Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22812
2026-06-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.30305
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, artikel 59a, gronden betwist, lichter middel, voortvarend handelen, ongegrond.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RVS:2014:2813 Raad van State 14-07-2014
- ECLI:NL:RVS:2020:829 Raad van State 25-03-2020
- ECLI:NL:RVS:2015:674 Raad van State 23-02-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:1309 Raad van State 10-04-2015
- ECLI:EU:C:2014:1320
- ECLI:NL:RVS:2019:1162 Raad van State 11-04-2019
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.281 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30305
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van den Burg).
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toegekend verzoek om een voorlopige voorziening
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat door het toewijzen van het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorziening de bewaring niet langer proportioneel is. Eiser stelt daartoe dat de werking van het overdrachtsbesluit is opgeschort, en verweerder tot de behandeling van zijn beroep tegen zijn overdracht geen uitzettingshandelingen kan verrichten. Omdat de bewaring zo kort mogelijk moet duren, is eiser dan ook van mening dat onder deze omstandigheden de maatregel niet (langer) gerechtvaardigd is.
2. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is een overdrachtsbesluit geen voorwaarde voor de bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Dit volgt bijvoorbeeld uit de uitspraak van 14 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2813). Dat er schorsende werking aan het overdrachtsbesluit is toegekend tast de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel daarom niet aan. De beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hij stelt hierbij dat het enkele feit dat hij, in het kader van zware grond 3a, zonder documenten naar Nederland is gekomen onvoldoende is om een risico op onttrekking aan te tonen. Daarnaast stelt eiser onder meer dat verweerder in het kader van zware grond 3e onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt met het doel een voordeel te verkrijgen. Eiser verklaard in dat verband in Kroatië slechts andere gegevens op te hebben gegeven omdat hij enkele dagen zijn medicatie niet had ingenomen en zich daardoor niet goed voelde. Bovendien stelt eiser dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de registratie van zijn gegevens in Kroatië mogelijk onjuist of onder druk tot stand is gekomen, gelet op zijn verklaringen over mishandeling in Kroatië.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de motivering van onder meer de zware gronden 3a en 3e kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Niet in geschil is dat eiser zonder documenten, en dus niet op de voorgeschreven wijze, Nederland is binnengekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Ten aanzien van zware grond 3e overweegt de rechtbank dat ook deze grond zich feitelijk voordoet, nu uit het door verweerder ingestelde Eurodac-onderzoek is gebleken dat eiser in Kroatië andere gegevens heeft opgegeven dan hier in Nederland. Dat eiser ten tijde van de registratie van die gegevens zich niet goed zou hebben gevoeld in verband met zijn medicatie, doet aan die feitelijke juistheid niet af. Verder overweegt de rechtbank dat in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling eiser geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die verweerder aanleiding hadden moeten geven om nader onderzoek te verrichten of de gegevens in Kroatië onjuist of onder dwang zijn geregistreerd.
6. De zware gronden 3a en 3e, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige door eiser betwiste gronden behoeven derhalve geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel en individuele belangenafweging
7. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Hij meent dat verweerder bij het opleggen van de maatregel onvoldoende zijn individuele omstandigheden heeft betrokken, waaronder zijn lopende beroep, zijn feitelijke beschikbaarheid voor de autoriteiten, en zijn medische en psychische gesteldheid. Eiser stelt hierbij in het bijzonder dat de maatregel bestaat uit standaardmatige overwegingen die onvoldoende zijn toegespitst op zijn individuele situatie.
8. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat verweerder in de maatregel voldoende is ingegaan op de individuele situatie van eiser, met name zijn medische problematiek en suïcidaliteit. Daarbij zijn de behandelingsmogelijkheden en de aanwezige medische zorg in detentie uitgebreid toegelicht. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hij in verband met zijn psychische gesteldheid detentieongeschikt is, volgt de rechtbank dit niet. Zij betrekt bij dit oordeel de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1162). Zoals de Afdeling in die uitspraak heeft overwogen, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij detentieongeschikt is, en niet aan verweerder om het tegendeel te bewijzen. Verder is van detentieongeschiktheid pas sprake als vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg niet toereikend is, of de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, dan wel wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door een gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Wat eiser heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een van deze omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
10. Eiser betoogt dat ook het voortvarend handelen door verweerder ontbreekt. Hij stelt in dat verband dat nu de werking van het overdrachtsbesluit is geschorst, verweerder geen uitzettingshandelingen kan verrichten. Het is daarom niet mogelijk voor verweerder om stappen te zetten om een zo kort mogelijk durende maatregel te waarborgen.
11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit het dossier blijkt dat voor eiser, voorafgaand aan de toewijzing van zijn verzoek om een voorlopige voorziening, reeds een vlucht was gepland. Dat deze vlucht vanwege de geschorste werking van het overdrachtsbesluit moest worden geannuleerd, maakt niet dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Wel heeft verweerder de plicht om in de periode dat de overdracht niet kan plaatsvinden zijn best te doen het beroep van eiser zo spoedig mogelijk plaats te laten vinden. De rechtbank stelt vast dat eisers beroep binnen een relatief korte periode, namelijk op 17 juni 2026, op zitting zal worden behandeld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
12. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30305
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van den Burg).
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toegekend verzoek om een voorlopige voorziening
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat door het toewijzen van het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorziening de bewaring niet langer proportioneel is. Eiser stelt daartoe dat de werking van het overdrachtsbesluit is opgeschort, en verweerder tot de behandeling van zijn beroep tegen zijn overdracht geen uitzettingshandelingen kan verrichten. Omdat de bewaring zo kort mogelijk moet duren, is eiser dan ook van mening dat onder deze omstandigheden de maatregel niet (langer) gerechtvaardigd is.
2. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is een overdrachtsbesluit geen voorwaarde voor de bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Dit volgt bijvoorbeeld uit de uitspraak van 14 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2813). Dat er schorsende werking aan het overdrachtsbesluit is toegekend tast de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel daarom niet aan. De beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hij stelt hierbij dat het enkele feit dat hij, in het kader van zware grond 3a, zonder documenten naar Nederland is gekomen onvoldoende is om een risico op onttrekking aan te tonen. Daarnaast stelt eiser onder meer dat verweerder in het kader van zware grond 3e onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt met het doel een voordeel te verkrijgen. Eiser verklaard in dat verband in Kroatië slechts andere gegevens op te hebben gegeven omdat hij enkele dagen zijn medicatie niet had ingenomen en zich daardoor niet goed voelde. Bovendien stelt eiser dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de registratie van zijn gegevens in Kroatië mogelijk onjuist of onder druk tot stand is gekomen, gelet op zijn verklaringen over mishandeling in Kroatië.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de motivering van onder meer de zware gronden 3a en 3e kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Niet in geschil is dat eiser zonder documenten, en dus niet op de voorgeschreven wijze, Nederland is binnengekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Ten aanzien van zware grond 3e overweegt de rechtbank dat ook deze grond zich feitelijk voordoet, nu uit het door verweerder ingestelde Eurodac-onderzoek is gebleken dat eiser in Kroatië andere gegevens heeft opgegeven dan hier in Nederland. Dat eiser ten tijde van de registratie van die gegevens zich niet goed zou hebben gevoeld in verband met zijn medicatie, doet aan die feitelijke juistheid niet af. Verder overweegt de rechtbank dat in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling eiser geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die verweerder aanleiding hadden moeten geven om nader onderzoek te verrichten of de gegevens in Kroatië onjuist of onder dwang zijn geregistreerd.
6. De zware gronden 3a en 3e, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige door eiser betwiste gronden behoeven derhalve geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel en individuele belangenafweging
7. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Hij meent dat verweerder bij het opleggen van de maatregel onvoldoende zijn individuele omstandigheden heeft betrokken, waaronder zijn lopende beroep, zijn feitelijke beschikbaarheid voor de autoriteiten, en zijn medische en psychische gesteldheid. Eiser stelt hierbij in het bijzonder dat de maatregel bestaat uit standaardmatige overwegingen die onvoldoende zijn toegespitst op zijn individuele situatie.
8. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat verweerder in de maatregel voldoende is ingegaan op de individuele situatie van eiser, met name zijn medische problematiek en suïcidaliteit. Daarbij zijn de behandelingsmogelijkheden en de aanwezige medische zorg in detentie uitgebreid toegelicht. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hij in verband met zijn psychische gesteldheid detentieongeschikt is, volgt de rechtbank dit niet. Zij betrekt bij dit oordeel de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1162). Zoals de Afdeling in die uitspraak heeft overwogen, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij detentieongeschikt is, en niet aan verweerder om het tegendeel te bewijzen. Verder is van detentieongeschiktheid pas sprake als vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg niet toereikend is, of de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, dan wel wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door een gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. Wat eiser heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een van deze omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
10. Eiser betoogt dat ook het voortvarend handelen door verweerder ontbreekt. Hij stelt in dat verband dat nu de werking van het overdrachtsbesluit is geschorst, verweerder geen uitzettingshandelingen kan verrichten. Het is daarom niet mogelijk voor verweerder om stappen te zetten om een zo kort mogelijk durende maatregel te waarborgen.
11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit het dossier blijkt dat voor eiser, voorafgaand aan de toewijzing van zijn verzoek om een voorlopige voorziening, reeds een vlucht was gepland. Dat deze vlucht vanwege de geschorste werking van het overdrachtsbesluit moest worden geannuleerd, maakt niet dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Wel heeft verweerder de plicht om in de periode dat de overdracht niet kan plaatsvinden zijn best te doen het beroep van eiser zo spoedig mogelijk plaats te laten vinden. De rechtbank stelt vast dat eisers beroep binnen een relatief korte periode, namelijk op 17 juni 2026, op zitting zal worden behandeld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
12. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.