Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23103
2026-08-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.19444
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep – Dublin – LHBTI – Polen – ongegrond – geen pkv
Citeert (8)
- ECLI:NL:RVS:2024:2662 Raad van State 01-07-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:4317 Raad van State 24-07-2026
- ECLI:EU:C:2023:934
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
- ECLI:EU:C:2017:127
- ECLI:CE:ECHR:2022:1208JUD003434918
- ECLI:NL:RVS:2015:3806 Raad van State 03-12-2015
- ECLI:NL:RVS:2020:223 Raad van State 23-01-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.028 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19444
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder / de minister
(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag van 6 februari 2026. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is.
2. De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser stelt dat hij op [geboortedag] 1995 is geboren en de Pakistaanse nationaliteit heeft.
4. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
6. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Polen. De minister heeft Polen daarom op 2 maart 2026 gevraagd om eiser terug te nemen. Polen heeft dit verzoek op 9 maart 2026 aanvaard onder verwijzing naar artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.
7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe, kort weergegeven, het volgende aan. In de specifieke situatie van eiser kan ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Omdat er al een terugkeerbesluit tegen eiser is uitgevaardigd loopt hij het risico op indirect refoulement naar Pakistan. Hij betwist dat zijn asielverzoek door de Poolse autoriteiten inhoudelijk zal worden behandeld. Mede gelet op zijn eerdere ervaringen in Polen, loopt eiser bij terugkeer daarom een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. De minister heeft bij de toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid onvoldoende gewicht toegekend aan de individuele situatie van eiser en zijn bijzondere kwetsbaarheid in verband met zijn LHBTI+ asielmotief, zijn mentale gezondheid, zijn eerdere ervaringen in Polen waar hij zeven maanden in detentie heeft verbleven, en het risico op indirect refoulement naar Pakistan. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser de volgende documenten overgelegd: de afwijzende beschikking van de Poolse vreemdelingenautoriteit, een brief van [persoon] , een ‘expert opinion’ van [deskundige 1] , en een psychologisch verslag van [deskundige 2] .
De rechtbank oordeelt als volgt.
Procesbelang
8. De rechtbank beantwoordt eerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft de rechtbank bij bericht van 29 juli 2026 gemeld dat eiser op 15 juni 2026 de opvang heeft verlaten zonder hem van zijn nadere verblijfplaats te informeren en dus met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding). Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser laten weten dat er recent (na de MOB-melding) nog contact is geweest met eiser en dat hij belang heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep. In deze omstandigheid wordt het procesbelang aangenomen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. De minister mag ten opzichte van Polen in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiser moet aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan.
9. Het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen, specifiek ook voor personen met een LHBTIQ+ asielmotief, is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2026. Het gegeven dat eiser na illegale grensoverschrijding in Polen zeven maanden in vreemdelingendetentie heeft verbleven, dat hij stelt in deze periode slecht te zijn behandeld en psychische druk heeft ondervonden, maakt dit niet anders. De rechtbank overweegt hierbij dat niet is gebleken dat eiser heeft geklaagd over zijn behandeling bij de Poolse autoriteiten, en dat bovendien vast staat dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de afwijzende beschikking en het opgelegde terugkeerbesluit in Polen. Bovendien zijn de eerdere ervaringen van eiser als asielzoeker en na illegale grensoverschrijding niet indicatief voor zijn behandeling na overdracht aan Polen. Eiser heeft immers niet eerder als Dublinclaimant in Polen verbleven. In voorkomend geval kan hij bij de autoriteiten klagen over zijn behandeling. Het is niet gebleken dat dit niet mogelijk is.
Indirect refoulement
10. Uit het arrest van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het desbetreffende land.
11. In het voorgaande is vastgesteld dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er is daarom in beginsel geen ruimte voor een beoordeling van het risico op (indirect) refoulement. Het gegeven dat eisers asielprocedure in Polen definitief is beëindigd en er een terugkeerbesluit tegen hem is uitgevaardigd waar direct gevolg aan zou kunnen worden gegeven, maakt dit niet anders. Polen heeft zich met de acceptatie van de Dublinclaim verbonden om eisers verzoek om internationale bescherming te behandelen. De rechtbank kan het betoog van eiser niet volgen waar hij stelt dat er in Polen van alles mis is, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel slechts een papieren werkelijkheid is, en het wel degelijk mogelijk is dat eiser zonder inhoudelijke behandeling van zijn asielverzoek naar Pakistan terug zal worden gestuurd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het AIDA rapport Polen, update juni 2026. Hierin staat beschreven dat een eerste opvolgende asielaanvraag opschortende werking heeft ten aanzien van een eerder uitgevaardigd terugkeerbesluit. Ook staat tegen de afwijzing of buitenbehandelingstelling een rechtsmiddel open.
Discretionaire bevoegdheid / bijzondere kwetsbaarheid
12. Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. De minister kan van deze discretionaire bevoegdheid gebruik maken als de overdracht aan de andere lidstaat in de specifieke omstandigheden van het geval onevenredig hard zou zijn. Indien overdracht aan een andere lidstaat een reëel en bewezen risico oplevert van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie, is dit ook een reden om de verantwoordelijkheid voor een asielverzoek over te nemen. In beginsel geldt het uitgangspunt dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in dit geval niet opgaat. Wanneer sprake is van bijzondere kwetsbaarheid kan een verzoekende lidstaat bovendien aanvullende garanties vragen aan de ontvangende lidstaat. De bewijslast dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.
13. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat de verschillende elementen van zijn situatie, in samenhang bezien, bijzondere kwetsbaarheid opleveren, of in elk geval de minister hadden moeten bewegen om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid omdat overdracht aan Polen van onevenredige hardheid zou getuigen. Hij wijst in dit verband op zijn LHBTI+ asielmotief, zijn mentale gezondheid, zijn eerdere ervaringen in Polen en het risico op indirect refoulement naar Pakistan.
14. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat het aangevoerde asielmotief, de eerdere ervaringen in Polen en het gestelde risico op indirect refoulement geen reden zijn om niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft bovendien niet onderbouwd dat overdracht aan Polen in zijn specifieke, individuele situatie tot onevenredige hardheid zou leiden. Voor wat betreft de mentale gezondheid van eiser mag de minister er in beginsel op vertrouwen dat als Polen ermee heeft ingestemd om eiser op grond van de Dublinverordening terug te nemen, het zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Op basis van wat eiser heeft aangevoerd is er geen reden om aan te nemen dat Polen zich daar niet aan zal houden. Uit het overgelegde rapport van de Poolse psycholoog volgt niet dat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van eiser te verwachten is bij overdracht aan Polen. De rechtbank overweegt in dit verband ook dat eiser stelt onder behandeling te zijn van de geconsulteerde psycholoog in Polen, dat hij in Nederland geen medische ondersteuning heeft gezocht of gekregen voor zijn problemen, en dat hij op het moment van de behandeling van het beroep de opvang zelfstandig heeft verlaten en daarmee vrijwillig afstand heeft gedaan van de medische zorg die in de opvang wordt geboden.
15. Uit het voorgaande volgt dat de minister in de aangevoerde omstandigheden, ook in samenhang bezien, geen aanleiding heeft hoeven zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Het besluit is op dit punt daarom voldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Polen. Omdat het beroep ongegrond is worden eisers proceskosten niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 augustus 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2026:4317.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Asylum Information Database.
Pagina 60 en 61 van het AIDA rapport Polen, update juni 2026.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Zie het arrest C.K. van het Hof van Justitie, HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
Zie het arrest Tarakhel, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zaak nummer 19522/09, ECLI:CE:ECHR:2022:1208JUD003434918, en de uitwerking daarvan in de nationale rechtspraak: zie de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:223.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19444
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder / de minister
(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag van 6 februari 2026. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is.
2. De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser stelt dat hij op [geboortedag] 1995 is geboren en de Pakistaanse nationaliteit heeft.
4. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
6. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Polen. De minister heeft Polen daarom op 2 maart 2026 gevraagd om eiser terug te nemen. Polen heeft dit verzoek op 9 maart 2026 aanvaard onder verwijzing naar artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.
7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe, kort weergegeven, het volgende aan. In de specifieke situatie van eiser kan ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Omdat er al een terugkeerbesluit tegen eiser is uitgevaardigd loopt hij het risico op indirect refoulement naar Pakistan. Hij betwist dat zijn asielverzoek door de Poolse autoriteiten inhoudelijk zal worden behandeld. Mede gelet op zijn eerdere ervaringen in Polen, loopt eiser bij terugkeer daarom een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. De minister heeft bij de toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid onvoldoende gewicht toegekend aan de individuele situatie van eiser en zijn bijzondere kwetsbaarheid in verband met zijn LHBTI+ asielmotief, zijn mentale gezondheid, zijn eerdere ervaringen in Polen waar hij zeven maanden in detentie heeft verbleven, en het risico op indirect refoulement naar Pakistan. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser de volgende documenten overgelegd: de afwijzende beschikking van de Poolse vreemdelingenautoriteit, een brief van [persoon] , een ‘expert opinion’ van [deskundige 1] , en een psychologisch verslag van [deskundige 2] .
De rechtbank oordeelt als volgt.
Procesbelang
8. De rechtbank beantwoordt eerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft de rechtbank bij bericht van 29 juli 2026 gemeld dat eiser op 15 juni 2026 de opvang heeft verlaten zonder hem van zijn nadere verblijfplaats te informeren en dus met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding). Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser laten weten dat er recent (na de MOB-melding) nog contact is geweest met eiser en dat hij belang heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep. In deze omstandigheid wordt het procesbelang aangenomen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. De minister mag ten opzichte van Polen in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiser moet aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan.
9. Het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen, specifiek ook voor personen met een LHBTIQ+ asielmotief, is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2026. Het gegeven dat eiser na illegale grensoverschrijding in Polen zeven maanden in vreemdelingendetentie heeft verbleven, dat hij stelt in deze periode slecht te zijn behandeld en psychische druk heeft ondervonden, maakt dit niet anders. De rechtbank overweegt hierbij dat niet is gebleken dat eiser heeft geklaagd over zijn behandeling bij de Poolse autoriteiten, en dat bovendien vast staat dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de afwijzende beschikking en het opgelegde terugkeerbesluit in Polen. Bovendien zijn de eerdere ervaringen van eiser als asielzoeker en na illegale grensoverschrijding niet indicatief voor zijn behandeling na overdracht aan Polen. Eiser heeft immers niet eerder als Dublinclaimant in Polen verbleven. In voorkomend geval kan hij bij de autoriteiten klagen over zijn behandeling. Het is niet gebleken dat dit niet mogelijk is.
Indirect refoulement
10. Uit het arrest van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het desbetreffende land.
11. In het voorgaande is vastgesteld dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er is daarom in beginsel geen ruimte voor een beoordeling van het risico op (indirect) refoulement. Het gegeven dat eisers asielprocedure in Polen definitief is beëindigd en er een terugkeerbesluit tegen hem is uitgevaardigd waar direct gevolg aan zou kunnen worden gegeven, maakt dit niet anders. Polen heeft zich met de acceptatie van de Dublinclaim verbonden om eisers verzoek om internationale bescherming te behandelen. De rechtbank kan het betoog van eiser niet volgen waar hij stelt dat er in Polen van alles mis is, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel slechts een papieren werkelijkheid is, en het wel degelijk mogelijk is dat eiser zonder inhoudelijke behandeling van zijn asielverzoek naar Pakistan terug zal worden gestuurd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het AIDA rapport Polen, update juni 2026. Hierin staat beschreven dat een eerste opvolgende asielaanvraag opschortende werking heeft ten aanzien van een eerder uitgevaardigd terugkeerbesluit. Ook staat tegen de afwijzing of buitenbehandelingstelling een rechtsmiddel open.
Discretionaire bevoegdheid / bijzondere kwetsbaarheid
12. Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. De minister kan van deze discretionaire bevoegdheid gebruik maken als de overdracht aan de andere lidstaat in de specifieke omstandigheden van het geval onevenredig hard zou zijn. Indien overdracht aan een andere lidstaat een reëel en bewezen risico oplevert van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie, is dit ook een reden om de verantwoordelijkheid voor een asielverzoek over te nemen. In beginsel geldt het uitgangspunt dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in dit geval niet opgaat. Wanneer sprake is van bijzondere kwetsbaarheid kan een verzoekende lidstaat bovendien aanvullende garanties vragen aan de ontvangende lidstaat. De bewijslast dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.
13. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat de verschillende elementen van zijn situatie, in samenhang bezien, bijzondere kwetsbaarheid opleveren, of in elk geval de minister hadden moeten bewegen om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid omdat overdracht aan Polen van onevenredige hardheid zou getuigen. Hij wijst in dit verband op zijn LHBTI+ asielmotief, zijn mentale gezondheid, zijn eerdere ervaringen in Polen en het risico op indirect refoulement naar Pakistan.
14. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat het aangevoerde asielmotief, de eerdere ervaringen in Polen en het gestelde risico op indirect refoulement geen reden zijn om niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft bovendien niet onderbouwd dat overdracht aan Polen in zijn specifieke, individuele situatie tot onevenredige hardheid zou leiden. Voor wat betreft de mentale gezondheid van eiser mag de minister er in beginsel op vertrouwen dat als Polen ermee heeft ingestemd om eiser op grond van de Dublinverordening terug te nemen, het zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Op basis van wat eiser heeft aangevoerd is er geen reden om aan te nemen dat Polen zich daar niet aan zal houden. Uit het overgelegde rapport van de Poolse psycholoog volgt niet dat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie van eiser te verwachten is bij overdracht aan Polen. De rechtbank overweegt in dit verband ook dat eiser stelt onder behandeling te zijn van de geconsulteerde psycholoog in Polen, dat hij in Nederland geen medische ondersteuning heeft gezocht of gekregen voor zijn problemen, en dat hij op het moment van de behandeling van het beroep de opvang zelfstandig heeft verlaten en daarmee vrijwillig afstand heeft gedaan van de medische zorg die in de opvang wordt geboden.
15. Uit het voorgaande volgt dat de minister in de aangevoerde omstandigheden, ook in samenhang bezien, geen aanleiding heeft hoeven zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Het besluit is op dit punt daarom voldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Polen. Omdat het beroep ongegrond is worden eisers proceskosten niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 augustus 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2026:4317.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Asylum Information Database.
Pagina 60 en 61 van het AIDA rapport Polen, update juni 2026.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Zie het arrest C.K. van het Hof van Justitie, HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
Zie het arrest Tarakhel, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zaak nummer 19522/09, ECLI:CE:ECHR:2022:1208JUD003434918, en de uitwerking daarvan in de nationale rechtspraak: zie de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:223.