Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22814
2026-07-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.34875
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, gronden niet betwist, voortvarend handelen, beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2022:727 Raad van State 10-03-2022
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.958 tekens)
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer NL26.34875
Zittingsplaats Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.2. In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2 Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser* een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Procesverloop
4. Met het bestreden besluit van 23 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
5. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.3
6. Verweerder heeft op 29 juni 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.
7. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
8. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat er concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Verordening (EU) 2024/1351. Verder staat in deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
9. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
10. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
11. De vreemdeling heeft eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft
gegeven;
De vreemdeling niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
De vreemdeling in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
p. De vreemdeling zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
10. De rechtbank stelt vast dat eiser de bewaringsgronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en
3 Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Handelt verweerder voldoende voortvarend?
11. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend aan zijn overdracht heeft gewerkt. Hij is op 29 juni 2026 aan de autoriteiten van Duitsland overgedragen. Gelet op het feit dat er sprake was van een geplande inbewaringstelling, kan volgens eiser niet worden ingezien waarom verweerder er vier werkdagen over heeft gedaan om zijn overdracht te bewerkstelligen. Er is niet gebleken van bijzondere medische of individuele omstandigheden die aan een eerdere overdracht in de weg stonden. Daarnaast benadrukt eiser dat uit de jurisprudentie van de Afdeling ten aanzien van voortvarend handelen volgt dat de bewaring zo kort mogelijk moet duren.
11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Zij overweegt daartoe dat, zoals ook blijkt uit het claim akkoord, een overdracht naar Duitsland ten minste drie werkdagen vergt. Verder blijkt uit het dossier dat de datum van de overdracht tevens de uiterste datum van de overdrachtstermijn was. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk dat verweerder minder voortvarend dan strikt noodzakelijk aan de overdracht heeft gewerkt, nu verweerder dan zelf het risico zou lopen dat de termijn niet zou worden gehaald. Dat eiser één werkdag langer in bewaring heeft gezeten dan de minimumeis van de Duitse autoriteiten, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in de uitspraak van 10 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:727, de Afdeling een termijn van 9 dagen geen overschrijding van de redelijkerwijs noodzakelijke termijn heeft geacht. Nu eiser slechts zes dagen in bewaring heeft doorgebracht, is naar het oordeel van de rechtbank van een dergelijke overschrijding geen sprake.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
13. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer NL26.34875
Zittingsplaats Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.2. In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
2 Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser* een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Procesverloop
4. Met het bestreden besluit van 23 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
5. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.3
6. Verweerder heeft op 29 juni 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.
7. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
8. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat er concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Verordening (EU) 2024/1351. Verder staat in deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
9. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
10. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
11. De vreemdeling heeft eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft
gegeven;
De vreemdeling niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
De vreemdeling in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
p. De vreemdeling zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
10. De rechtbank stelt vast dat eiser de bewaringsgronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en
3 Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Handelt verweerder voldoende voortvarend?
11. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend aan zijn overdracht heeft gewerkt. Hij is op 29 juni 2026 aan de autoriteiten van Duitsland overgedragen. Gelet op het feit dat er sprake was van een geplande inbewaringstelling, kan volgens eiser niet worden ingezien waarom verweerder er vier werkdagen over heeft gedaan om zijn overdracht te bewerkstelligen. Er is niet gebleken van bijzondere medische of individuele omstandigheden die aan een eerdere overdracht in de weg stonden. Daarnaast benadrukt eiser dat uit de jurisprudentie van de Afdeling ten aanzien van voortvarend handelen volgt dat de bewaring zo kort mogelijk moet duren.
11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Zij overweegt daartoe dat, zoals ook blijkt uit het claim akkoord, een overdracht naar Duitsland ten minste drie werkdagen vergt. Verder blijkt uit het dossier dat de datum van de overdracht tevens de uiterste datum van de overdrachtstermijn was. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk dat verweerder minder voortvarend dan strikt noodzakelijk aan de overdracht heeft gewerkt, nu verweerder dan zelf het risico zou lopen dat de termijn niet zou worden gehaald. Dat eiser één werkdag langer in bewaring heeft gezeten dan de minimumeis van de Duitse autoriteiten, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat in de uitspraak van 10 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:727, de Afdeling een termijn van 9 dagen geen overschrijding van de redelijkerwijs noodzakelijke termijn heeft geacht. Nu eiser slechts zes dagen in bewaring heeft doorgebracht, is naar het oordeel van de rechtbank van een dergelijke overschrijding geen sprake.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
13. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
06 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.