Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23111

2026-08-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.32059
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-17
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.32059
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorzieningen hangende bezwaar tegen ongewenstverklaring. Met het treffen van een voorlopige voorziening kan niet worden bewerkstelligd dat de werking van de ongewenstverklaring wordt geschorst en de vreemdeling weer rechtmatig verblijf verkrijgt. Het verzoek wordt afgewezen

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.182 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.32059



V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen


[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 2005, van Poolse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Petkovic),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).



Procesverloop


Bij besluit van 19 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister het verblijfsrecht van verzoeker als Unieburger beëindigd dan wel ontzegd, bepaalt dat verzoeker Nederland meteen moet verlaten en verzoeker ongewenst verklaard.



Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.



De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.




Overwegingen



Het griffierecht



1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. Verzoeker hoeft dus geen griffierecht te betalen.



Het verzoek om een voorlopige voorziening





Achtergrond



2. De minister heeft op 24 juli 2025 aan verzoeker het voornemen uitgebracht om diens verblijfsrecht als Unieburger te beëindigen, te bepalen dat hij Nederland direct moet verlaten en aan verzoeker een ongewenstverklaring op te leggen. Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn zienswijze op het voornemen in te dienen.
Het bestreden besluit

3. In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, sinds hij op 31 december 2019 (opnieuw) in Nederland ingeschreven staat, heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vb voor verblijf als Unieburger. Verzoeker is blijkens het Justitiële Documentatiesysteem bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg van 18 juni 2025 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar wegens twee overvallen op een winkel. Daarnaast is verzoeker eerder veroordeeld wegens softdrugsbezit en een verkeersdelict. De minister meent dat het persoonlijk gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daarom ziet de minister aanleiding om het verblijfsrecht aan verzoeker als Unieburger te ontzeggen of – voor zover wordt aangenomen dat verzoeker wel een verblijfsrecht als Unieburger had – dit verblijfsrecht te beëindigen. Daarnaast heeft de minister bepaald dat verzoeker Nederland onmiddellijk moet verlaten en heeft de minister verzoeker ongewenst verklaard.



Het verzoek om een voorlopige voorziening



4. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover daarbij verzoeker ongewenst is verklaard, te schorsen tot op het bezwaar is beslist en te bepalen dat de ongewenstverklaring niet aan verzoeker wordt tegengeworpen voor zover dit gevolgen heeft voor zijn verblijf in Nederland, behandeling, verlof, detentieplaatsing of voorwaardelijke invrijheidsstelling. Nu verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft, mag verzoeker niet uitstromen met BBA en komt hij ook niet in aanmerking voor voorlopige invrijheidsstelling. Verzoeker stelt dat uitsluitend om een tijdelijke buitenwerkingsstelling van de rechtsgevolgen van het ongewenstverklaring gedurende de bezwaarprocedure wordt verzocht. Zo wordt voorkomen dat de bezwaarprocedure feitelijk haar betekenis verliest doordat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure al wordt geconfronteerd met de nadelige gevolgen van de ongewenstverklaring. Gelet op artikel 8:81 van de Awb, artikel 67 van de Vw en de vereisten van effectieve rechtsbescherming is volledige schorsing van de ongewenstverklaring noodzakelijk.



Het oordeel van de voorzieningenrechter



5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Een voorlopige voorziening heeft het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van het besluit op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die op een later moment in een mogelijke bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

6. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat een verzoek om bij wijze van voorlopige voorziening de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring te schorsen, gelet op de aard en de strekking van een ongewenstverklaring, uitsluitend geacht worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om een vreemdeling uit te zetten. Als een dergelijke voorlopige voorziening wordt getroffen, dan blijft de ongewenstverklaring evenwel voortduren. Met het treffen van een voorlopige voorziening kan derhalve niet worden bewerkstelligd dat de vreemdeling weer rechtmatig verblijf heeft.

7. Gelet op deze rechtspraak kan verzoeker dus niet bereiken dat hij in afwachting van de beslissing op het bezwaar (weer) rechtmatig verblijf verkrijgt en daarmee recht krijgt op behandeling, verlof, detentieplaatsing of voorwaardelijke invrijheidsstelling. Er bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen ruimte om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

8. De voorzieningenrechter ziet in dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in strijd met verzoekers recht op effectieve rechtsbescherming dat verzoeker zich niet tot de voorzieningenrechter kan wenden om schorsing van de ongewenstverklaring en de bijbehorende rechtsgevolgen te bewerkstelligen. Verzoeker kan namelijk in een bodemprocedure de rechtmatigheid van de beëindiging van zijn verblijfsrecht, de ongewenstverklaring en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen door de rechtbank laten toetsen. Hiermee heeft verzoeker een effectief rechtsmiddel tot zijn beschikking. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat wegens spoedeisendheid een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Zo is niet met stukken onderbouwd dat verzoeker al in aanmerking komt voor overplaatsing naar een BBA, voorwaardelijke invrijheidsstelling of andere detentiebeslissing waarvoor hij door de ongewenstverklaring niet in aanmerking komt. Bovendien heeft de minister in het verweerschrift aangegeven dat is aangestuurd op een eerdere behandeling van het bezwaar van verzoeker en dat verzoeker daarom al voor oktober 2026 duidelijkheid zal hebben over zijn verblijfsrechtelijke positie.



Conclusie en gevolgen


9. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.



Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Algemene wet bestuursrecht.


Vreemdelingenbesluit 2000.


Beperkt Beveiligde Afdeling.


Vreemdelingenwet 2000.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2012:BV6287.