Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23086
2026-08-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.18695 en NL26.18696
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asielaanvraag niet-ontvankelijk, uit Eurodac volgt dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland, MOB-melding, eiser bleek toch op een COa-locatie te verblijven, wel procesbelang, beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2016:2441 Raad van State 01-09-2016
- ECLI:NL:RVS:2014:3128 Raad van State 12-08-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.361 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.18695 (beroep)
NL26.18696 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1997, van Gambiaanse nationaliteit, eiser/verzoeker hierna: eiser,
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
de minister van Asiel en Migratierecht, verweerder
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet.
1.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Eiser heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesbelang
4. De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er sprake is van procesbelang. Verweerder heeft namelijk bij brief van 23 juni 2026 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken (een MOB-melding). In reactie daarop heeft de gemachtigde van eiser op 27 juli 2026 laten weten dat uit meer recente informatie van het COa is gebleken dat eiser in het asielzoekerscentrum te Zierikzee verblijft. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde van eiser een mailwisseling met het COa overgelegd van 24 juli 2026. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze informatie. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat er wel sprake is van procesbelang.
5. De rechtbank zal dan ook overgaan op een inhoudelijke behandeling van het beroep.
Besluitvorming
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser sinds 3 januari 2018 in Duitsland internationale bescherming heeft. Verweerder heeft eiser daarom opgedragen om onmiddellijk naar Duitsland te gaan.
Het standpunt van eiser
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat het onwaarschijnlijk is dat de Duitse autoriteiten in 2018 aan hem internationale bescherming zouden hebben verleend. Eiser heeft namelijk tijdens zijn gehoor verklaard dat hij in 2017 naar Italië is gegaan en heeft verklaard dat hij al die tijd niet in Duitsland heeft verbleven. Verder ontbreekt in het dossier een recente verklaring van de Duitse autoriteiten, waarin wordt bevestigd dat hij nog steeds internationale bescherming geniet. De bestreden beschikking is om dan ook onzorgvuldig tot stand gekomen.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ervan uit mocht gaan dat eiser nog internationale bescherming in Duitsland heeft. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
8.1.
Volgens vaste rechtspraak mag verweerder uitgaan van de juistheid van de gegevens in het Eurodac-systeem. Daarvoor is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Verder moet uit de informatie duidelijk worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Als het resultaat uit het Eurodac-onderzoek onvoldoende recent is of onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, moet de minister nader onderzoek doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de desbetreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf beschikt.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de informatie uit Eurodac waarop het bestreden besluit is gebaseerd voldoende actueel en duidelijk. De informatie dateert van 6 januari 2026. Daaruit is gebleken dat aan eiser in 2018 internationale bescherming is verleend. De rechtbank is daarom, anders dan eiser, van oordeel dat verweerder heeft dan ook geen recente verklaring heeft hoeven vragen aan de Duitse autoriteiten waarin werd bevestigd dat eiser nog internationale bescherming geniet in Duitsland.
8.3.
Eiser heeft zijn stelling, dat het onwaarschijnlijk is dat hij in Duitsland was in 2018 omdat hij heeft verklaard in 2017 naar Italië is gegaan, niet nader onderbouwd. De enkele stelling dat aan eiser geen internationale bescherming is verleend door de Duitse autoriteiten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de informatie uit het Eurodac-systeem.
9. Verweerder heeft de aanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Conclusie en gevolg
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening omdat er op het beroep is beslist. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder het nummer NL26.18695:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder het nummer NL26.18696:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank merkt op dat deze zaak valt onder het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact (AMP). De wetsartikelen die in deze uitspraak genoemd worden, zijn de oude wetsartikelen zoals die golden voor het AMP.
Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441 en 12 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3128.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.18695 (beroep)
NL26.18696 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1997, van Gambiaanse nationaliteit, eiser/verzoeker hierna: eiser,
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
de minister van Asiel en Migratierecht, verweerder
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet.
1.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Eiser heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesbelang
4. De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er sprake is van procesbelang. Verweerder heeft namelijk bij brief van 23 juni 2026 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken (een MOB-melding). In reactie daarop heeft de gemachtigde van eiser op 27 juli 2026 laten weten dat uit meer recente informatie van het COa is gebleken dat eiser in het asielzoekerscentrum te Zierikzee verblijft. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde van eiser een mailwisseling met het COa overgelegd van 24 juli 2026. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze informatie. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat er wel sprake is van procesbelang.
5. De rechtbank zal dan ook overgaan op een inhoudelijke behandeling van het beroep.
Besluitvorming
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser sinds 3 januari 2018 in Duitsland internationale bescherming heeft. Verweerder heeft eiser daarom opgedragen om onmiddellijk naar Duitsland te gaan.
Het standpunt van eiser
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat het onwaarschijnlijk is dat de Duitse autoriteiten in 2018 aan hem internationale bescherming zouden hebben verleend. Eiser heeft namelijk tijdens zijn gehoor verklaard dat hij in 2017 naar Italië is gegaan en heeft verklaard dat hij al die tijd niet in Duitsland heeft verbleven. Verder ontbreekt in het dossier een recente verklaring van de Duitse autoriteiten, waarin wordt bevestigd dat hij nog steeds internationale bescherming geniet. De bestreden beschikking is om dan ook onzorgvuldig tot stand gekomen.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ervan uit mocht gaan dat eiser nog internationale bescherming in Duitsland heeft. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
8.1.
Volgens vaste rechtspraak mag verweerder uitgaan van de juistheid van de gegevens in het Eurodac-systeem. Daarvoor is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Verder moet uit de informatie duidelijk worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Als het resultaat uit het Eurodac-onderzoek onvoldoende recent is of onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, moet de minister nader onderzoek doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de desbetreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of een andere toestemming tot verblijf beschikt.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de informatie uit Eurodac waarop het bestreden besluit is gebaseerd voldoende actueel en duidelijk. De informatie dateert van 6 januari 2026. Daaruit is gebleken dat aan eiser in 2018 internationale bescherming is verleend. De rechtbank is daarom, anders dan eiser, van oordeel dat verweerder heeft dan ook geen recente verklaring heeft hoeven vragen aan de Duitse autoriteiten waarin werd bevestigd dat eiser nog internationale bescherming geniet in Duitsland.
8.3.
Eiser heeft zijn stelling, dat het onwaarschijnlijk is dat hij in Duitsland was in 2018 omdat hij heeft verklaard in 2017 naar Italië is gegaan, niet nader onderbouwd. De enkele stelling dat aan eiser geen internationale bescherming is verleend door de Duitse autoriteiten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de informatie uit het Eurodac-systeem.
9. Verweerder heeft de aanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Conclusie en gevolg
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening omdat er op het beroep is beslist. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder het nummer NL26.18695:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder het nummer NL26.18696:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank merkt op dat deze zaak valt onder het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact (AMP). De wetsartikelen die in deze uitspraak genoemd worden, zijn de oude wetsartikelen zoals die golden voor het AMP.
Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441 en 12 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3128.