Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23107

2026-08-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL 26 14985
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-14
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL 26 14985
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet. Asiel. Dublin Kroatië. Deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verzet ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.804 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.14985 V


uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant] , opposant

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Akhiat),



tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 maart 2026 in het geding tussen



opposant



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Procesverloop


In de uitspraak van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7367, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en tegen zijn overdracht aan Kroatië kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan zoals bedoeld in artikel 8:55 van de Awb en daarbij meegedeeld over het verzet te willen worden gehoord.



De rechtbank heeft het verzet op 13 augustus 2026 op een zitting behandeld. Opposant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.





Beoordeling door de rechtbank

1. Hoewel het verzetschrift in een ander lopend dossier van opposant is ingediend, was binnen de wettelijke termijn van zes weken bij de bevoegde rechtbank bekend dat opposant verzet wenst te doen tegen de uitspraak van 31 maart 2026. Het verzet is tijdig gedaan.

2. De rechtbank heeft nagelaten om toepassing te geven aan artikel 8:55, tweede lid, gelezen samen met artikel 6:6, van de Awb door opposant niet uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen het verzet alsnog te voorzien van gronden. Om die reden, en omdat de goede procesorde zich daartegen in dit geval niet verzet, wordt niet aan opposant tegengeworpen dat hij eerst op de zitting gronden heeft vermeld.

3. Het verzet is dan ook ontvankelijk en kan inhoudelijk worden behandeld.

4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij Dublinoverdrachten naar Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij heeft de rechtbank geconcludeerd dat de behandeling die opposant als asielzoeker aan de grens met Kroatië stelt te hebben ondervonden van de zijde van de Kroatische autoriteiten niet van betekenis is, omdat opposant nu, gezien de gereguleerde overdracht op grond van de Dublinverordening niet in dezelfde situatie terechtkomt.

5. Opposant heeft zich met verwijzing naar zijn eerdere behandeling door de Kroatische autoriteiten verzet tegen dit onderscheid. Verweerder mocht volgens hem niet van uitgaan van een deelbaar interstatelijk vertrouwensbeginsel.

6. De rechtbank oordeelt als volgt.

7. In een verzetsprocedure kan uitsluitend worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze procedure beperkt is tot de vraag of buiten redelijke twijfel staat dat het beroep ongegrond is, en dat uitspraak op het beroep kon worden gedaan zonder een zitting te houden. Als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst.

8. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, in de zaak X geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel deelbaar is. Dit betekent dat er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat personen die op grond van de Dublinverordening naar een andere lidstaat worden overgedragen adequaat zullen worden behandeld, ook als dat voor andere personen niet zo is. Dit is slechts anders als een vreemdeling aannemelijk maakt dat personen op wie de Dublinverordening van toepassing is in de betreffende lidstaat op structurele basis te maken krijgen met tekortkomingen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandeling. Dit volgt uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Van onmenselijke of vernederende behandeling is sprake als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan. Dit volgt uit artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het arrest van het HvJEU van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo.

9. In de aangevallen uitspraak is toepassing gegeven aan dit beoordelingskader. In wat opposant in verzet heeft aangevoerd ziet de rechtbank gaan aanleiding om niet langer uit te gaan van de juistheid daarvan. Daarnaast heeft opposant in verzet niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht aan Kroatië als persoon op wie de Dublinverordening van toepassing is te maken zal krijgen met onmenselijke of vernederende behandeling.

10. De conclusie is dat het verzet ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat de uitspraak van 31 maart 2026 in stand blijft.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan op 14 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



Deze uitspraak is bekendgemaakt op:






Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.