Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22792
2026-08-12
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.11366
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Weigering verblijfsvergunning regulier, middelenvereiste, middelen van bestaan, studiefinanciering en studiebeurs en bijdrage schoonouders terecht niet meegerekend, waarde garantiestellingsovereenkomst, beroep ongegrond
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2010:117
- ECLI:EU:C:2019:830
- ECLI:NL:RVS:2011:BU6102 Raad van State 18-11-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.020 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11366
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar partner [persoon 1] (referent). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2003 en is Amerikaans staatsburger. Op 15 maart 2024 heeft zij een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] ’.
4. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 mei 2024 afgewezen. Eiseres voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarden voor verlening. Eiseres voldoet namelijk niet aan de voorwaarde dat zij 21 jaar of ouder is en zij heeft ook niet aangetoond dat zij voldoet aan het middelenvereiste. In het besluit is ook vermeld dat dit besluit tevens geldt als terugkeerbesluit.
5. Met het besluit van 30 mei 2024 is vervolgens aan eiseres wel een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘studie’, geldig van 1 september 2024 tot 30 november 2027.
6. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 mei 2024. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Omdat eiseres inmiddels de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, is die afwijzingsgrond vervallen. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat het terugkeerbesluit niet meer op eiseres van toepassing is. De rechtbank leest daarin dat verweerder het terugkeerbesluit van 28 mei 2024 heeft herroepen.
7. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij vindt dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij niet aan het middelenvereiste voldoet. Zij doet daarbij een beroep op de arresten Chakroun en X. Eiseres stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zij bij haar schoonouders inwoont. Zij heeft een garantstellingsovereenkomst overgelegd die eiseres, referent en de schoonouders met elkaar op 25 juni 2024 hebben gesloten, en waaruit de intentie van de schoonouders blijkt om financieel garant de staan voor alle kosten van levensonderhoud indien en voor zover deze kosten niet door eiseres en referent zelf gedragen kunnen worden.
8. De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, [persoon 2] als tolk, referent, tevens bijgestaan door zijn ouders en zus, en de gemachtigde van verweerder.
9. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
10. Het middelenvereiste is neergelegd in artikel 3.22, eerste lid, van het Vb. Hieruit volgt dat een verblijfsvergunning slechts wordt verleend, indien de referent duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft overwogen dat referent niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. De rechtbank gaat daarbij uit van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit. Dit wordt ook wel de ‘toetsing ex tunc’ genoemd.
11. De middelen van bestaan zijn in ieder geval voldoende, indien de som van de inkomensbestanddelen, genoemd in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb, ten minste gelijk is aan het minimumloon, zoals omschreven in deze bepaling.
12. Verweerder heeft terecht overwogen dat referent op het moment waarop het bestreden besluit werd genomen niet beschikte over voldoende middelen van bestaan. Dat heeft verweerder met de door hem gemaakte berekening in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Verweerder heeft in die berekening rekening gehouden met het door eiseres in bezwaar overgelegde overzicht van inkomsten en uitgaven. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in elk geval de tweede berekening in het bestreden besluit klopt. Verweerder heeft de door eiseres opgevoerde inkomsten uit studiefinanciering terecht niet meegerekend bij de inkomsten. Verweerder heeft terecht overwogen dat studiefinanciering uit publieke middelen wordt betaald en daarom niet als middel van bestaan in de zin van het Vb kan worden aangemerkt. Dit volgt ook uit de jurisprudentie van de Afdeling. Ook de studiebeurs is niet meegenomen als inkomsten, omdat verweerder ervan uitgaat dat deze beurs is bedoeld voor het dekken van studiekosten en verweerder er op basis van het door eiseres overgelegde overzicht van uitgaat dat deze ook aan studiekosten is besteed. Uit de berekening van verweerder blijkt overigens dat, ook als de studiebeurs zou zijn meegenomen, het saldo van inkomsten en uitgaven nog steeds negatief zou zijn. Verweerder heeft er in het betreden besluit voldoende blijk van gegeven dat hij rekening heeft gehouden met alle relevante financiële en persoonlijke omstandigheden zoals bedoeld in het arrest Chakroun en het arrest X.
13. Verweerder heeft terecht ook geen rekening gehouden met de gestelde omstandigheid dat de schoonouders van eiseres structureel de vaste woonlasten voldoen en ook financieel bijspringen waar dat nodig is. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat alleen betalingen die (reeds een jaar) daadwerkelijk structureel worden gedaan, kunnen worden meegenomen in de beoordeling van de individuele situatie en dat daarvan in dit geval geen sprake is. Over de garantstellingsovereenkomst heeft verweerder terecht overwogen dat daaraan niet de waarde kan worden toegekend die eiseres daaraan toegekend wenst te zien. De overeenkomst is in algemene bewoordingen geformuleerd en daaruit volgen geen structurele en duurzame betalingen. Bovendien heeft verweerder terecht overwogen dat de garantstelling niet direct afdwingbaar is.
14. Verweerder heeft op basis van het voorgaande terecht aangenomen dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste en dat niet uitgesloten kan worden dat er op termijn een beroep wordt gedaan op de openbare kas.
15. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen.
Proceskosten
16. Eiseres heeft nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft besloten om de door haar in de bezwaarfase gemaakte proceskosten niet te vergoeden. Eiseres stelt dat verweerder in het herroepen van het opgelegde terugkeerbesluit aanleiding had moeten zien om de proceskosten te vergoeden.
17. Dat een bestuursorgaan na een bezwaarschrift overgaat tot herroeping van een besluit, wil niet zonder meer zeggen dat er recht bestaat op een vergoeding van gemaakte proceskosten. De rechtbank dient te beoordelen of de herroeping is voortgekomen uit onrechtmatigheid én of deze onrechtmatigheid aan het bestuursorgaan te wijten is.
18. In dit geval is het opgelegde terugkeerbesluit herroepen omdat eiseres ná het opgelegde terugkeerbesluit alsnog een verblijfsrecht heeft gekregen. Met het besluit van 30 mei 2024 is aan eiseres namelijk met ingang van 1 september 2024 een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘studie’. Van die situatie was nog geen sprake toen het terugkeerbesluit op 28 mei 2024 werd opgelegd. Het besluit van 28 mei 2024 bevatte dus terecht een terugkeerbesluit. Van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid is geen sprake. Het verzoek om vergoeding van de gemaakte proceskosten is in het bestreden besluit om die reden terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 augustus 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 3.14 van het Vreemdelingenbesluit 2000, zoals dat gold tot 12 juni 2026 (Vb).
Artikel 3.22 van het Vb.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117.
Arrest van het HvJEU van 3 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:830.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6102.
Dit volgt uit artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11366
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar partner [persoon 1] (referent). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2003 en is Amerikaans staatsburger. Op 15 maart 2024 heeft zij een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] ’.
4. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 mei 2024 afgewezen. Eiseres voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarden voor verlening. Eiseres voldoet namelijk niet aan de voorwaarde dat zij 21 jaar of ouder is en zij heeft ook niet aangetoond dat zij voldoet aan het middelenvereiste. In het besluit is ook vermeld dat dit besluit tevens geldt als terugkeerbesluit.
5. Met het besluit van 30 mei 2024 is vervolgens aan eiseres wel een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘studie’, geldig van 1 september 2024 tot 30 november 2027.
6. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 mei 2024. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Omdat eiseres inmiddels de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, is die afwijzingsgrond vervallen. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat het terugkeerbesluit niet meer op eiseres van toepassing is. De rechtbank leest daarin dat verweerder het terugkeerbesluit van 28 mei 2024 heeft herroepen.
7. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij vindt dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij niet aan het middelenvereiste voldoet. Zij doet daarbij een beroep op de arresten Chakroun en X. Eiseres stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zij bij haar schoonouders inwoont. Zij heeft een garantstellingsovereenkomst overgelegd die eiseres, referent en de schoonouders met elkaar op 25 juni 2024 hebben gesloten, en waaruit de intentie van de schoonouders blijkt om financieel garant de staan voor alle kosten van levensonderhoud indien en voor zover deze kosten niet door eiseres en referent zelf gedragen kunnen worden.
8. De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, [persoon 2] als tolk, referent, tevens bijgestaan door zijn ouders en zus, en de gemachtigde van verweerder.
9. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
10. Het middelenvereiste is neergelegd in artikel 3.22, eerste lid, van het Vb. Hieruit volgt dat een verblijfsvergunning slechts wordt verleend, indien de referent duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft overwogen dat referent niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. De rechtbank gaat daarbij uit van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit. Dit wordt ook wel de ‘toetsing ex tunc’ genoemd.
11. De middelen van bestaan zijn in ieder geval voldoende, indien de som van de inkomensbestanddelen, genoemd in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb, ten minste gelijk is aan het minimumloon, zoals omschreven in deze bepaling.
12. Verweerder heeft terecht overwogen dat referent op het moment waarop het bestreden besluit werd genomen niet beschikte over voldoende middelen van bestaan. Dat heeft verweerder met de door hem gemaakte berekening in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Verweerder heeft in die berekening rekening gehouden met het door eiseres in bezwaar overgelegde overzicht van inkomsten en uitgaven. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in elk geval de tweede berekening in het bestreden besluit klopt. Verweerder heeft de door eiseres opgevoerde inkomsten uit studiefinanciering terecht niet meegerekend bij de inkomsten. Verweerder heeft terecht overwogen dat studiefinanciering uit publieke middelen wordt betaald en daarom niet als middel van bestaan in de zin van het Vb kan worden aangemerkt. Dit volgt ook uit de jurisprudentie van de Afdeling. Ook de studiebeurs is niet meegenomen als inkomsten, omdat verweerder ervan uitgaat dat deze beurs is bedoeld voor het dekken van studiekosten en verweerder er op basis van het door eiseres overgelegde overzicht van uitgaat dat deze ook aan studiekosten is besteed. Uit de berekening van verweerder blijkt overigens dat, ook als de studiebeurs zou zijn meegenomen, het saldo van inkomsten en uitgaven nog steeds negatief zou zijn. Verweerder heeft er in het betreden besluit voldoende blijk van gegeven dat hij rekening heeft gehouden met alle relevante financiële en persoonlijke omstandigheden zoals bedoeld in het arrest Chakroun en het arrest X.
13. Verweerder heeft terecht ook geen rekening gehouden met de gestelde omstandigheid dat de schoonouders van eiseres structureel de vaste woonlasten voldoen en ook financieel bijspringen waar dat nodig is. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat alleen betalingen die (reeds een jaar) daadwerkelijk structureel worden gedaan, kunnen worden meegenomen in de beoordeling van de individuele situatie en dat daarvan in dit geval geen sprake is. Over de garantstellingsovereenkomst heeft verweerder terecht overwogen dat daaraan niet de waarde kan worden toegekend die eiseres daaraan toegekend wenst te zien. De overeenkomst is in algemene bewoordingen geformuleerd en daaruit volgen geen structurele en duurzame betalingen. Bovendien heeft verweerder terecht overwogen dat de garantstelling niet direct afdwingbaar is.
14. Verweerder heeft op basis van het voorgaande terecht aangenomen dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste en dat niet uitgesloten kan worden dat er op termijn een beroep wordt gedaan op de openbare kas.
15. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen.
Proceskosten
16. Eiseres heeft nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft besloten om de door haar in de bezwaarfase gemaakte proceskosten niet te vergoeden. Eiseres stelt dat verweerder in het herroepen van het opgelegde terugkeerbesluit aanleiding had moeten zien om de proceskosten te vergoeden.
17. Dat een bestuursorgaan na een bezwaarschrift overgaat tot herroeping van een besluit, wil niet zonder meer zeggen dat er recht bestaat op een vergoeding van gemaakte proceskosten. De rechtbank dient te beoordelen of de herroeping is voortgekomen uit onrechtmatigheid én of deze onrechtmatigheid aan het bestuursorgaan te wijten is.
18. In dit geval is het opgelegde terugkeerbesluit herroepen omdat eiseres ná het opgelegde terugkeerbesluit alsnog een verblijfsrecht heeft gekregen. Met het besluit van 30 mei 2024 is aan eiseres namelijk met ingang van 1 september 2024 een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘studie’. Van die situatie was nog geen sprake toen het terugkeerbesluit op 28 mei 2024 werd opgelegd. Het besluit van 28 mei 2024 bevatte dus terecht een terugkeerbesluit. Van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid is geen sprake. Het verzoek om vergoeding van de gemaakte proceskosten is in het bestreden besluit om die reden terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 augustus 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 3.14 van het Vreemdelingenbesluit 2000, zoals dat gold tot 12 juni 2026 (Vb).
Artikel 3.22 van het Vb.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117.
Arrest van het HvJEU van 3 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:830.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6102.
Dit volgt uit artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.