Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22823

2026-08-05 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.43480
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-05
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Mondelinge uitspraak
Zaaknummer
NL26.43480
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening spoed. Overdracht Polen. Tweede opschortingsverzoek. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. De voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.416 tekens)
proces-verbaal uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43480


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van


5 augustus 2026 in de zaak tussen





[verzoeker]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: I. Vugs).

Samenvatting



Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. De minister heeft de herhaalde asielaanvraag niet in behandeling genomen, op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De minister wil verzoeker op 6 augustus 2026 aan Polen overdragen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft beroep ingesteld (NL26.43479) tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en om een voorlopige voorziening verzocht teneinde de overdracht te voorkomen.



De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

3. Verzoeker heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend. Met het bestreden besluit van 26 juli 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.

4. De minister heeft en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

5. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

6. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. De voorzieningenrechter doet dit als onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.1 De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om partijen niet uit te nodigen voor een zitting, gelet op de korte termijn die resteert tot 6 augustus 2026. Partijen worden hierdoor niet in hun belangen geschaad. Verzoekers hebben de gronden van hun verzoek immers naar voren kunnen brengen en de minister heeft daarop gereageerd. De voorzieningenrechter sluit daarom het onderzoek.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Het standpunt van verzoeker



7. Verzoeker voert aan dat hij op 6 augustus 2025 wordt overgedragen aan Polen en dat hierin het spoedeisend belang is gelegen. Daarbij is de behandeling van de beroepszaak ter zitting gepland op 18 augustus 2026. De aanwezigheid van verzoeker ter zitting is een fundamenteel recht. De minister moet de geplande vlucht annuleren zodat verzoeker gebruik kan maken van dit recht. De uiterlijke overdrachtstermijn verloopt immers pas op 10 oktober 2026. Verzoeker heeft psychische en medische klachten waarvan de rechtbank zich tijdens de zitting dient te vergewissen. Gezien de medische toestand van verzoeker is aangewezen dat er maatregelen worden getroffen zoals een ‘fit-to-fly-onderzoek’, alvorens verzoeker daadwerkelijk kan worden overgedragen. Ook moet worden nagegaan of het non-refoulement beginsel gewaarborgd wordt. Tot slot voert verzoeker aan dat de termijn voor het indienen van de gronden in de beroepsprocedure nog niet is verlopen. De rechtbank kan daarom niet op basis van een zorgvuldig onderzoek uitspraak doen op het beroep. Het beroep kan daarom niet worden aangemerkt als effectief rechtsmiddel.



Het standpunt van de minister



8. De minister stelt zich op het standpunt dat de overdracht van verzoeker in dit geval boven het bijwonen van de zitting gaat. Uit artikel 43, derde lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AmbV) en artikel 7.3, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) volgt dat een doeltreffend rechtsmiddel beschikbaar moet zijn door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek is gegeven. In deze zaak gaat het echter om een tweede opschortingsverzoek. Verder kan ten aanzien van Polen worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en heeft verzoeker niet onderbouwd dat de overdracht van verzoeker naar Polen een situatie tot gevolg zal hebben als bedoeld in het arrest C.K.2 De minister verwijst hierbij naar de eerste procedure van verzoeker en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in die procedure.3 Ook heeft verzoeker niet onderbouwd zeer kwetsbaar te zijn in de zin van het arrest Tarakhel.4 Verder ziet de minister geen aanleiding om te concluderen dat vanwege de medische klachten van verzoeker getwijfeld moet worden aan de wijze van overdracht.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

9. De voorzieningenrechter acht spoedeisend belang aanwezig. Uit het dossier volgt namelijk dat verzoeker op 6 augustus 2026 om 11:50 uur wordt overgedragen aan Polen. Nu sprake is van een spoedeisend belang, dient te worden beoordeeld of het beroep een redelijke kans van slagen heeft.


10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. De minister mag ten aanzien van Polen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.5 Wat betreft de medische omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter in de eerste plaats naar de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2026 in de vorige procedure van verzoeker. De Afdeling heeft daarin onder meer overwogen dat het feit dat er mogelijk beperkingen zijn ten aanzien van de toegang tot de zorg en de aard of omvang van deze zorg, niet maakt dat sprake is van systeemfouten. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in deze procedure tot een ander oordeel te komen. Daarbij komt dat verzoeker in deze procedure geen nadere stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn psychische en medische klachten, zodat niet aannemelijk is dat er maatregelen moeten worden getroffen in het kader van de overdracht.

11. De voorzieningenrechter is verder met de minister van oordeel dat het belang van de overdracht van verzoeker groter is dan het belang van verzoeker bij het bijwonen van de zitting. De minister heeft hierbij terecht gewezen op artikel 53, derde lid, van de AmbV en artikel 7.3, derde lid, van het Vb, waaruit volgt dat een doeltreffend rechtsmiddel beschikbaar moet zijn door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek is gegeven. Deze procedure betreft het tweede opschortingsverzoek. De stelling van verzoeker dat het beroep niet kan worden aangemerkt als effectief rechtsmiddel nu de termijn voor het indienen van de gronden van beroep nog niet is verlopen, volgt de voorzieningenrechter niet. Verzoeker had namelijk ook de mogelijkheid om die gronden in deze procedure in te dienen.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op 5 augustus 2026 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.






Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




05 augustus 2026








___________________________________________________
1. Zie artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Arrest van het Hof van Justitie (het Hof) van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
3 Uitspraak van de Afdeling van 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1908.
4 Arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
5 Vgl. onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1026.














Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.