Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23100

2026-08-13 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.15470
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.15470
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BNT – asiel – ongegrond – besluitmoratorium Iran

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.657 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.15470


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel)



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Inleiding


Eiser heeft op 19 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 21 juni 2025.



De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




Beoordeling door de rechtbank

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

2. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. Voor zover verweerder met de WBV 2023/3 de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd, is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd. Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. De beslistermijn zou daarom op 21 december 2025 eindigen.

3. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben. Nadat eiser beroep heeft ingesteld, is een voor Iraanse vreemdelingen geldend besluitmoratorium in werking getreden.

4. Op grond van artikel 2 wordt de beslistermijn, bedoeld in artikel 42 van de Vw, voor asielaanvragen van uit Iran afkomstige vreemdelingen op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw verlengd met één jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden.

5. De rechtbank stelt vast dat het besluitmoratorium nog niet van kracht was ten tijde van de door eiser ingediende ingebrekestelling op 13 februari 2026. Daarom kan niet worden geoordeeld dat deze prematuur is ingediend. Omdat het beroep meer dan twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling is ingediend, is voldaan aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat het beroep ontvankelijk is.

6. Dit laat echter onverlet dat op de datum van het van kracht worden van het

besluitmoratorium nog niet was beslist op de asielaanvraag van eiser. Zoals volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van (het huidige) artikel 43 van de Vw is een besluitmoratorium ook van toepassing op asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Daaronder zijn ook begrepen asielaanvragen waarvoor de beslistermijn al is verstreken op het moment van inwerkingtreding van het besluitmoratorium. Het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig beslissen zal dan, aldus deze totstandkomingsgeschiedenis,
ongegrond verklaard kunnen worden omdat het besluitmoratorium inmiddels van toepassing is. De rechtbank wijst ook op de rechtspraak van de Afdeling.


7. Omdat nog niet op de asielaanvraag van eiser is beslist en niet is gebleken dat eiser valt onder één van de in artikel 4 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium genoemde categorieën die uitgesloten zijn van de werking van het besluitmoratorium, is de beslistermijn verlengd met één jaar. De beslistermijn eindigt daarom op 21 december 2026.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk ongegrond.

9. Omdat ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling het besluitmoratorium nog niet van kracht was, en eiser terecht beroep heeft ingediend, krijgt eiser wel een vergoeding voor de proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.




Beslissing


De rechtbank:



- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzesenzeventig euro).




Deze uitspraak is gedaan op 13 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.








































Deze uitspraak is bekendgemaakt op:






































Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de
rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het
verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is
verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten
zij dit in het verzetschrift vermelden.




Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.


Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.


Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 18 maart 2026, nummer 7273172 tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Iran, Staatscourant 2026, 11864.


Tweede Kamer 1998 – 1999, 26 732, nr. 3, p. 49 en Tweede Kamer 1998 – 1999, 26 732, nr. 7.


Zie rechtsoverweging 5.3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600.


Besluit proceskosten bestuursrecht.