Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23077

2026-08-12 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.54095
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.54095
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Opvolgende asielaanvraag – geen nieuwe elementen of bevindingen – beroep ongegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.780 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.54095


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.E.G.N. Van der Meulen).




Procesverloop


Bij besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. D.W.M. van Erp, als waarnemer voor zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.





Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1985 en heeft de Jemenitische nationaliteit.

2. Eiser heeft op 31 juli 2022 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft
deze aanvraag bij besluit van 1 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat Djibouti een veilig derde land is voor eiser. Deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 12 maart 2024 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze uitspraak bevestigd op 12 april 2024. Het besluit van 1 februari 2024 staat daarmee in rechte vast.

3. Op 10 september 2024 heeft eiser de huidige, tweede asielaanvraag ingediend.
Hieraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij niet kan terugkeren naar Jemen, dat hij niet zowel de Jemenitische als de Djiboutiaanse nationaliteit kan hebben en dat hij geen toegang kan verkrijgen tot Djibouti.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet
ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. Verweerder heeft overwogen dat het mogelijk is om een dubbele nationaliteit te bezitten mits daarvoor toestemming is verkregen van de Djiboutiaanse autoriteiten en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen toegang meer kan verkrijgen tot Djibouti. Verder heeft verweerder eiser niet gehoord over zijn opvolgende asielaanvraag, omdat eiser geen nieuwe, relevante informatie heeft aangevoerd.

5. Eiser voert aan dat hij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen toegang
meer zal krijgen tot Djibouti. Eiser kan niet de Jemenitische en Djiboutiaanse nationaliteit tegelijkertijd hebben zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen van de autoriteiten en die toestemming heeft eiser niet gekregen. Het Djiboutiaanse paspoort waar eiser gebruik van heeft gemaakt tijdens zijn reis is niet authentiek. Het is dan ook niet aannemelijk dat eiser de Djiboutiaanse nationaliteit bezit. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een verklaring van de Djiboutiaanse autoriteiten overgelegd. Ook wijst eiser erop dat de aan hem opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring op 8 augustus 2024 is opgeheven vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting. Verweerder is hierop niet ingegaan in de besluitvorming. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte eiser niet heeft gehoord en ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom afgezien is van een gehoor. Tot slot voert eiser aan dat het terugkeerbesluit niet in lijn is met het arrest Ararat, omdat er geen actuele refoulementbeoordeling is uitgevoerd. Eiser wijst hierbij op het reisadvies voor Djibouti, Informatiebericht 2023/68 en een nieuwsartikel van 19 mei 2025.


De rechtbank oordeelt als volgt.




Procesorde



6. Kort voorafgaand aan de zitting, namelijk op 29 juli 2026 om 19:08 uur, heeft eiser een stuk met een aanvullende beroepsgrond in het digitale dossier geüpload, namelijk de beroepsgrond dat verweerder bij de besluitvorming onvoldoende heeft betrokken dat een aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven is wegens het ontbreken van zicht op uitzetting. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze beroepsgrond dusdanig laat is ingediend dat dit in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, nu eiser reeds bij het indienen van zijn opvolgende asielaanvraag de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft overgelegd. De rechtbank zal de beroepsgrond daarom betrekken bij de beoordeling.



Nieuwe elementen of bevindingen



7. Uit artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, zoals dit voor 12 juni 2026 gold, volgt dat verweerder een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk kan verklaren als de aanvrager geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd aan deze aanvraag, of als de nieuwe elementen en bevindingen niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

8. Uit het arrest L.H. tegen Nederland volgt dat de beoordeling of sprake is van nieuwe elementen of bevindingen plaatsvindt in twee fases. In de eerste fase wordt onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn of door de vreemdeling zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking kan komen voor internationale bescherming. In de tweede fase wordt onderzocht of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Een nieuw element of bevinding is niet relevant als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de overwegingen van het eerder genomen besluit.

9. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd aan zijn opvolgende asielaanvraag. Niet in geschil is dat het mogelijk is om een dubbele nationaliteit te bezitten met toestemming van de Djiboutiaanse autoriteiten. De enkele, niet onderbouwde, stelling van eiser dat hij deze toestemming niet heeft gekregen, is onvoldoende om dit aannemelijk te maken. Bovendien is in het besluit in de eerste asielprocedure overwogen dat in het midden gelaten wordt of eiser de Djiboutiaanse nationaliteit bezit, zodat de stelling van eiser dat hij niet (ook) de Djiboutiaanse nationaliteit heeft, niet kan leiden tot een andere beoordeling van de aanvraag. De door eiser overgelegde verklaring van de Djiboutiaanse autoriteiten heeft verweerder terecht ook niet aangemerkt als relevant nieuw element of bevinding. In deze verklaring staat dat eiser een Djiboutiaans reisdocument heeft verkregen dat na afloop van een zakenreis dient te worden teruggegeven en dat dit geen schade toebrengt aan eisers Jemenitische nationaliteit. Verder staat hierin vermeld dat eiser inwoner van het Djiboutiaans nationaal grondgebied is. Hieruit blijkt dan ook niet dat eiser geen toegang kan krijgen tot Djibouti.

10. Ook het feit dat de aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring is opgeheven, is geen relevant nieuw element of bevinding. Immers is onbestreden gebleven dat vrijwillige terugkeer naar Djibouti wél mogelijk is. Met de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring is dan ook niet alsnog aannemelijk geworden dat eiser geen toegang kan krijgen tot Djibouti. Het betoog van eiser dat verweerder hier onvoldoende gemotiveerd op is ingegaan, wordt voorts niet gevolgd. Eiser heeft de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring namelijk bij zijn opvolgende aanvraag niet genoemd als nieuwe gebeurtenis.



Horen over opvolgende aanvraag



11. Verweerder heeft terecht overwogen dat in het geval van eiser kon worden afgezien van een gehoor, omdat op basis van de stukken al kon worden geconcludeerd dat geen sprake is van substantiële nieuwe elementen die een ander oordeel over de asielaanvraag zouden rechtvaardigen. Verweerder heeft dit ook voldoende gemotiveerd in het bestreden besluit door te overwegen dat de informatie over het Djiboutiaanse paspoort, waarover eiser stelt dat hij had willen verklaren tijdens een gehoor, reeds bekend was en dat dit in lijn met eerder door eiser gegeven verklaringen op objectieve wijze kon worden beoordeeld zonder dat het nodig was om eiser opnieuw te horen.




Terugkeerbesluit



12. Eiser wordt verder niet gevolgd in zijn betoog dat het terugkeerbesluit niet in lijn is met het arrest Ararat. De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 1 februari 2024 aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. In het bestreden besluit heeft verweerder terecht overwogen dat dit terugkeerbesluit nog steeds geldig is en dat dit nog steeds gebaseerd is op actuele en relevante gegevens. Eiser heeft immers geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding voor verweerder hadden moeten vormen om een nieuwe beoordeling te maken. Voor zover eiser naar het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over Djibouti heeft verwezen, heeft te gelden dat dit reisadvies alleen geldt voor Nederlanders en dat eiser niet heeft onderbouwd welke in het reisadvies genoemde risico’s concreet op hem van toepassing zijn. Verder ziet het nieuwsartikel van 19 mei 2025 op deportaties in Djibouti vanwege ‘violations of residency and work permit regulations’. Gesteld, noch gebleken is dat hiervan sprake is in het geval van eiser.



Conclusie



13. Het beroep is ongegrond.

14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan op 12 augustus 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De uitspraak is bekendgemaakt op:






Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.



ECLI:NL:RBDHA:2024:3126.


Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.