449,-
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart De Ozonlaag niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
5.2.
veroordeelt De Ozonlaag in de proceskosten van € 4.449,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als De Ozonlaag niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet De Ozonlaag € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.
mve