Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23112
2026-08-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.20700
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep gegrond. Mvv mocht niet worden geweigerd op grond van inburgeringsvereiste, want strijd met discriminatieverbod. Overwegingen MK-uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 april 2024 overgenomen
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5396 Rechtbank Den Haag 16-04-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.660 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.20700
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 17 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv in de procedure Toegang en Verblijf, voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’.
2.1.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 30 mei 2024 afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 25 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1971 en heeft de Egyptische nationaliteit. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij referent. Referent is de echtgenoot van eiseres. Hij verblijft in Nederland als economisch niet actieve langdurig ingezeten derdelander.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiseres in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, afgewezen, omdat eiseres niet heeft voldaan aan het inburgeringsvereiste en omdat eiseres niet in aanmerking voor een ontheffing daarvan op grond van bijzondere individuele omstandigheden. Niet is gebleken dat eiseres zich gedurende een redelijke termijn en op een passende manier heeft voorbereid op verschillende onderdelen van het examen. Er is ook niet gebleken van medische omstandigheden die het onmogelijk of heel erg moeilijk maken om te slagen voor (onderdelen van) het examen. De minister ziet ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van de beleidsregels. Het onderscheid dat tussen landen is gemaakt voor de inburgeringsplicht, is niet discriminerend en het onderscheid is dan ook gerechtvaardigd. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt in eiseres haar nadeel uit.
Is het inburgeringsvereiste in strijd met het discriminatieverbod?
5. Eiseres voert aan dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod zoals dat is neergelegd in artikel 14 van het EVRM.
5.1.
In de uitspraak van 16 april 2024 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het verbod op discriminatie. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof. Het Hof moet zich nog uitspreken over deze prejudiciële vragen. Omdat dit doorgaans enige tijd in beslag neemt en de Afdeling nog geen einduitspraak heeft gedaan, zal de rechtbank in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak oordelen. De rechtbank neemt de rechtsoverwegingen van die uitspraak over.
5.2.
Dit brengt mee dat de minister de door eiseres aangevraagde mvv niet heeft mogen weigeren op grond van het inburgeringsvereiste, aangezien de wijze waarop dit vereiste op dit moment is ingekleed volgens de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak niet in overeenstemming is met onder andere de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. De beroepsgrond slaagt dan ook.
5.3.
Nu het beroep reeds hierom slaagt, zal de rechtbank de overige gronden niet meer bespreken.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
6.1.
Nu het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en zij krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.
Zoals dat is neergelegd in artikel 2, eerste lid, onder a, van het IVUR, artikel 14 van het EVRM, artikel 1, eerste lid van het 12e Protocol bij het EVRM en artikel 21, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Richtlijn 2003/86.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.20700
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 17 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv in de procedure Toegang en Verblijf, voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’.
2.1.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 30 mei 2024 afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 25 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1971 en heeft de Egyptische nationaliteit. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij referent. Referent is de echtgenoot van eiseres. Hij verblijft in Nederland als economisch niet actieve langdurig ingezeten derdelander.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiseres in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, afgewezen, omdat eiseres niet heeft voldaan aan het inburgeringsvereiste en omdat eiseres niet in aanmerking voor een ontheffing daarvan op grond van bijzondere individuele omstandigheden. Niet is gebleken dat eiseres zich gedurende een redelijke termijn en op een passende manier heeft voorbereid op verschillende onderdelen van het examen. Er is ook niet gebleken van medische omstandigheden die het onmogelijk of heel erg moeilijk maken om te slagen voor (onderdelen van) het examen. De minister ziet ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van de beleidsregels. Het onderscheid dat tussen landen is gemaakt voor de inburgeringsplicht, is niet discriminerend en het onderscheid is dan ook gerechtvaardigd. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt in eiseres haar nadeel uit.
Is het inburgeringsvereiste in strijd met het discriminatieverbod?
5. Eiseres voert aan dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod zoals dat is neergelegd in artikel 14 van het EVRM.
5.1.
In de uitspraak van 16 april 2024 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het verbod op discriminatie. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof. Het Hof moet zich nog uitspreken over deze prejudiciële vragen. Omdat dit doorgaans enige tijd in beslag neemt en de Afdeling nog geen einduitspraak heeft gedaan, zal de rechtbank in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak oordelen. De rechtbank neemt de rechtsoverwegingen van die uitspraak over.
5.2.
Dit brengt mee dat de minister de door eiseres aangevraagde mvv niet heeft mogen weigeren op grond van het inburgeringsvereiste, aangezien de wijze waarop dit vereiste op dit moment is ingekleed volgens de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak niet in overeenstemming is met onder andere de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. De beroepsgrond slaagt dan ook.
5.3.
Nu het beroep reeds hierom slaagt, zal de rechtbank de overige gronden niet meer bespreken.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
6.1.
Nu het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en zij krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.
Zoals dat is neergelegd in artikel 2, eerste lid, onder a, van het IVUR, artikel 14 van het EVRM, artikel 1, eerste lid van het 12e Protocol bij het EVRM en artikel 21, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
Richtlijn 2003/86.