Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23091

2026-08-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.45252
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-14
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.45252
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kennisgeving artikel 6, derde lid, van de Vw. Noodzaak grensdetentie niet onderbouwd, onvoldoende oog voor de mogelijkheid van een lichter middel. Beroep gegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.795 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.45252


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2026 heeft de minister aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. W.M. Blaauw als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, A.M. Karim als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.

Overwegingen



3. Eiseres voert als eerste aan dat er geen noodzaak is om de grensdetentie toe te passen. Ook voert eiseres aan dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid om een lichter middel toe te passen. Hierbij is volgens eiseres onvoldoende gekeken naar de individuele omstandigheden van eiseres. Eiseres beroept zich hierbij op de uitspraken van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 17 juli 2026.

4. Bij de behandeling ter zitting heeft de minister betoogd dat de noodzaak van het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, is gelegen in het grensbewakingsbelang. Volgens de minister is er voldoende onderzoek gedaan naar alle relevante feiten en omstandigheden.

5. Met dit standpunt gaat de minister echter voorbij aan het eerdere oordeel van de rechtbank in de uitspraken van 17 juli 2026 dat uit artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening volgt dat alleen in de daarin genoemde situaties de verplichting bestaat om de grensprocedure toe te passen. In alle andere gevallen – zo ook in de zaak van eiseres – is een lidstaat niet verplicht om de asielgrensprocedure toe te passen. En dus ook niet verplicht om de beslissing tot toegang tot het Nederlandse grondgebied uit te stellen en tot grensdetentie over te gaan. Dit maakt niet dat de minister in een situatie waarin hij onverplicht over gaat tot de grensprocedure, uiteindelijk niet ook zou kunnen overgaan tot het toepassen van grensdetentie. De noodzaak daartoe dient dan alleen (ook) op een andere wijze – bijvoorbeeld omdat er een risico is op onderduiken – te zijn onderbouwd. Deze onderbouwing is door de minister in de onderhavige zaak evenwel niet gegeven.

6. De rechtbank overweegt verder dat het unierecht geen automatische koppeling legt tussen het toepassen van de grensprocedure en het plaatsen in grensdetentie. Detentie van een asielzoeker als uiterst middel kan enkel worden opgelegd indien andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Dat de minister in regelgeving of praktijk (nog) geen mogelijkheden ziet om bij een asielzoeker die zich aan de buitengrens presenteert een effectief lichter middel toe te passen, betekent niet dat die mogelijkheid niet bestaat. De rechtbank ziet daarom, zonder nadere motivering zoals bijvoorbeeld bij toepassing van de vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw waarbij sprake is van aanknopingspunten voor toepassing van de Dublinverordening of Asiel- en Migratiebeheerverordening wordt gegeven, niet in dat met het niet opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel het grensbewakingsbelang zonder meer volledig wordt losgelaten.

7. De rechtbank komt op grond van al het voorgaande reeds tot de conclusie dat de aan eiseres opgelegde grensdetentie onrechtmatig is, omdat niet is gebleken van de noodzaak daartoe en niet is gekeken of volstaan kon worden met een lichter middel. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.

8. De rechtbank hecht eraan op te merken dat het voorgaande niet betekent dat de minister op deze wijze niet meer over zou kunnen gaan tot het toepassen van grensdetentie. Als na een gedegen onderzoek is gebleken dat een lichter middel niet effectief is toe te passen, de bewaring noodzakelijk is en op grond van een individuele afweging van alle relevante feiten en omstandigheden evenredig is te achten, dan kan de minister overgaan tot het toepassen van grensdetentie. En is unierechtelijk, in overeenstemming met het beginsel van ultimum remedium, verzekerd dat de detentie in dat specifieke geval niet anders kon en ook niet anders had gehoeven.




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van heden.

10. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 960-.

11. Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.

12. Dat sprake is van een kennisgeving door de minister en geen door de gemachtigde ingesteld beroep leidt niet tot een ander oordeel over de proceskosten. Hierbij overweegt de rechtbank dat onder de huidige regelgeving de minister te allen tijde gehouden is de rechtbank in kennis te stellen van het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel als hier in geschil (was). Hoewel de gemachtigde voor het instellen van het beroep geen proceshandeling in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft verricht, betekent dit niet dat de gemachtigde in het geheel geen handelingen heeft hoeven verrichten ter voorbereiding en administratie van het beroep. Bovendien kan een andere zienswijze leiden tot het instellen van een separaat beroep door gemachtigden om daarmee alsnog een punt voor het indienen van een beroepschrift veilig te stellen. De rechtbank acht een dergelijke ontwikkeling onwenselijk.



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 14 augustus 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 960,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.


Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026 door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.



Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:




Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


ECLI:NL:RBDHA:2026:19756, ECLI:NL:RBDHA:2026:19757 en
ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.