Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22810
2026-07-29
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.39641
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, ophouding, gronden bestreden, lichter middel, zicht op uitzetting en voortvarend handelen, ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2021:134 Raad van State 25-01-2021
- ECLI:NL:RVS:2013:CA0625 Raad van State 17-05-2013
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.005 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39641
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 15 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.1.
Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
3.2.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Grondslag van de ophouding
4. Eiser stelt dat zijn ophouding onrechtmatig is geweest omdat deze heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, terwijl zijn identiteit bekend moet zijn geweest nadat hij strafrechtelijk is heengezonden. De identiteit van eiser stond dus al vanaf het begin vast en een ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw was dan ook een onnodige en onrechtmatige vorm van vrijheidsontneming, zo stelt eiser.
4.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van 25 januari 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2021:134, blijkt dat bij de ophouding van een vreemdeling de tijdens de niet-vreemdelingrechtelijke aanhouding verkregen identiteitsgegevens als uitgangspunt mogen worden genomen. Dit betekent echter niet dat die identiteit in het verdere verloop van de procedure als onomstotelijk vaststaand moet worden beschouwd. Tijdens de ophouding beschikte eiser niet over enig identiteitsdocument, zodat verweerder de bevoegdheid had om eiser met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw op te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
5.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.2.
Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hij stelt dat de a) grond hem ten onrechte is tegengeworpen, omdat hij niet wist dat hij Nederland binnen zou reizen toen hij begon aan zijn reis met de mensensmokkelaars die hem naar het Verenigd Koninkrijk zouden brengen. Het kan eiser dan ook niet worden tegengeworpen dat hij Nederland op onrechtmatige wijze is binnengekomen. Ten aanzien van grond e) stelt eiser dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij zich heeft ontdaan van zijn reis- en identiteitsdocumenten, nu deze zijn ingenomen door mensensmokkelaars. Ten aanzien van de overige gronden stelt eiser zich op het standpunt dat die omstandigheden inherent zijn aan de omstandigheden waarin hij Nederland is binnengekomen, en niet bijdragen aan het daadwerkelijke risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
5.3.
Ten aanzien van de a) grond staat vast dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser heeft er zelf voor gekozen om de controle over zijn reis naar het Verenigd Koninkrijk uit handen te geven. De stelling dat hij niet wist dat die reis via Nederland zou zijn en dat hij Nederland op onrechtmatige wijze zou binnenkomen, komt dan ook voor zijn rekening en risico. Ten aanzien van de e) grond overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (vergelijk onder meer de uitspraak van 17 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0625, r.o. 7.1.) volgt dat het afstaan van reis- en identiteitsdocumenten aan een reisagent voor rekening en risico van de vreemdeling komt, tenzij aannemelijk is gemaakt dat dit onder dwang is gebeurd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn documenten onder dwang aan de mensensmokkelaars heeft afgegeven.
5.4.
De gronden a en e, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een onderduikrisico bestaat. De overige bestreden gronden behoeven gezien het voorgaande geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Beoordeling van het beginsel van non-refoulement
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het risico op refoulement dat hij loopt bij terugkeer niet voldoende door verweerder is beoordeeld. Hij verwijst naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647, Adrar).
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het risico op refoulement voldoende in de maatregel overwogen. Zoals verweerder naar voren heeft gebracht, heeft eiser tijdens het gehoor van 15 juli 2026 aangegeven geen vrees te hebben voor de autoriteiten of een mogelijke onmenselijke behandeling in de lidstaten die in de maatregel zijn genoemd. De beroepsgrond slaagt niet. Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
7. Eiser stelt dat niet deugdelijk is gemotiveerd dat voor hem zicht op overdracht bestaat danwel dat verweerder voortvarend werkt aan zijn overdracht. Hij stelt hiertoe dat uit de maatregel niet blijkt naar welke lidstaat hij moet worden overgedragen en dat verweerder geen stappen heeft genomen om hem naar enige lidstaat over te dragen.
7.1.
De rechtbank overweegt dat in de maatregel is weergegeven dat er concrete aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351) voor de landen Italië, Roemenië, Duitsland en Oostenrijk. Het is geen vereiste dat ten tijde van de inbewaringstelling reeds vaststaat naar welke lidstaat eiser moet worden overgedragen. Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 16 juli 2026 een kennisgeving van terugname heeft verstuurd aan Italië. Naar het oordeel van de rechtbank is geen aanleiding voor de veronderstelling dat eiser niet binnen afzienbare tijd zal worden overgedragen of dat verweerder geen concrete stappen onderneemt ten behoeve van eisers overdracht. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
8. Eiser voert aan dat verweerder toepassing had moeten geven aan een lichter middel dan inbewaringstelling, gelet op zijn psychische klachten. Zo had verweerder ook kunnen volstaan met een meldplicht
8.1.
Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit voornoemde gronden en motivering, zoals reeds in 5.4. overwogen, blijkt dat er een onderduikrisico is. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over zijn medische klachten, geeft geen aanleiding de bewaring onevenredig te achten. De gestelde psychische klachten zijn kenbaar bij het opleggen van de maatregel betrokken. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eiser is medegedeeld dat hij te allen tijde een beroep kan doen op de medische en/of psychische zorg zolang hij is ingesloten op een politie locatie en op het medische team dat aanwezig is in het detentiecentrum. Verder is niet gebleken van andere omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39641
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 15 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.1.
Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
3.2.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Grondslag van de ophouding
4. Eiser stelt dat zijn ophouding onrechtmatig is geweest omdat deze heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, terwijl zijn identiteit bekend moet zijn geweest nadat hij strafrechtelijk is heengezonden. De identiteit van eiser stond dus al vanaf het begin vast en een ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw was dan ook een onnodige en onrechtmatige vorm van vrijheidsontneming, zo stelt eiser.
4.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van 25 januari 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2021:134, blijkt dat bij de ophouding van een vreemdeling de tijdens de niet-vreemdelingrechtelijke aanhouding verkregen identiteitsgegevens als uitgangspunt mogen worden genomen. Dit betekent echter niet dat die identiteit in het verdere verloop van de procedure als onomstotelijk vaststaand moet worden beschouwd. Tijdens de ophouding beschikte eiser niet over enig identiteitsdocument, zodat verweerder de bevoegdheid had om eiser met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw op te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
5.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.2.
Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hij stelt dat de a) grond hem ten onrechte is tegengeworpen, omdat hij niet wist dat hij Nederland binnen zou reizen toen hij begon aan zijn reis met de mensensmokkelaars die hem naar het Verenigd Koninkrijk zouden brengen. Het kan eiser dan ook niet worden tegengeworpen dat hij Nederland op onrechtmatige wijze is binnengekomen. Ten aanzien van grond e) stelt eiser dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij zich heeft ontdaan van zijn reis- en identiteitsdocumenten, nu deze zijn ingenomen door mensensmokkelaars. Ten aanzien van de overige gronden stelt eiser zich op het standpunt dat die omstandigheden inherent zijn aan de omstandigheden waarin hij Nederland is binnengekomen, en niet bijdragen aan het daadwerkelijke risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
5.3.
Ten aanzien van de a) grond staat vast dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser heeft er zelf voor gekozen om de controle over zijn reis naar het Verenigd Koninkrijk uit handen te geven. De stelling dat hij niet wist dat die reis via Nederland zou zijn en dat hij Nederland op onrechtmatige wijze zou binnenkomen, komt dan ook voor zijn rekening en risico. Ten aanzien van de e) grond overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (vergelijk onder meer de uitspraak van 17 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0625, r.o. 7.1.) volgt dat het afstaan van reis- en identiteitsdocumenten aan een reisagent voor rekening en risico van de vreemdeling komt, tenzij aannemelijk is gemaakt dat dit onder dwang is gebeurd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn documenten onder dwang aan de mensensmokkelaars heeft afgegeven.
5.4.
De gronden a en e, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een onderduikrisico bestaat. De overige bestreden gronden behoeven gezien het voorgaande geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Beoordeling van het beginsel van non-refoulement
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het risico op refoulement dat hij loopt bij terugkeer niet voldoende door verweerder is beoordeeld. Hij verwijst naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647, Adrar).
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het risico op refoulement voldoende in de maatregel overwogen. Zoals verweerder naar voren heeft gebracht, heeft eiser tijdens het gehoor van 15 juli 2026 aangegeven geen vrees te hebben voor de autoriteiten of een mogelijke onmenselijke behandeling in de lidstaten die in de maatregel zijn genoemd. De beroepsgrond slaagt niet. Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
7. Eiser stelt dat niet deugdelijk is gemotiveerd dat voor hem zicht op overdracht bestaat danwel dat verweerder voortvarend werkt aan zijn overdracht. Hij stelt hiertoe dat uit de maatregel niet blijkt naar welke lidstaat hij moet worden overgedragen en dat verweerder geen stappen heeft genomen om hem naar enige lidstaat over te dragen.
7.1.
De rechtbank overweegt dat in de maatregel is weergegeven dat er concrete aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351) voor de landen Italië, Roemenië, Duitsland en Oostenrijk. Het is geen vereiste dat ten tijde van de inbewaringstelling reeds vaststaat naar welke lidstaat eiser moet worden overgedragen. Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 16 juli 2026 een kennisgeving van terugname heeft verstuurd aan Italië. Naar het oordeel van de rechtbank is geen aanleiding voor de veronderstelling dat eiser niet binnen afzienbare tijd zal worden overgedragen of dat verweerder geen concrete stappen onderneemt ten behoeve van eisers overdracht. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
8. Eiser voert aan dat verweerder toepassing had moeten geven aan een lichter middel dan inbewaringstelling, gelet op zijn psychische klachten. Zo had verweerder ook kunnen volstaan met een meldplicht
8.1.
Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit voornoemde gronden en motivering, zoals reeds in 5.4. overwogen, blijkt dat er een onderduikrisico is. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over zijn medische klachten, geeft geen aanleiding de bewaring onevenredig te achten. De gestelde psychische klachten zijn kenbaar bij het opleggen van de maatregel betrokken. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat eiser is medegedeeld dat hij te allen tijde een beroep kan doen op de medische en/of psychische zorg zolang hij is ingesloten op een politie locatie en op het medische team dat aanwezig is in het detentiecentrum. Verder is niet gebleken van andere omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.