Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22820

2026-07-22 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.39045
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.39045
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring, vrijheidsbeperkende maatregel, overdracht uit Duitsland, gronden niet betwist, lichter middel, beroep ongegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.139 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.39045


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer 1] , eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 13 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader

3. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



3.1.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.



De vrijheidsbeperkende maatregel van 12 juli 2026

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hem de mogelijkheid is ontnomen om op te komen tegen de vrijheidsbeperkende maatregel van 12 juli 2026. Eiser verwijst naar de beschikking van 12 juli 2026 waarin hem op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd waardoor hij zich in het afgeschermde gebied (transitzone) van Schiphol beschikbaar moest houden voor zijn vertrek. Volgens eiser is door verweerder geen kennisgeving verstuurd ten aanzien van deze maatregel. Het is voor hem dan ook niet mogelijk geweest om de rechtmatigheid daarvan te betwisten.




4.1.
De rechtbank stelt vast dat er, anders dan bij een vrijheidsontnemende maatregel, bij een vrijheidsbeperkende maatregel geen verplichting op verweerder rust om de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van het besluit. Artikel 94 van de Vw ziet uitsluitend op vrijheidsontnemende maatregelen. Zoals ook is weergegeven in de maatregel van 12 juli 2026 staat tegen een vrijheidsbeperkende maatregel voor eiser beroep open. Indien eiser van mening is dat de maatregel onrechtmatig is geweest, kan hij hiertegen op de in de beschikking weergegeven wijze beroep tegen instellen. Nu ter zitting (nog) geen beroep was ingesteld tegen de beschikking van 12 juli 2026, is de rechtbank van oordeel dat de rechtmatigheid van dit besluit niet ter toetsing voorligt.




De overdracht vanuit Duitsland

5. Eiser betoogt verder dat het niet duidelijk is hoe de overdracht van Duitsland naar Nederland is verlopen. Er is geen duidelijkheid over de procedure om eiser over te dragen naar Nederland. Niet kan worden beoordeeld of het voortraject van de maatregel van bewaring rechtmatig is verlopen en wat voor gevolgen dit moet hebben voor de rechtmatigheid van de bewaring.




5.1.
Uit het dossier blijkt dat eiser op 12 juli 2026 de toegang tot Nederland is geweigerd. De toegangsweigering brengt met zich mee dat hij Nederland onmiddellijk moest verlaten. In afwachting van daadwerkelijk vertrek is aan eiser de hierboven genoemde vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende dat hij zich op diende te houden in het internationaal transitgebied (lounge) van de luchthaven Schiphol, en dat hij te allen tijde beschikbaar moest zijn voor het vertrekproces. Vervolgens is eiser op 13 juli 2026 aangetroffen in Bad Bentheim nadat hij per Flixbus Duitsland was ingereisd. Hij had zich dus niet gehouden aan de verplichting om zich op te houden in de lounge op Schiphol en hij heeft ook geen melding gemaakt van zijn afwezigheid. Eiser is die dag in Duitsland aangehouden/staandegehouden en is diezelfde dag overdragen aan de Koninklijke Marechaussee aan de Nederlands-Duitse grens. Voor zover eiser meent dat hij ten onrechte vanuit Duitsland naar Nederland is overgedragen is dit een beslissing geweest van de Duitse autoriteiten en zal hij tegen die beslissing rechtsmiddelen moeten aanwenden. De rechtbank stelt vast dat eiser na overname van de Duitse autoriteiten is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Niet is gebleken dat verweerder niet de bevoegdheid heeft gehad om eiser op die grond op te houden. De beroepsgrond slaagt niet.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

6. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.




6.1.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.




6.2.
Eiser stelt zich op het standpunt dat niet duidelijk is welke noodzakelijke gegevens van eiser voor de behandeling van zijn asielaanvraag nog nodig zijn en dat deze bovendien ook in vrijheid door eiser kunnen worden overgelegd. Deze grondslag kan daarom volgens eiser de maatregel van bewaring niet dragen.



6.3.

De rechtbank stelt vast dat eiser de bewaringsgronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011). De beroepsgrond slaagt daarom niet.


Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?

7. Eiser voert aan dat verweerder, nu hij alle documentatie ten aanzien van zijn asielaanvraag heeft overhandigd, had moeten volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling.




7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.



7.2.

Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de niet bestreden gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit voornoemde gronden en motivering, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat sprake is van een onderduikrisico. Zoals onder 5.1. is overwogen is eiser, terwijl hem een vrijheidsbeperkende maatregel was opgelegd, illegaal naar Duitsland vertrokken. Eiser heeft daarnaast geen persoonlijke of medische omstandigheden aangevoerd die verweerder aanleiding hadden moeten geven om een lichter middel op te leggen dan inbewaringstelling. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen


9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.