Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23117
2026-08-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.2762
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel Somalië. Problemen met Al Shabaab niet geloofwaardig. Onvoldoende risico bij terugkeer. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2014:188 Raad van State 29-01-2014
- ECLI:NL:RVS:2924:2276
- ECLI:NL:RVS:2024:2791 Raad van State 10-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.131 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2762
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [V-nummer] ), eiser
(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Wel krijgt eiser schadevergoeding omdat de redelijke termijn is overschreden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 3 januari 2019 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1984. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 januari 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Warsame als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging hieraan vooraf?
3. Verweerder heeft bij voornemen van 3 november 2020 te kennen gegeven de asielaanvraag van eiser van 3 januari 2019 kennelijk ongegrond te gaan verklaren. De verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit werden ongeloofwaardig geacht. Verweerder is daarbij uitgegaan van de gegevens zoals die volgen uit het door Frankrijk afgegeven visum (EU-VIS-registratie). Bij beschikking van 14 juli 2021 heeft verweerder conform het voornemen besloten, een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd en beslist dat geen sprake is van familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
4. Bij uitspraak van 30 november 2021 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het beroep tegen deze beschikking gegrond verklaard en opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen.
5. Op 26 september 2022 heeft verweerder opnieuw een voornemen uitgebracht. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser vormden het enige relevante element. De verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit werden ongeloofwaardig geacht, maar de herkomst werd wel geloofwaardig geacht.
6. Eiser heeft een zienswijze ingediend op 21 oktober 2022 en hij is op 26 juni 2023 aanvullend gehoord.
7. Op 17 oktober 2023 heeft verweerder een nieuw voornemen uitgebracht en heeft het vorige voornemen van 26 september 2022 ingetrokken. Verweerder heeft daarbij te kennen gegeven eisers asielaanvraag te gaan afwijzen als ongegrond. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst zijn nu wel geloofwaardig geacht. De gestelde problemen met Al-Shabaab zijn niet geloofwaardig geacht. Bij beschikking van 2 januari 2024 heeft verweerder conform het voornemen beslist. Dit besluit ligt nu ter beoordeling voor.
Het asielrelaas
8. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is Somalië ontvlucht en is naar Kenia gegaan. Hij is met behulp van een reisagent in het bezit gekomen van een vals Tanzaniaans paspoort waarmee hij een visum voor Frankrijk heeft verkregen en naar Nederland is gevlucht. Eiser heeft verklaard dat hij dit paspoort in Nederland weer bij de reisagent heeft moeten inleveren.
9. Eiser vreest bij terugkeer naar Somalië voor zijn leven. Eiser heeft verklaard dat hij op 10 augustus 2017 aan het werk was in Marka als kleermaker toen hij een telefoontje kreeg van iemand die zei dat hij behoorde tot de Mujahideen. Al-Shabaab zou erachter gekomen zijn dat eiser een kledingreparatie had verricht voor iemand uit het leger. Aan de telefoon werd gedreigd dat hij gedood zou worden als hij niet zou doen wat zij van hem verwachtten.
Het bestreden besluit
10. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met Al-Shabaab.
11. Verweerder gelooft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, maar vindt niet dat eiser hierdoor aan te merken is als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer risico loopt op ernstige schade. Om terug te keren naar Marka hoeft eiser niet door Al-Shabaab gebied te reizen.
12. Verweerder gelooft de gestelde problemen met Al-Shabaab niet, omdat eiser tegenstrijdig verklaart over de dreiging vanuit Al-Shabaab. Verder maakt eiser niet inzichtelijk waarom hij in de negatieve aandacht van Al-Shabaab staat. Eisers verklaringen worden niet ondersteund door informatie over het handelen van Al-Shabaab. Er is geen reden om aan te nemen dat eiser op een opsporingslijst van Al-Shabaab staat. De reden dat Al-Shabaab eiser zoekt is vaag en rijmt niet met de algemeen beschikbare informatie. Verder verklaart eiser wisselend over de jongens die buiten zijn werkplek liepen. Bovendien valt niet in te zien hoe het mogelijk is dat eisers collega’s niets hebben gemerkt van het telefoontje van Al-Shabaab.
13. Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Verder wordt er geen reguliere verblijfsvergunning verleend, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden hiervoor. Eiser krijgt voorlopig uitstel van vertrek in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling van toepassing van artikel 64 van de Vw, met ingang van 2 januari tot 2 juli 2024.
Heeft verweerder de problemen met Al-Shabaab (het tweede relevante element) ongeloofwaardig mogen achten?
14. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte zijn problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig heeft geacht. Volgens eiser kreeg hij tijdens het dreigende telefoontje de keuze tussen of gaan werken voor Al-Shabaab of de doodstraf krijgen. Volgens eiser past hetgeen hij heeft meegemaakt precies in hetgeen bekend is over de algemene situatie in Somalië, namelijk dat er sprake was van gedwongen rekrutering. Eiser blijft bij zijn standpunt dat hij in de negatieve aandacht van Al-Shabaab staat omdat hij als zelfstandig kleermaker beschouwd kan worden als een zakenman en daarom had verweerder hem als behorende tot een risicogroep moeten aanmerken. Subsidiair stelt eiser dat hij tot een risicogroep behoort omdat hij als zelfstandig ondernemer een dienst heeft verricht aan de Somalische regering, namelijk het herstellen van de broek van een regeringssoldaat.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig heeft beschouwd. Verweerder heeft dit ook voldoende uitgelegd in het bestreden besluit. Het is aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser daar niet in is geslaagd. Eiser heeft met zijn eigen verklaringen de gestelde bedreigingen door Al-Shabaab niet aannemelijk gemaakt en eiser heeft hiertoe geen stukken ter onderbouwing overlegd.
16. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig verklaart over de dreiging vanuit Al-Shabaab. Aan de ene kant verklaart eiser dat Al-Shabaab hem heeft gebeld met de mededeling dat hij de keuze had om voor hen te werken of gedood worden (nader gehoor, pag. 7 en 8) en aan de andere kant verklaart eiser dat hij op een lijst staat van mensen die Al-Shabaab wil doden en is veroordeeld tot de doodstraf (nader gehoor, pag. 9). Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat uit eisers verklaring niet volgt dat er sprake was van gedwongen rekrutering en eiser de keuze kreeg tussen of te gaan werken voor Al-Shabaab of de doodstraf te krijgen. Verder heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij wisselend verklaart over de jongens die buiten zijn werkplek liepen. In eerste instantie verklaart eiser dat er in het telefoongesprek tegen hem werd gezegd dat er twee jongens op hem afgestuurd waren om hem te doden. Eiser verklaart dat hij toen om zich heen keek en buiten twee jongens zag staan (nader gehoor, pag. 5). Later verklaart eiser dat hij dacht dat de twee jongens op zoek waren naar iets, naar iemand, of naar een zaak. Toen de persoon aan de telefoon eiser vroeg of hij de twee jongens zag en zei dat zij waren gekomen om hem te doden, wist eiser dat de jongens voor hem kwamen (nader gehoor, pag. 12). Dit zijn wisselende verklaringen, omdat eiser aan de ene kant verklaart dat hij de jongens al had gezien en aan de andere kant verklaart dat hij de jongens pas zag nadat hem verteld was dat deze personen er waren. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser, door wisselend te verklaren, de situatie niet inzichtelijk heeft gemaakt. Volgens eiser had hij de jongens al gezien, maar wist toen nog niet dat ze voor hem kwamen of dat ze in opdracht van Al-Shabaab daar waren. Dit werd pas duidelijk met het telefoontje. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat dit niet volgt uit eisers verklaring.
Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat niet valt in te zien hoe het mogelijk is dat eisers collega’s niets merkten van het telefoontje van Al-Shabaab. Dat eisers collega’s niets hebben gemerkt omdat zij druk bezig waren en omdat eiser hen niets vertelde, heeft verweerder onwaarschijnlijk mogen vinden. Eiser verklaart namelijk dat hij stond te trillen op zijn benen en dat hij zijn plas niet heeft kunnen ophouden. Ook verklaart hij heel veel te hebben gesmeekt aan de telefoon (nader gehoor, pag. 13). Dat het volgens eiser niet verstandig is om andere personen zoals collega-kleermakers in vertrouwen te nemen en dat hij zijn collega-kleermakers nog niet zo heel lang kende, maakt niet dat zijn collega’s niets kunnen hebben gemerkt, zeker niet gelet op eisers reactie tijdens het telefoontje.
17. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat eiser niet inzichtelijk maakt waarom hij in de negatieve aandacht van Al-Shabaab stond. Dat Al-Shabaab het op eiser had voorzien vanwege het repareren van een broek voor een regeringssoldaat, heeft verweerder niet ten onrechte niet gevolgd. Er is geen reden om aan te nemen dat eiser op een opsporingslijst van Al-Shabaab stond. Eisers stelling dat hij als kleermaker volgens het Algemeen Ambtsbericht Somalië van november 2017 een extra risico liep omdat hij als zakenman zaken had gedaan met de Somalische overheid, heeft verweerder terecht niet gevolgd. Eiser verklaart dat het werk dat hij heeft verricht voor de regeringssoldaat slechts een simpel klusje betrof dat twee tot drie minuten duurde. Dit heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om aan te nemen dat eiser een risico liep als beschreven in de door eiser bedoelde passage in het Algemeen Ambtsbericht Somalië van november 2017. Ook eisers verklaring dat zijn vrouw eveneens door Al-Shabaab is bedreigd, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden. Eiser legt immers niet uit door wie, waarom of wanneer zijn vrouw is bedreigd. Bovendien verklaart eiser dat zijn vrouw in Mogadishu geen problemen meer heeft gehad (aanvullend nader gehoor, pag. 10). Dat eiser geen nadere details bij zijn echtgenote kan opvragen omdat zijn huwelijk onder druk zou staan, is geen verschoonbare reden voor de onvoldoende verklaring.
18. In de omstandigheid dat de gebeurtenissen waarover eiser heeft verklaard met betrekking tot Al-Shabaab kunnen passen in wat bekend is over Al-Shabaab in Somalië, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eisers verklaringen toch geloofwaardig te achten. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft gesteld dat hetgeen eiser heeft verklaard onvoldoende is om aannemelijk te achten dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht stond van Al-Shabaab.
Had verweerder eiser moeten beschouwen als behorende tot een risicogroep?
19. Eiser voert aan dat hij als zelfstandig kleermaker beschouwd kan worden als een zakenman en daarom behoort hij tot een risicogroep. Subsidiair stelt eiser dat hij tot een risicogroep behoort omdat hij als zelfstandig ondernemer een dienst heeft verricht aan de Somalische regering en daardoor door Al-Shabaab wordt geassocieerd met de overheid.
20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet behoort tot een van de risicogroepen in de zin van par. C7/30.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) zoals deze luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, noch tot een van de risicoprofielen in de zin van par. C9/30.3.2 van de Vc, zoals deze thans luidt. Verweerder gelooft dat eiser werkzaam is geweest als kleermaker, waarbij hij een incidentele en eenvoudige reparatie heeft verricht, namelijk het herstellen van de broek van een regeringssoldaat. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij daardoor door Al-Shabaab wordt geassocieerd met de overheid. Daar komt bij dat, zelfs al zou eiser onder een risicoprofiel vallen, hij niet met zijn eigen individuele omstandigheden in combinatie met de landeninformatie aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade. Zoals hiervoor overwogen, is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in de negatieve belangstelling stond van Al-Shabaab; hetzelfde geldt voor de situatie bij terugkeer.
Heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen risico loopt op ernstige schade bij terugkeer?
21. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor ernstige schade. Het gebied waar Marka ligt (en waarnaar eiser dient terug te keren), staat weliswaar onder controle van de overheid maar het is de vraag hoe hij daar moet komen. De informatie in het Algemeen Ambtsbericht Somalië uit 2023 is gedateerd en verweerder heeft in het besluit geen actuele informatie gegeven over de vraag of de bootverbinding tussen Mogadishu en Marka nog steeds bestaat.
22. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het gegeven dat eiser uit Somalië komt, op zichzelf niet voldoende is om een risico op ernstige schade aan te nemen. Eiser komt uit Marka en volgens het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 is Marka een stad die onder overheidscontrole staat. Het EUAA-rapport van mei 2026 onderschrijft dit. Uit de landeninformatie volgt niet dat Al-Shabaab de macht heeft in Marka. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een stad die door de overheid wordt gecontroleerd, zodanig te vrezen heeft voor Al-Shabaab dat hij risico loopt op ernstige schade. Bovendien hoeft eiser om in Marka te komen niet door Al-Shabaab gebied te reizen. Per vliegtuig kan hij Mogadishu bereiken om vervolgens per boot naar Marka te reizen. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat in het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 (paragraaf 2.3.6.) staat dat in de huidige verslagperiode verschillende bronnen het bestaan van een soort publieke lijnverbinding tussen Mogadishu en Marka niet konden bevestigen. Verder staat er dat volgens twee vertrouwelijke bronnen er wel onregelmatig (vissers)boten voeren tussen Mogadishu en Marka en dat men op individuele basis moest onderhandelen om mee te kunnen reizen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat uit deze informatie blijkt dat eiser per boot naar Marka kan reizen. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de motiveringsplicht van verweerder niet zover strekt dat verweerder moet motiveren wat het alternatief is voor eiser als het hem in de praktijk op individuele basis niet lukt om te regelen dat hij per boot naar Marka kan reizen.
Had verweerder aan eiser een reguliere verblijfsvergunning moeten verlenen?
23. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat verweerder hem ambtshalve een reguliere vergunning had moeten verlenen, gelet op het lange tijdsverloop en omdat hij in Nederland privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM heeft opgebouwd. Eiser heeft de Nederlandse taal geleerd en is alvast gaan inburgeren. Eiser heeft in Nederland zijn zus en broer wonen en heeft daar veel contact mee. Ook heeft hij in Nederland vrienden en bekenden wonen. In Nederland wordt hij medisch behandeld.
24. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Uit artikel 42, derde lid, van de Vw volgt dat indien de aanvraag wordt afgewezen, in de beschikking wordt ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling. In de beschikking wordt tevens ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, te verlenen, dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten indien hem van dat voornemen mededeling is gedaan.
25. Artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vormt een vangnetbepaling die verweerder de mogelijkheid biedt om een reguliere verblijfsvergunning te verlenen indien er sprake is van schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. In het Informatiebericht 2019/81 ‘Ambtshalve toets schrijnende situatie’ is neergelegd op welke wijze schrijnende omstandigheden moeten worden beoordeeld in het kader van verblijfsaanvragen.
26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een (ambtshalve) vergunningverlening op reguliere gronden. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het gegeven dat eiser al lange tijd in Nederland verblijft, privéleven heeft opgebouwd en medisch wordt behandeld, ook in onderlinge samenhang bezien, geen omstandigheden zijn die aanleiding geven tot verlening van een reguliere verblijfsvergunning. Eiser heeft deze omstandigheden ook verder niet onderbouwd en nader geconcretiseerd. Ten aanzien van eisers medische omstandigheden stelt de rechtbank vast dat eiser op grond van artikel 64 van de Vw meerdere keren uitstel van vertrek heeft gekregen (laatstelijk tot augustus 2026) en dat de procedure omtrent artikel 64 van de Vw los staat van het bestreden besluit in de voorliggende zaak.
Schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn
27. De rechtbank overweegt dat uit artikel 6 van het EVRM volgt dat geschillen binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht. Volgens vaste rechtspraak geldt het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen. In asielzaken vangt de redelijke termijn aan bij het indienen van het beroepschrift.
28. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn van twee jaar in de beroepsfase met meer dan drie jaar is overschreden. Eiser heeft namelijk op 15 juli 2021 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 juli 2021. Dit besluit is vernietigd bij uitspraak van 30 november 2021. Op 2 januari 2024 heeft verweerder opnieuw op eisers asielaanvraag beslist. Tot aan de uitspraak van vandaag heeft de beroepsfase dus naar boven afgerond 5,5 jaar geduurd.
29. In zaken zoals deze, waarin een besluit na eerdere vernietiging opnieuw aan de rechtbank wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. Dit is slechts anders als de rechtbank in één van de rechterlijke procedures zelf de redelijke behandelingsduur van twee jaar heeft overschreden. Omdat in dit geval die redelijke behandelingsduur is overschreden, is de overschrijding aan zowel verweerder als de rechtbank toe te rekenen. Verweerder heeft de redelijke termijn van een half jaar voor de bestuurlijke fase met ongeveer twee jaar overschreden, en de rechtbank heeft de redelijke termijn van anderhalf jaar voor de rechterlijke fase met ongeveer een jaar overschreden.
30. Niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur rechtvaardigen. Dat het besluit van verweerder eerder is vernietigd door de rechtbank kan niet als zodanig worden aangemerkt. Eiser heeft daarom recht op een immateriële schadevergoeding. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (in totaal 3,5 jaar), bedraagt de schadevergoeding aan eiser daarom in totaal € 3.500,00.
31. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 3.500,00 aan eiser, waarvan (gelet op de verhouding in aandeel tussen verweerder en de rechtbank) € 2.300,00 te voldoen door de minister van Asiel en Migratie en € 1.200,00 door de minister van Justitie en Veiligheid.
Conclusie en gevolgen
32. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Wel krijgt eiser schadevergoeding omdat de redelijke termijn is overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan eiser van een immateriële schadevergoeding van € 3.500,00 (€ 2.300,00 te voldoen door de minister van Asiel en Migratie en € 1.200,00 door de minister van Justitie en Veiligheid).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A.E. van de Venne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zaaknummer NL21.11437.
Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2924:2276 onder 2 en 3.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2791, onder 5.1
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2762
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [V-nummer] ), eiser
(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Wel krijgt eiser schadevergoeding omdat de redelijke termijn is overschreden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 3 januari 2019 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1984. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 januari 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Warsame als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging hieraan vooraf?
3. Verweerder heeft bij voornemen van 3 november 2020 te kennen gegeven de asielaanvraag van eiser van 3 januari 2019 kennelijk ongegrond te gaan verklaren. De verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit werden ongeloofwaardig geacht. Verweerder is daarbij uitgegaan van de gegevens zoals die volgen uit het door Frankrijk afgegeven visum (EU-VIS-registratie). Bij beschikking van 14 juli 2021 heeft verweerder conform het voornemen besloten, een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd en beslist dat geen sprake is van familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
4. Bij uitspraak van 30 november 2021 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het beroep tegen deze beschikking gegrond verklaard en opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen.
5. Op 26 september 2022 heeft verweerder opnieuw een voornemen uitgebracht. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser vormden het enige relevante element. De verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit werden ongeloofwaardig geacht, maar de herkomst werd wel geloofwaardig geacht.
6. Eiser heeft een zienswijze ingediend op 21 oktober 2022 en hij is op 26 juni 2023 aanvullend gehoord.
7. Op 17 oktober 2023 heeft verweerder een nieuw voornemen uitgebracht en heeft het vorige voornemen van 26 september 2022 ingetrokken. Verweerder heeft daarbij te kennen gegeven eisers asielaanvraag te gaan afwijzen als ongegrond. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst zijn nu wel geloofwaardig geacht. De gestelde problemen met Al-Shabaab zijn niet geloofwaardig geacht. Bij beschikking van 2 januari 2024 heeft verweerder conform het voornemen beslist. Dit besluit ligt nu ter beoordeling voor.
Het asielrelaas
8. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is Somalië ontvlucht en is naar Kenia gegaan. Hij is met behulp van een reisagent in het bezit gekomen van een vals Tanzaniaans paspoort waarmee hij een visum voor Frankrijk heeft verkregen en naar Nederland is gevlucht. Eiser heeft verklaard dat hij dit paspoort in Nederland weer bij de reisagent heeft moeten inleveren.
9. Eiser vreest bij terugkeer naar Somalië voor zijn leven. Eiser heeft verklaard dat hij op 10 augustus 2017 aan het werk was in Marka als kleermaker toen hij een telefoontje kreeg van iemand die zei dat hij behoorde tot de Mujahideen. Al-Shabaab zou erachter gekomen zijn dat eiser een kledingreparatie had verricht voor iemand uit het leger. Aan de telefoon werd gedreigd dat hij gedood zou worden als hij niet zou doen wat zij van hem verwachtten.
Het bestreden besluit
10. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met Al-Shabaab.
11. Verweerder gelooft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, maar vindt niet dat eiser hierdoor aan te merken is als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer risico loopt op ernstige schade. Om terug te keren naar Marka hoeft eiser niet door Al-Shabaab gebied te reizen.
12. Verweerder gelooft de gestelde problemen met Al-Shabaab niet, omdat eiser tegenstrijdig verklaart over de dreiging vanuit Al-Shabaab. Verder maakt eiser niet inzichtelijk waarom hij in de negatieve aandacht van Al-Shabaab staat. Eisers verklaringen worden niet ondersteund door informatie over het handelen van Al-Shabaab. Er is geen reden om aan te nemen dat eiser op een opsporingslijst van Al-Shabaab staat. De reden dat Al-Shabaab eiser zoekt is vaag en rijmt niet met de algemeen beschikbare informatie. Verder verklaart eiser wisselend over de jongens die buiten zijn werkplek liepen. Bovendien valt niet in te zien hoe het mogelijk is dat eisers collega’s niets hebben gemerkt van het telefoontje van Al-Shabaab.
13. Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Verder wordt er geen reguliere verblijfsvergunning verleend, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden hiervoor. Eiser krijgt voorlopig uitstel van vertrek in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling van toepassing van artikel 64 van de Vw, met ingang van 2 januari tot 2 juli 2024.
Heeft verweerder de problemen met Al-Shabaab (het tweede relevante element) ongeloofwaardig mogen achten?
14. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte zijn problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig heeft geacht. Volgens eiser kreeg hij tijdens het dreigende telefoontje de keuze tussen of gaan werken voor Al-Shabaab of de doodstraf krijgen. Volgens eiser past hetgeen hij heeft meegemaakt precies in hetgeen bekend is over de algemene situatie in Somalië, namelijk dat er sprake was van gedwongen rekrutering. Eiser blijft bij zijn standpunt dat hij in de negatieve aandacht van Al-Shabaab staat omdat hij als zelfstandig kleermaker beschouwd kan worden als een zakenman en daarom had verweerder hem als behorende tot een risicogroep moeten aanmerken. Subsidiair stelt eiser dat hij tot een risicogroep behoort omdat hij als zelfstandig ondernemer een dienst heeft verricht aan de Somalische regering, namelijk het herstellen van de broek van een regeringssoldaat.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig heeft beschouwd. Verweerder heeft dit ook voldoende uitgelegd in het bestreden besluit. Het is aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser daar niet in is geslaagd. Eiser heeft met zijn eigen verklaringen de gestelde bedreigingen door Al-Shabaab niet aannemelijk gemaakt en eiser heeft hiertoe geen stukken ter onderbouwing overlegd.
16. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig verklaart over de dreiging vanuit Al-Shabaab. Aan de ene kant verklaart eiser dat Al-Shabaab hem heeft gebeld met de mededeling dat hij de keuze had om voor hen te werken of gedood worden (nader gehoor, pag. 7 en 8) en aan de andere kant verklaart eiser dat hij op een lijst staat van mensen die Al-Shabaab wil doden en is veroordeeld tot de doodstraf (nader gehoor, pag. 9). Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat uit eisers verklaring niet volgt dat er sprake was van gedwongen rekrutering en eiser de keuze kreeg tussen of te gaan werken voor Al-Shabaab of de doodstraf te krijgen. Verder heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij wisselend verklaart over de jongens die buiten zijn werkplek liepen. In eerste instantie verklaart eiser dat er in het telefoongesprek tegen hem werd gezegd dat er twee jongens op hem afgestuurd waren om hem te doden. Eiser verklaart dat hij toen om zich heen keek en buiten twee jongens zag staan (nader gehoor, pag. 5). Later verklaart eiser dat hij dacht dat de twee jongens op zoek waren naar iets, naar iemand, of naar een zaak. Toen de persoon aan de telefoon eiser vroeg of hij de twee jongens zag en zei dat zij waren gekomen om hem te doden, wist eiser dat de jongens voor hem kwamen (nader gehoor, pag. 12). Dit zijn wisselende verklaringen, omdat eiser aan de ene kant verklaart dat hij de jongens al had gezien en aan de andere kant verklaart dat hij de jongens pas zag nadat hem verteld was dat deze personen er waren. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser, door wisselend te verklaren, de situatie niet inzichtelijk heeft gemaakt. Volgens eiser had hij de jongens al gezien, maar wist toen nog niet dat ze voor hem kwamen of dat ze in opdracht van Al-Shabaab daar waren. Dit werd pas duidelijk met het telefoontje. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat dit niet volgt uit eisers verklaring.
Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat niet valt in te zien hoe het mogelijk is dat eisers collega’s niets merkten van het telefoontje van Al-Shabaab. Dat eisers collega’s niets hebben gemerkt omdat zij druk bezig waren en omdat eiser hen niets vertelde, heeft verweerder onwaarschijnlijk mogen vinden. Eiser verklaart namelijk dat hij stond te trillen op zijn benen en dat hij zijn plas niet heeft kunnen ophouden. Ook verklaart hij heel veel te hebben gesmeekt aan de telefoon (nader gehoor, pag. 13). Dat het volgens eiser niet verstandig is om andere personen zoals collega-kleermakers in vertrouwen te nemen en dat hij zijn collega-kleermakers nog niet zo heel lang kende, maakt niet dat zijn collega’s niets kunnen hebben gemerkt, zeker niet gelet op eisers reactie tijdens het telefoontje.
17. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat eiser niet inzichtelijk maakt waarom hij in de negatieve aandacht van Al-Shabaab stond. Dat Al-Shabaab het op eiser had voorzien vanwege het repareren van een broek voor een regeringssoldaat, heeft verweerder niet ten onrechte niet gevolgd. Er is geen reden om aan te nemen dat eiser op een opsporingslijst van Al-Shabaab stond. Eisers stelling dat hij als kleermaker volgens het Algemeen Ambtsbericht Somalië van november 2017 een extra risico liep omdat hij als zakenman zaken had gedaan met de Somalische overheid, heeft verweerder terecht niet gevolgd. Eiser verklaart dat het werk dat hij heeft verricht voor de regeringssoldaat slechts een simpel klusje betrof dat twee tot drie minuten duurde. Dit heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om aan te nemen dat eiser een risico liep als beschreven in de door eiser bedoelde passage in het Algemeen Ambtsbericht Somalië van november 2017. Ook eisers verklaring dat zijn vrouw eveneens door Al-Shabaab is bedreigd, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden. Eiser legt immers niet uit door wie, waarom of wanneer zijn vrouw is bedreigd. Bovendien verklaart eiser dat zijn vrouw in Mogadishu geen problemen meer heeft gehad (aanvullend nader gehoor, pag. 10). Dat eiser geen nadere details bij zijn echtgenote kan opvragen omdat zijn huwelijk onder druk zou staan, is geen verschoonbare reden voor de onvoldoende verklaring.
18. In de omstandigheid dat de gebeurtenissen waarover eiser heeft verklaard met betrekking tot Al-Shabaab kunnen passen in wat bekend is over Al-Shabaab in Somalië, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eisers verklaringen toch geloofwaardig te achten. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft gesteld dat hetgeen eiser heeft verklaard onvoldoende is om aannemelijk te achten dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht stond van Al-Shabaab.
Had verweerder eiser moeten beschouwen als behorende tot een risicogroep?
19. Eiser voert aan dat hij als zelfstandig kleermaker beschouwd kan worden als een zakenman en daarom behoort hij tot een risicogroep. Subsidiair stelt eiser dat hij tot een risicogroep behoort omdat hij als zelfstandig ondernemer een dienst heeft verricht aan de Somalische regering en daardoor door Al-Shabaab wordt geassocieerd met de overheid.
20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet behoort tot een van de risicogroepen in de zin van par. C7/30.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) zoals deze luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, noch tot een van de risicoprofielen in de zin van par. C9/30.3.2 van de Vc, zoals deze thans luidt. Verweerder gelooft dat eiser werkzaam is geweest als kleermaker, waarbij hij een incidentele en eenvoudige reparatie heeft verricht, namelijk het herstellen van de broek van een regeringssoldaat. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij daardoor door Al-Shabaab wordt geassocieerd met de overheid. Daar komt bij dat, zelfs al zou eiser onder een risicoprofiel vallen, hij niet met zijn eigen individuele omstandigheden in combinatie met de landeninformatie aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade. Zoals hiervoor overwogen, is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in de negatieve belangstelling stond van Al-Shabaab; hetzelfde geldt voor de situatie bij terugkeer.
Heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen risico loopt op ernstige schade bij terugkeer?
21. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor ernstige schade. Het gebied waar Marka ligt (en waarnaar eiser dient terug te keren), staat weliswaar onder controle van de overheid maar het is de vraag hoe hij daar moet komen. De informatie in het Algemeen Ambtsbericht Somalië uit 2023 is gedateerd en verweerder heeft in het besluit geen actuele informatie gegeven over de vraag of de bootverbinding tussen Mogadishu en Marka nog steeds bestaat.
22. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het gegeven dat eiser uit Somalië komt, op zichzelf niet voldoende is om een risico op ernstige schade aan te nemen. Eiser komt uit Marka en volgens het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 is Marka een stad die onder overheidscontrole staat. Het EUAA-rapport van mei 2026 onderschrijft dit. Uit de landeninformatie volgt niet dat Al-Shabaab de macht heeft in Marka. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in een stad die door de overheid wordt gecontroleerd, zodanig te vrezen heeft voor Al-Shabaab dat hij risico loopt op ernstige schade. Bovendien hoeft eiser om in Marka te komen niet door Al-Shabaab gebied te reizen. Per vliegtuig kan hij Mogadishu bereiken om vervolgens per boot naar Marka te reizen. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat in het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 (paragraaf 2.3.6.) staat dat in de huidige verslagperiode verschillende bronnen het bestaan van een soort publieke lijnverbinding tussen Mogadishu en Marka niet konden bevestigen. Verder staat er dat volgens twee vertrouwelijke bronnen er wel onregelmatig (vissers)boten voeren tussen Mogadishu en Marka en dat men op individuele basis moest onderhandelen om mee te kunnen reizen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat uit deze informatie blijkt dat eiser per boot naar Marka kan reizen. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de motiveringsplicht van verweerder niet zover strekt dat verweerder moet motiveren wat het alternatief is voor eiser als het hem in de praktijk op individuele basis niet lukt om te regelen dat hij per boot naar Marka kan reizen.
Had verweerder aan eiser een reguliere verblijfsvergunning moeten verlenen?
23. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat verweerder hem ambtshalve een reguliere vergunning had moeten verlenen, gelet op het lange tijdsverloop en omdat hij in Nederland privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM heeft opgebouwd. Eiser heeft de Nederlandse taal geleerd en is alvast gaan inburgeren. Eiser heeft in Nederland zijn zus en broer wonen en heeft daar veel contact mee. Ook heeft hij in Nederland vrienden en bekenden wonen. In Nederland wordt hij medisch behandeld.
24. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Uit artikel 42, derde lid, van de Vw volgt dat indien de aanvraag wordt afgewezen, in de beschikking wordt ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling. In de beschikking wordt tevens ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, te verlenen, dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten indien hem van dat voornemen mededeling is gedaan.
25. Artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vormt een vangnetbepaling die verweerder de mogelijkheid biedt om een reguliere verblijfsvergunning te verlenen indien er sprake is van schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. In het Informatiebericht 2019/81 ‘Ambtshalve toets schrijnende situatie’ is neergelegd op welke wijze schrijnende omstandigheden moeten worden beoordeeld in het kader van verblijfsaanvragen.
26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een (ambtshalve) vergunningverlening op reguliere gronden. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het gegeven dat eiser al lange tijd in Nederland verblijft, privéleven heeft opgebouwd en medisch wordt behandeld, ook in onderlinge samenhang bezien, geen omstandigheden zijn die aanleiding geven tot verlening van een reguliere verblijfsvergunning. Eiser heeft deze omstandigheden ook verder niet onderbouwd en nader geconcretiseerd. Ten aanzien van eisers medische omstandigheden stelt de rechtbank vast dat eiser op grond van artikel 64 van de Vw meerdere keren uitstel van vertrek heeft gekregen (laatstelijk tot augustus 2026) en dat de procedure omtrent artikel 64 van de Vw los staat van het bestreden besluit in de voorliggende zaak.
Schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn
27. De rechtbank overweegt dat uit artikel 6 van het EVRM volgt dat geschillen binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht. Volgens vaste rechtspraak geldt het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen. In asielzaken vangt de redelijke termijn aan bij het indienen van het beroepschrift.
28. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn van twee jaar in de beroepsfase met meer dan drie jaar is overschreden. Eiser heeft namelijk op 15 juli 2021 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 juli 2021. Dit besluit is vernietigd bij uitspraak van 30 november 2021. Op 2 januari 2024 heeft verweerder opnieuw op eisers asielaanvraag beslist. Tot aan de uitspraak van vandaag heeft de beroepsfase dus naar boven afgerond 5,5 jaar geduurd.
29. In zaken zoals deze, waarin een besluit na eerdere vernietiging opnieuw aan de rechtbank wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. Dit is slechts anders als de rechtbank in één van de rechterlijke procedures zelf de redelijke behandelingsduur van twee jaar heeft overschreden. Omdat in dit geval die redelijke behandelingsduur is overschreden, is de overschrijding aan zowel verweerder als de rechtbank toe te rekenen. Verweerder heeft de redelijke termijn van een half jaar voor de bestuurlijke fase met ongeveer twee jaar overschreden, en de rechtbank heeft de redelijke termijn van anderhalf jaar voor de rechterlijke fase met ongeveer een jaar overschreden.
30. Niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur rechtvaardigen. Dat het besluit van verweerder eerder is vernietigd door de rechtbank kan niet als zodanig worden aangemerkt. Eiser heeft daarom recht op een immateriële schadevergoeding. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (in totaal 3,5 jaar), bedraagt de schadevergoeding aan eiser daarom in totaal € 3.500,00.
31. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 3.500,00 aan eiser, waarvan (gelet op de verhouding in aandeel tussen verweerder en de rechtbank) € 2.300,00 te voldoen door de minister van Asiel en Migratie en € 1.200,00 door de minister van Justitie en Veiligheid.
Conclusie en gevolgen
32. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Wel krijgt eiser schadevergoeding omdat de redelijke termijn is overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan eiser van een immateriële schadevergoeding van € 3.500,00 (€ 2.300,00 te voldoen door de minister van Asiel en Migratie en € 1.200,00 door de minister van Justitie en Veiligheid).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A.E. van de Venne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Zaaknummer NL21.11437.
Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2924:2276 onder 2 en 3.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2791, onder 5.1