Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23093

2026-08-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.45610
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-14
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.45610
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kennisgeving artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet kon worden volstaan met een lichter middel. De minister heeft de omstandigheden zoals het nu voldoen aan de meldplicht, het samenwonen met zijn partner en zijn bereidheid om mee te werken aan zijn terugkeer naar Suriname, onvoldoende meegewogen. Beroep gegrond

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.809 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.45610



V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. H. Loth),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 heeft de minister aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was aanwezig de partner van eiser, [partner].

Overwegingen



3. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1984.

4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Vooral nu hij zich recent aan de meldplicht heeft gehouden, hij bereid is om mee te werken aan zijn terugkeer naar Suriname en zijn partner garant staat.



4.1.
Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.



4.2.
De minister heeft in de maatregel ten aanzien van het lichter middel het volgende opgenomen:



“Betrokkene heeft niet voldaan aan het opgelegde terugkeer besluit van 14 juli 2022 en voldaan aan de gestelde vertrek termijn.


Betrokkene heeft zich ook niet gehouden aan de toen opgelegde politie meldplicht en zodoende onttrokken aan de meldplicht.


Betrokkene is sinds 2019 illegaal in Europa en sinds 2022 in Nederland.


Betrokkene heeft geen inkomen en staat nergens ingeschreven.


Betrokkene heeft sinds 2022 niets ondernomen om zijn verblijf in Nederland dan wel Europa te regelen.


De door betrokkene genoemde opmerking is geen reden is om aan hem een lichter middel op te leggen.


Het risico bij het opleggen van een meldplicht in plaats van een inbewaringstelling is te groot. Het lichtere middel weegt niet op tegen de kans dat de vreemdeling bij het niet opleggen van bewaring, op andere gedachten komt en zich aan het toezicht onttrekt. Gelet op het vorenstaande is de kans daarop groot.. Gelet op boven genoemde is er naar mijn overtuiging een significant risico op het onderduiken van betrokkene en is daarom gekozen om hem in bewaring te stellen en geen lichter middel toe te passen ten einde zeker te zijn dat betrokkene Nederland verlaat.”





4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet kon worden volstaan met een lichter middel. Het feit dat eiser nu heeft voldaan aan de meldplicht heeft de minister in het geheel niet betrokken. Toen eiser zich meldde op het politiebureau heeft hij meteen verklaard dat hij een partner in Nederland heeft met wie hij samenwoont. Hij heeft haar personalia en hun woonadres genoemd. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat aanvankelijk bij zijn oma heeft gewoond, zij is nu 90 jaar oud en woont in Amsterdam. Hij is vervolgens enige tijd dakloos geweest maar woont nu samen met zijn vriendin met wie hij anderhalf jaar een relatie heeft. Verder heeft eiser uitgelegd dat hij bezig is met het regelen van een nieuw identiteitsdocument maar dat het Surinaamse consulaat niet meewerkt. Dat is ook de reden dat hij nog niet staat ingeschreven op het adres. Eiser heeft verklaard mee te willen werken aan terugkeer als dat nodig is. Ter zitting is namens eiser aangevoerd dat hij mee wil werken aan zijn vertrek en dat zijn partner garant staat. Eiser heeft een paspoort aangevraagd teneinde terug te keren naar Suriname in afwachting van de mvv-procedure. Een kopie van deze aanvraag bevindt zich in het dossier. Eisers partner heeft op de zitting bevestigd dat eiser al vaker (tevergeefs) bij het consulaat is geweest en dat zij van plan waren om op 10 augustus 2026 wederom naar het consulaat te gaan. Eiser heeft het dossier verder aangevuld met een garantieverklaring van de partner, alsmede kopieën van haar huurovereenkomst en arbeidsovereenkomst. Verder blijkt dat eiser zich 10 augustus 2026 heeft gemeld bij het politiebureau in Hilversum. De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling hierover geen (nadere) vragen heeft gesteld om zodoende na te gaan of nader overeen te komen voorwaarden in de plaats hadden kunnen komen van de huidige detentie. Ook is niet gebleken dat de partner van eiser hierbij is betrokken. Indien uit de maatregel van vreemdelingenbewaring volgt dat er sprake is van een onderduikrisico, leidt dit niet zonder meer tot de conclusie dat er geen reden is om een lichter middel dan bewaring op te leggen. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in het standpunt dat geen lichter middel opgelegd hoefde te worden, omdat de bewaringsgronden de maatregel al kunnen dragen en uit die motivering ook het onttrekkingsrisico blijkt. Uit paragraaf A5/1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) volgt immers dat toepassing van een maatregel van vreemdelingenbewaring beperkt dient te blijven tot het strikt noodzakelijke, dat steeds moet worden nagegaan of met een lichter middel kan worden volstaan en dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit daarbij voortdurend in acht moeten worden genomen. Aldus is niet gebleken van een daadwerkelijk en grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval, zoals door de Afdeling is voorgeschreven.



4.4.
Uit het voorgaande volgt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel en dat in het besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom in het geval van eiser geen andere afdoende maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De beroepsgrond slaagt.




Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van 14 augustus 2026.

6. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 3 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 680,-.

7. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de gemachtigde van eiser het beroep schriftelijk heeft aangevuld door het indienen van beroepsgronden en diverse processtukken, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangemerkt als een relevante proceshandeling.



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 14 augustus 2026;-
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 680,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
B.S. Beens, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).


Machtiging voorlopig verblijf.