Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22808

2026-06-17 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.30763
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-17
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.30763
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring, artikel 59b, lichter middel, ongegrond.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.563 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.30763


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van den Burg).




Procesverloop


Bij besluit van 1 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen



Presentatie van eiser aan de Algerijnse autoriteiten



1. Eiser betoogt dat verweerder hem op 13 mei 2026 niet had mogen presenteren aan de Algerijnse autoriteiten, omdat de uitkomst van zijn asielaanvraag in verband met zijn hoger beroepsprocedure nog niet in rechte vast is komen te staan. Eiser stelt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5547, dat verweerder hiermee voor hem een onaanvaardbaar risico in het leven heeft geroepen. Als gevolg hiervan meent eiser dat het handelen van verweerder in strijd is geweest met het beginsel van effectieve rechtsbescherming en het beginsel van non-refoulement.

2. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In de door eiser aangehaalde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het niet is toegestaan om een vreemdeling in persoon te presenteren “voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het door de vreemdeling ingestelde beroep” (overweging 6.1). Volgens de Afdeling kan een dergelijke presentatie verstrekkende en onomkeerbare gevolgen hebben en daarmee in strijd zijn met het beginsel van non-refoulement en de doeltreffendheid van het rechtsmiddel. Het risico dat bij een presentatie in persoon in strijd zou kunnen worden gehandeld met het beginsel van non-refoulement, en daarmee ook de doeltreffendheid van het rechtsmiddel niet kan worden gegarandeerd, is naar het oordeel van de Afdeling dusdanig groot, dat de presentatie in persoon niet mag plaatsvinden voordat de rechter de afwijzing van de asielaanvraag in beroep heeft getoetst. De Afdeling overweegt ook dat een vreemdeling in de meeste gevallen pas wordt gepresenteerd nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan (overweging 6.3).

3. De Afdeling verwijst daarbij naar het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) (19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465). Daarin is geoordeeld dat de bescherming die op het gebied van terugkeerbesluiten en eventuele verwijderingsbesluiten besloten ligt in het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het beginsel van non-refoulement, moet worden verzekerd door een recht op een doeltreffend beroep met van rechtswege schorsende werking bij ten minste één rechterlijke instantie.

4. Uit deze jurisprudentie volgt dus niet dat een vreemdeling pas aan de autoriteiten van zijn vermoedelijke land van herkomst mag worden gepresenteerd na de uitspraak van de Afdeling in hoger beroep. Beroep bij de rechtbank is voldoende. Ten tijde van de presentatie van eiser op 13 mei 2026 was zijn beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag (NL25.39290 ) door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, op 2 december 2025 ongegrond verklaard. De hogerberoepsprocedure was aanhangig bij de Afdeling, maar van schorsende werking ten aanzien het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit was toen geen sprake meer. Eiser was dus uitzetbaar en verweerder was bevoegd uitzettingshandelingen te verrichten, waaronder het presenteren van eiser aan de autoriteiten van Algerije.

5. De rechtbank is dus van oordeel dat verweerder door eiser op 13 mei 2026 te presenteren niet heeft gehandeld in strijd met het beginsel van effectieve rechtsbescherming of het beginsel van non-refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.



De bewaringsgronden



6. Verweerder heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw (b-grond) en op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw (c-grond). De rechtbank zal eerst de rechtmatigheid van de b-grond toetsen en daarna de rechtmatigheid van de c-grond.



De maatregel op de b-grond



7. Verweerder stelt zich ten aanzien van de b-grond op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van de asielaanvraag, met name omdat er sprake is van een risico op onttrekking. Verweerder heeft hierbij, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:


3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.


8. Eiser voert aan dat de zware gronden 3c en 3d ten onrechte aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Daarnaast betoogt eiser dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw niet aan de maatregel ten grondslag kan liggen, nu verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft welke noodzakelijke gegevens van eiser nu nog vereist zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Eiser merkt daarbij op dat de motivering van de maatregel in het algemeen vooral lijkt te zijn gericht op zijn vertrek, en niet op de behandeling van zijn aanvraag.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a, 3b, en 3i, en de lichte gronden 4a, 4b, 4c, en 4d, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. De lichte grond 4d heeft verweerder ter zitting laten vallen. De onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011). Een verdere motivering van de gegevens die voor eisers asielaanvraag noodzakelijk zijn is daarom niet vereist. Gelet op het voorgaande behoeven de betwiste zware gronden 3c en 3d geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.



De maatregel op de c-grond



10. Ten aanzien van de c-grond stelt verweerder dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

11. Eiser betoogt dat de c-grond ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Hij stelt daartoe dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn asielaanvraag louter is ingediend om zijn uitzetting te belemmeren. Eiser wijst erop dat hij tijdens het vertrekgesprek van 24 april 2026 reeds heeft aangegeven dat hij, als het door hem ingestelde hoger beroep tegen de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag ongegrond zou worden verklaard, met zijn asieladvocaat wilde overleggen over de mogelijkheid om op basis van nieuwe stukken een opvolgende asielaanvraag in te dienen. Volgens eiser hangt de timing van zijn aanvraag, die is ingediend op de dag na de uitspraak in hoger beroep van 20 mei 2026, samen met dit overleg en met de vertaling van aanvullende stukken. Eiser benadrukt daarbij dat hij zijn nieuwe asielaanvraag heeft onderbouwd met stukken die hij niet eerder heeft kunnen overleggen.

12. De rechtbank overweegt dat voldoende bewaringsgronden aanwezig zijn om de maatregel te dragen omdat verweerder de bewaring op de b-grond kon baseren. Toch zal de rechtbank, op verzoek van eiser, een oordeel geven over de toepassing van deze bewaringsgrond. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat eiser de asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen en is de c-grond dus onvoldoende gemotiveerd (het zijn cumulatieve vereisten).

13. In de maatregel staat hierover: “nu betrokkene wederom een asielaanvraag heeft ingediend, op het moment dat hij te horen heeft gekregen dat zijn hoger beroep is afgewezen, is het vermoeden dat hij dit louter en alleen heeft gedaan om zijn uitzetting te ontwijken, belemmeren of frustreren (p. 6).”

14. De rechtbank overweegt dat eiser weliswaar meerdere asielaanvragen heeft gedaan in Nederland, maar zijn asielmotieven één keer inhoudelijk zijn beoordeeld (vanwege de Dublinprocedure). Daarmee is voldaan aan de eerste twee vereisten voor toepassing van de c-grond, maar nog niet aan de derde. Eiser heeft tijdens een vertrekgesprek op 24 april 2026 in een vertrekgesprek gezegd dat hij nieuwe bewijzen heeft aangeleverd en dat hij hoopt dat de hoge rechter deze nieuwe bewijzen meeneemt (p. 1). De Afdeling heeft het hoger beroep op 20 mei 2026 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RVS:2026:2817). Eiser heeft dit tijdens het eerste daaropvolgende vertrekgesprek op 21 mei 2026 te horen gekregen en heeft toen gevraagd of hij tijd heeft om met de advocaat in overleg te gaan (p. 1). Op 27 mei 2026 heeft hij een nieuwe asielaanvraag ingediend. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 6 juni 2026 heeft hij 5 stukken overlegd die volgens hem nieuw waren. In het licht hiervan heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank met de enkele verwijzing naar de timing van de nieuwe asielaanvraag onvoldoende gemotiveerd dat zijn herhaalde asielaanvraag louter is ingediend om zijn uitzetting te frustreren. Dat de onderbouwing van een nieuwe asielaanvraag niet doorslaggevend is en dat eiser de stukken waarvan hij zegt dat ze nieuw zijn nog niet had ingediend toen de maatregel werd opgelegd, maakt dit niet anders (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4753, overweging 5.1).



Lichter middel



15. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Hij voert daarbij aan dat hij zich voor lange periodes beschikbaar heeft gehouden voor verweerder en heeft meegewerkt aan de presentatie aan de Algerijnse autoriteiten.


16. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het risico van onttrekking, zoals reeds overwogen in 6., blijkt uit de gronden in de maatregel en in het bijzonder dat eiser op 10 november 2021 en 9 april 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Dat eiser zich nu wel enige tijd beschikbaar heeft gehouden en heeft meegewerkt aan zijn presentatie, doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond slaagt niet.




Zicht op uitzetting



18. Eiser betoogt ten slotte dat verweerder ten onrechte heeft opgenomen dat voor eiser zicht op uitzetting bestaat omdat hij zou beschikken over een geldig paspoort. Dit is volgens eiser niet het geval.

19. Voor een bewaring op de asielgrond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw, is zicht op uitzetting geen voorwaarde. Verweerder hoefde dit dus niet te motiveren en de rechtbank zal dit verder ook buiten beschouwing laten.



Ambtshalve toetsing



20. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.



Conclusie en gevolgen



21. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing
De rechtbank:



verklaart het beroep ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.