Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22830
2026-07-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.39364
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, gehoor tijdens strafdetentie, lichter middel, ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2026:1005 Raad van State 26-02-2026
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.814 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39364
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 14 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
Geen gebruik van een tolk
4. Eiser stelt dat sprake is van een gebrek in het voortraject. Hij stelt daartoe dat er een tolk Engels bij het gehoor aanwezig had moeten zijn. Dat de verbalisant voldoende Engels spreekt om met eiser in gesprek te gaan, betekent volgens eiser niet dat hij op juiste wijze de juridische gronden en afwegingen ten aanzien van de inbewaringstelling uit heeft kunnen leggen. Niet staat vast dat eiser tijdens het gehoor de volledige strekking van de maatregel heeft kunnen begrijpen.
4.1.
In het proces-verbaal van het gehoor bij de inbewaringstelling van 14 juli 2026 is vermeld dat getracht is om in verband met het gehoor via de tolkendienst een tolk in de Portugese taal in te schakelen. Er bleek op dat moment geen beëdigde tolk en ook geen niet-beëdigde tolk beschikbaar te zijn. Op de vraag aan eiser of hij de Engelse taal goed begrijpt en verstaat, heeft hij geantwoord dat hij goed Engels kan spreken en verstaan. Verder is vermeld dat zowel de verrbalisant als eiser de Engelse taal voldoende beheersen en dat het verhoor dan ook in de Engelse taal is gevoerd. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers, behoudens toepassing van het derde lid, verplicht de Koninklijke Marechaussee - onder meer - tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers, indien gebruik van een tolk of vertaler nodig wordt geacht. Zoals hiervoor is weergegeven blijkt uit het proces-verbaal van gehoor dat de vreemdeling en de verbalisant de Engelse taal voldoende machtig waren. In beginsel kan van de juistheid en volledigheid van het proces-verbaal, dat op ambtseed dan wel ambtsbelofte is opgemaakt en ondertekend, worden uitgegaan. Hetgeen is weergegeven in de beroepsgronden en ter zitting is besproken geeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Daarom hoefde er niet noodzakelijkerwijs gebruik te worden gemaakt van een tolk bij het gehoor, zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1005). De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
5.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.2.
Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn en betwist hiertoe alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hij stelt dat de b grond hem ten onrechte is tegengeworpen omdat hij de strekking van de beschikking waarin zijn unierechtelijk verblijfsrecht is ingetrokken niet heeft begrepen. Sinds hij zich daarvan bewust is, heeft hij geprobeerd om samen met zijn moeder aan middelen te komen om zijn vertrek de bewerkstelligen. De enkele omstandigheid dat hij hierin niet is geslaagd betekent niet dat hem kan worden tegengeworpen dat hij geen gevolg geeft aan zijn vertrekplicht. Ten aanzien van grond h stelt eiser dat hij, zoals ook blijkt uit zijn verklaring ter zitting, terug wil keren naar Portugal en hier ook alles voor doet.
5.3.
Uit het dossier blijkt dat de beschikking van 1 juni 2026 waarin het unierechtelijk verblijfsrecht van eiser is ingetrokken op 11 juni 2026 aan hem is uitgereikt. In het uitreikingsblad is vermeld dat de strekking van het besluit met de hulp van een tolk in de Portugese taal aan hem is uitgelegd. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat hij de strekking van het besluit van 1 juni 2026 niet heeft begrepen. De stelling dat hij samen met zijn moeder heeft geprobeerd aan middelen te komen om zijn vertrek te regelen leidt niet tot een ander oordeel. Feitelijk juist is dat eiser niet binnen de aan hem toegekende termijn aan zijn vertrekplicht heeft voldaan. Verweerder heeft de b grond dan ook aan eiser kunnen tegenwerpen. Ten aanzien van de h grond stelt de rechtbank vast dat eiser tot aan zijn inbewaringstelling niet aan zijn vertrekplicht heeft voldaan, tijdens het gehoor bij de inbewaringstelling op 14 juli 2026 heeft verklaard niet terug te willen keren naar Portugal, geen aantoonbare inspanningen heeft verricht om te vertrekken en geen middelen heeft om zijn vertrek te bekostigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de enkele stelling van eiser dat hij wil vertrekken en geprobeerd heeft om samen met zijn moeder aan middelen te komen om zijn vertrek te bewerkstelligen verweerder onvoldoende aanleiding hebben hoeven geven om de h grond niet tegen te werpen.
5.4.
De gronden b en h, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bestreden gronden behoeven gezien het voorgaande geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting?
6. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering en dat hij twijfelt of er sprake is van zicht op uitzetting naar Portugal.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat op 20 juli 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden met eiser, waarin tevens ook is vermeld dat inmiddels een vluchtaanvraag is ingediend. Verder heeft verweerder ter zitting aangegeven dat het Openbaar Ministerie op 20 juli 2026 te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling en verwijst daarbij naar de opmerking in het systeem van de politie waarin staat dat eiser verward en overspannen overkomt.
7.1.
Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld (5.4.) over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit voornoemde gronden en motivering, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat sprake is van een onderduikrisico. Eiser heeft tijdens het gehoor bij de inbewaringstelling verklaard gezond te zijn en geen medische problemen te ervaren. Verder heeft eiser sinds de inbewaringstelling geen medische omstandigheden naar voren gebracht die verweerder aanleiding hadden moeten geven om tot een lichter middel over te gaan. De enkele opmerking dat eiser op enig moment voorafgaand aan de inbewaringstelling verward en overspannen overkwam, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39364
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 14 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
Geen gebruik van een tolk
4. Eiser stelt dat sprake is van een gebrek in het voortraject. Hij stelt daartoe dat er een tolk Engels bij het gehoor aanwezig had moeten zijn. Dat de verbalisant voldoende Engels spreekt om met eiser in gesprek te gaan, betekent volgens eiser niet dat hij op juiste wijze de juridische gronden en afwegingen ten aanzien van de inbewaringstelling uit heeft kunnen leggen. Niet staat vast dat eiser tijdens het gehoor de volledige strekking van de maatregel heeft kunnen begrijpen.
4.1.
In het proces-verbaal van het gehoor bij de inbewaringstelling van 14 juli 2026 is vermeld dat getracht is om in verband met het gehoor via de tolkendienst een tolk in de Portugese taal in te schakelen. Er bleek op dat moment geen beëdigde tolk en ook geen niet-beëdigde tolk beschikbaar te zijn. Op de vraag aan eiser of hij de Engelse taal goed begrijpt en verstaat, heeft hij geantwoord dat hij goed Engels kan spreken en verstaan. Verder is vermeld dat zowel de verrbalisant als eiser de Engelse taal voldoende beheersen en dat het verhoor dan ook in de Engelse taal is gevoerd. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers, behoudens toepassing van het derde lid, verplicht de Koninklijke Marechaussee - onder meer - tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers, indien gebruik van een tolk of vertaler nodig wordt geacht. Zoals hiervoor is weergegeven blijkt uit het proces-verbaal van gehoor dat de vreemdeling en de verbalisant de Engelse taal voldoende machtig waren. In beginsel kan van de juistheid en volledigheid van het proces-verbaal, dat op ambtseed dan wel ambtsbelofte is opgemaakt en ondertekend, worden uitgegaan. Hetgeen is weergegeven in de beroepsgronden en ter zitting is besproken geeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Daarom hoefde er niet noodzakelijkerwijs gebruik te worden gemaakt van een tolk bij het gehoor, zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1005). De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
5.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.2.
Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn en betwist hiertoe alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hij stelt dat de b grond hem ten onrechte is tegengeworpen omdat hij de strekking van de beschikking waarin zijn unierechtelijk verblijfsrecht is ingetrokken niet heeft begrepen. Sinds hij zich daarvan bewust is, heeft hij geprobeerd om samen met zijn moeder aan middelen te komen om zijn vertrek de bewerkstelligen. De enkele omstandigheid dat hij hierin niet is geslaagd betekent niet dat hem kan worden tegengeworpen dat hij geen gevolg geeft aan zijn vertrekplicht. Ten aanzien van grond h stelt eiser dat hij, zoals ook blijkt uit zijn verklaring ter zitting, terug wil keren naar Portugal en hier ook alles voor doet.
5.3.
Uit het dossier blijkt dat de beschikking van 1 juni 2026 waarin het unierechtelijk verblijfsrecht van eiser is ingetrokken op 11 juni 2026 aan hem is uitgereikt. In het uitreikingsblad is vermeld dat de strekking van het besluit met de hulp van een tolk in de Portugese taal aan hem is uitgelegd. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat hij de strekking van het besluit van 1 juni 2026 niet heeft begrepen. De stelling dat hij samen met zijn moeder heeft geprobeerd aan middelen te komen om zijn vertrek te regelen leidt niet tot een ander oordeel. Feitelijk juist is dat eiser niet binnen de aan hem toegekende termijn aan zijn vertrekplicht heeft voldaan. Verweerder heeft de b grond dan ook aan eiser kunnen tegenwerpen. Ten aanzien van de h grond stelt de rechtbank vast dat eiser tot aan zijn inbewaringstelling niet aan zijn vertrekplicht heeft voldaan, tijdens het gehoor bij de inbewaringstelling op 14 juli 2026 heeft verklaard niet terug te willen keren naar Portugal, geen aantoonbare inspanningen heeft verricht om te vertrekken en geen middelen heeft om zijn vertrek te bekostigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de enkele stelling van eiser dat hij wil vertrekken en geprobeerd heeft om samen met zijn moeder aan middelen te komen om zijn vertrek te bewerkstelligen verweerder onvoldoende aanleiding hebben hoeven geven om de h grond niet tegen te werpen.
5.4.
De gronden b en h, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bestreden gronden behoeven gezien het voorgaande geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting?
6. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering en dat hij twijfelt of er sprake is van zicht op uitzetting naar Portugal.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat op 20 juli 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden met eiser, waarin tevens ook is vermeld dat inmiddels een vluchtaanvraag is ingediend. Verder heeft verweerder ter zitting aangegeven dat het Openbaar Ministerie op 20 juli 2026 te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling en verwijst daarbij naar de opmerking in het systeem van de politie waarin staat dat eiser verward en overspannen overkomt.
7.1.
Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld (5.4.) over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit voornoemde gronden en motivering, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat sprake is van een onderduikrisico. Eiser heeft tijdens het gehoor bij de inbewaringstelling verklaard gezond te zijn en geen medische problemen te ervaren. Verder heeft eiser sinds de inbewaringstelling geen medische omstandigheden naar voren gebracht die verweerder aanleiding hadden moeten geven om tot een lichter middel over te gaan. De enkele opmerking dat eiser op enig moment voorafgaand aan de inbewaringstelling verward en overspannen overkwam, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.