Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23110

2026-08-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.20702
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-17
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.20702
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Mvv-aanvraag 8 EVRM afgewezen, beroep ongegrond. Niet voldoende onderbouwd dat jongvolwassenenbeleid van toepassing is op meerderjarige zoon van referent. Geen bijkomende elementen van afhankelijkheid.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.689 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL25.20702



V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. A. Orhan),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 17 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’.


2.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 30 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.



2.3
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank



Achtergrond



3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Egyptische nationaliteit. Hij beoogt verblijf bij referent, zijn vader. Referent verblijft in Nederland als economisch niet actieve langdurig ingezeten derdelander.



Het bestreden besluit



4. De minister heeft in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser valt niet onder het jongvolwassenenbeleid, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij financieel afhankelijk is van referent. Verder is er volgens de minister ook geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie in de zin van artikel 8 van het EVRM.



Het beroep





Jongvolwassenenbeleid



5. Eiser voert aan dat hij onder het jongvolwassenenbeleid valt. Hij is namelijk financieel afhankelijk van referent.


5.1.
De minister gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten:


het meerderjarige kind moet jongvolwassen zijn;


met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;


niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en


geen zelfstandig gezin hebben gevormd.




5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is op eiser. De minister heeft daarbij terecht betrokken dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij financieel afhankelijk is van referent. Daarmee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in zijn eigen onderhoud voorziet. De enkele stelling van eiser dat de minister het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook de enkele verwijzing naar uitspraken zonder verdere onderbouwing is niet voldoende. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.



Bijkomende elementen van afhankelijkheid


6. Eiser voert aan dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiser en referent. De minister heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de verschillende elementen met betrekking tot de afhankelijkheidsrelatie.




6.1.
De rechtbank overweegt dat als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, de minister beoordeelt of er sprake is van beschermingswaardig familieleven op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De beoordeling van de vraag of er daadwerkelijk elementen van afhankelijkheid bestaan is een vraag van feitelijke aard. De minister moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door de vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen bestaan. Elementen die hierbij kunnen worden betrokken zijn onder andere: de mate waarin de vreemdeling, al dan niet vanwege gezondheidsproblemen, (exclusief) afhankelijk is van de referent (of omgekeerd) en de feitelijke zorg die de referent (of de vreemdeling) gegeven heeft, samenwoning, financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de band met het land van herkomst en overige aangevoerde feiten en omstandigheden. Het is aan de referent en de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken.


6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent en daarom geen beschermingswaardig familieleven zoals bedoeld is in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referent. Uit de stukken blijkt dat eiser en referent wel contact hebben, maar daar blijkt niet uit dat zij op een meer dan gebruikelijke manier afhankelijk van elkaar zijn. Eiser woont al sinds 2015 niet meer samen met referent en het standpunt dat tussen hen een afhankelijkheidsrelatie bestaat, is verder niet onderbouwd. De enkele stelling van eiser dat de minister zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de verschillende elementen met betrekking tot de afhankelijkheidsrelatie, zonder deze verder te onderbouwen, is niet voldoende om te concluderen dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referent. De beroepsgrond slaagt niet.



Hoorplicht


7. Eiser voert tot slot aan dat de hoorplicht geschonden is.




7.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling heeft geoordeeld dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. De minister mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.



7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser niet had hoeven horen. De minister heeft op grond van het primaire besluit en wat daarover naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. De minister heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien. Deze beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2791 en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 27 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2024:10089.


De minister heeft het jongvolwassenenbeleid met WBV 2026/9 (Stcrt. nr. 18219) per 3 juni 2026 afgeschaft.


Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145 en ECLI:NL:RVS:2024:2146 en de uitspraak van 15 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3306.


Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.