Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22771
Inhoudsindicatie
Aan eiser is eerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. Vervolgens heeft hij jarenlang in Nederland vastgezeten voor het plegen van een strafbaar feit. Na zijn vrijlating in 2025 heeft hij direct opnieuw asiel aangevraagd, omdat de Taliban op 15 augustus 2021 de macht hebben overgenomen in Afghanistan en omdat hij als christen en vanwege zijn afkomst (etniciteit) en voormalige werkzaamheden bij het Afghaanse ministerie voor Staatsveiligheid, de Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (WAD), vreest dat hij zal worden vervolgd door de Taliban. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de gestelde Hazara etniciteit en de gestelde afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom, terecht ongeloofwaardig geacht. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister niet afdoende heeft gemotiveerd dat de geloofwaardig geachte asielmotieven, zijnde de Tadzjiekse etniciteit, de werkzaamheden voor de voormalige WAD en het langdurig verblijf in het westen, ook in samenhang bezien, voor eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade vormen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand te laten omdat dat minister in het verweerschrift en ter zitting alsnog genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom de geloofwaardige asielmotieven ook in samenhang bezien voor eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade opleveren.
Citeert (10)
- ECLI:NL:RVS:2020:3017 Raad van State 16-12-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:3017 Raad van State 16-12-2020
- ECLI:NL:RVS:2022:2758 Raad van State 26-09-2022
- ECLI:EU:C:2018:296
- ECLI:NL:RVS:2024:4649 Raad van State 20-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2026:1181 Raad van State 04-03-2026
- ECLI:EU:C:2012:744
- ECLI:EU:C:2024:892
- ECLI:NL:RVS:2015:1336 Raad van State 24-04-2015
- ECLI:NL:RVS:2026:161 Raad van State 13-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (131.230 tekens)
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1530
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Akkaya),
en
de minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).
Procesverloop
Bij besluit van 8 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarbij is de ongewenstverklaring opgeheven en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Verder is een besluit tot signalering van 10 jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft als zaaknummer NL26.1531.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. De voorzitter van de meervoudige kamer heeft gelijktijdig ook het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.N. Izadkhast (tolkennummer 2781). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Samenvatting en leeswijzer
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister niet afdoende heeft gemotiveerd dat de geloofwaardig geachte asielmotieven, ook in samenhang bezien, voor eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade vormen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand te laten omdat dat minister in het verweerschrift en ter zitting alsnog genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom de geloofwaardige asielmotieven ook in samenhang bezien voor eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade opleveren. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten.
De rechtbank zet hierna eerst de voorgeschiedenis van deze procedure uiteen (1), gevolgd door een weergave van de asielmotieven van eiser (2), het standpunt van de minister (3) en de beroepsgronden van eiser (4). De beoordeling van de rechtbank volgt vanaf 5. De rechtbank bespreekt eerst de vraag of eiser nieuwe elementen en bevindingen aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd (5). Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de asielmotieven moeten leiden tot schorsing van het terugkeerbesluit en vernietiging van het zware inreisverbod (6). De rechtbank zet in rechtsoverwegingen 6.1. t/m 6.5. het beoordelingskader uiteen. Onder 7 en 8 behandelt de rechtbank de niet geloofwaardig geachte asielmotieven. De geloofwaardig geachte asielmotieven komen in de rechtsoverwegingen 9 t/m 14 aan bod. Rechtsoverweging 15 gaat over de kennelijke ongegrondverklaring van eisers asielaanvraag. Onder 16 bespreekt de rechtbank het beroep van eiser op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank oordeelt dat de minister niet afdoende heeft gemotiveerd dat de geloofwaardig geachte asielmotieven ook in samenhang bezien voor eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade vormen (17). Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal echter de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand laten. Zij legt in rechtsoverweging 18 uit wat haar redenen daarvoor zijn.
Voorgeschiedenis
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1964 en van Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 28 januari 1996 aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Bij besluit van 21 mei 1996 is de aanvraag ingewilligd en is eiser toegelaten als vluchteling. Deze vergunning is per 1 april 2001 op grond van het overgangsrecht aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 (zie artikel 115, zevende lid, van de Vw 2000 zoals dat destijds op 1 april 2001 gold en luidde).
1.1.
Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft de minister eisers verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Daarbij is geen risico aangenomen op schending van artikel 3 van het EVRM. Het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, bij uitspraak van 18 november 2009 (zaak nr. 08/32046) ongegrond verklaard. Deze uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 18 juni 2010 (zaaknr. 200909822/1/V3) bevestigd. Hiermee staat het oordeel dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is rechtens vast.
1.2.
Eiser is bij uitspraak van de meervoudige kamer van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 12 mei 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren en een geldbedrag van € 240,37 wegens medeplegen van moord (artikel 298 WvSr en artikel 47 lid 1 aanhef sub 1 WvSr).
1.3.
Bij besluit van 2 mei 2011 is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000. Eiser heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen deze beslissing.
1.4.
Eiser is op 8 april 2025 vrijgekomen uit detentie en heeft direct een opvolgende aanvraag gedaan om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 8 januari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw 2000. Dit besluit ligt thans ter toetsing voor.
De asielmotieven
2. Eiser vraagt opnieuw asiel aan omdat de Taliban op 15 augustus 2021 de macht hebben overgenomen in Afghanistan en omdat hij als christen en vanwege zijn afkomst en voormalige werkzaamheden bij het Afghaanse ministerie voor Staatsveiligheid, de Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (WAD), vreest dat hij zal worden vervolgd door de Taliban.
2.1.
Eiser was toen hij voor de WAD werkte verantwoordelijk voor de veiligheid op de luchthaven. Eiser heeft dat werk met genoegen gedaan. Hij heeft zijn land gediend en is nooit betrokken geweest bij moord of marteling. Tijdens zijn werk op de luchthaven waren daar ook mensen werkzaam die tegen de toenmalige regering waren, aanhangers van de Taliban of de Mujaheddin. Er waren veel spionnen. Eisers foto en gegevens staan nog steeds ergens in het archief en zo kunnen ze hem makkelijk traceren.
2.2.
Eiser heeft verklaard dat hij zich vanaf zijn zestiende aangetrokken voelde tot het christendom. Daarvoor beschouwde hij zichzelf als moslim, maar hield hij zich niet bezig met religieuze praktijken en geloofde hij niet in God. Eiser is naar eigen zeggen beïnvloed door zijn oom [oom], die kritisch was over de islam en hem stimuleerde zelfstandig na te denken en zijn eigen weg te zoeken. Zijn oom, die in Rusland had gestudeerd en zich tot het christendom had bekeerd, sprak met eiser over het christendom en de waarden van vrijheid en gelijkwaardigheid. Dit maakte volgens eiser dat hij zich meer aangetrokken voelde tot het christendom dan tot de islam. Eiser heeft verklaard dat zijn oom uiteindelijk door de Mujaheddin is vermoord nadat zij achter diens religieuze overtuiging waren gekomen. Eiser verbleef op dat moment in Rusland.
2.3.
Toen eiser 16 jaar oud was, zijn zijn ouders vermoord door de Taliban. Zijn vader was Tadzjiek en zijn moeder was Hazara. De vader van eiser is door de Mujaheddin vermoord vanwege zijn afkomst. De moeder van eiser moest daarna van alles doen om rond te komen en toen hebben ze haar beschuldigd van spionage en is zij opgehangen. Door de dood van zijn ouders wilde eiser niets meer te maken hebben met de islam. Zijn overtuiging is toen veranderd. Uit angst hetzelfde lot te ondergaan als zijn ouders is eiser van Mazar-i-Sharif naar Kabul vertrokken. In Kabul was het ook niet veilig. Ook daar voelde hij zich niet veilig en kon hij niet openlijk afstand nemen van de islam.
2.4.
Na de dood van zijn ouders is eiser met toestemming van zijn familie naar een internaat in Rusland gegaan. Tijdens zijn verblijf aldaar werd hij volgens eigen zeggen geholpen door een kerk die door zijn oom was benaderd. De kerk bood hem begeleiding, eten en kleding en hielp hem bij het afkicken van zijn drugsverslaving. Eiser heeft verklaard dat deze ervaringen hebben bijgedragen aan zijn verdere ontwikkeling richting het christendom.
2.5.
Iedere zondag ging eiser naar de kerk. Die kerk behoort tot dezelfde stroming als de Zuiderkerk in Middelburg die eiser thans in Nederland bezoekt, namelijk een katholieke kerk. Zijn oom behoorde tot de katholieke stroming en vandaar dat eiser deze richting heeft gekozen. Voor eiser persoonlijk maakt het niet zoveel uit. Eiser denkt dat katholieken iets vrijer zijn en dat protestanten iets strenger zijn. Dat is wat hij van zijn oom heeft gehoord. Over de katholieke en protestantse stromingen heeft hij met niemand gepraat of gediscussieerd. Eiser heeft zich in de aanloop naar het moment dat hij zichzelf als christen begon te beschouwen niet verdiept in het christendom. Daar is hij pas recentelijk in Nederland mee begonnen. Eiser is wel in Rusland gedoopt, maar hij kan daar niet meer over vertellen. Hij weet het niet meer.
2.6.
In Rusland werd eiser begeleid door een vrijwilliger, die Alexander heet. Ze staken samen kaarsen aan en luisterden naar de preken van de dominee. Eiser ging vaak mee naar de woning van Alexander om daar te eten. Ze gingen ook samen naar het park en de bioscoop. Hij stelde eiser gerust. Verder begeleidde Alexander hem naar het ziekenhuis of de universiteit. Daarnaast leerde hij eiser iedere zaterdag hoe hij de kerk moest schoon houden.
2.7.
Eiser heeft verder in Rusland een opleiding gevolgd met betrekking tot veiligheid. Na vier jaar verblijf in Rusland is hij teruggekeerd naar Afghanistan en daar aan de slag gegaan op de internationale luchthaven in Kabul. Eiser heeft daar nooit zijn mening over de islam met iemand gedeeld. Alleen een Russische collega met wie hij samenwerkte, wist dat hij christen was en niet meer in de islam geloofde. Eiser dronk ook wodka en at varkensvlees samen met deze collega. Mensen wisten wel dat hij in Rusland gestudeerd had. Eiser had geen baard, ging niet bidden en vasten en ging niet naar de moskee. Eiser ontving van tijd tot tijd een brief waarin stond dat men had gezien dat hij niet naar de moskee ging en niet bad. Ze lieten weten dat hij ‘zakat’ [een bijdrage voor de armen] moest betalen.
2.8.
Eiser is tussen 1996 en 2009 in Nederland in Wijchen naar de kerk gegaan. Hij heeft in Nederland nooit eerder verteld over zijn bekering, omdat hem daar niet naar gevraagd is. Tijdens de vorige procedure ging het over zijn werk in Afghanistan. Vervolgens heeft hij 16 jaar in de gevangenis gezeten. Sinds zijn vrijlating in april 2025 helpt eiser als vrijwilliger mee in de kerk in Middelburg en in een kringloopwinkel/ tweehandskledingwinkel waar hij via de kerk terecht is gekomen. Verder helpt eiser elke donderdag mee in een verpleeghuis. Hij maakt daar schoon en gaat met mensen in rolstoelen naar buiten. Eiser volgt in Middelburg ook Bijbelstudie met een Iraanse vriend en nog een andere man. Als ze met zijn drieën bij elkaar komen hebben ze het over actualiteiten en wat eiser tekort komt en dan gaan ze daarover praten. De Iraanse vriend heeft een beetje de rol van tolk tussen eiser en de Nederlandse man. Eiser leert heel veel van hen en krijgt ook Nederlandse les van hen. Hij vraagt hen over hun privéleven, hun werk en hun familie. Hij stelt hen geen vragen met betrekking tot het geloof. Hij krijgt van de twee mannen informatie over dat je aardig moet zijn voor je buren, geen overspel mag plegen, en niet moet stelen en liegen. Op 21 juli 2025 heeft de Iraanse vriend een toets bij hem afgenomen met betrekking tot zijn kennis over het geloof. Het geeft eiser een fijn gevoel om christen te zijn. Hij voelt zich vrij. Hij kan vrij met God praten en over bepaalde onderwerpen gewoon vragen stellen en discussiëren. Eiser vindt alles leuk aan het christendom. Hoe verder hij komt, hoe aangenamer het leren van de Bijbel wordt.
2.9.
De moord waarvoor eiser heeft vastgezeten in Nederland was een gepland complot tussen twee broers van zijn ex-vrouw, zijn ex-vrouw zelf en haar oom. Zij hebben eiser er ingeluisd. Eiser heeft geen verkeerde dingen gedaan. Hij heeft nooit een vlieg kwaad gedaan. De moordaanslag was in 2009 en eiser is al sinds 2000 weg bij zijn ex-vrouw. Eiser heeft de vriend van zijn ex-vrouw nooit gezien of gekend. Hij heeft niets met diens dood te maken gehad.
2.10.
Eiser heeft medische klachten. Hij is angstig, met name als het donker wordt. Als hij slaapt krijgt hij ineens een aanval en valt hij uit bed. Hij gaat naar een psycholoog en psychiater. Daarnaast heeft eiser last van zijn ogen en artrose. Daarvoor gaat hij naar de fysiotherapeut. Ook heeft eiser vaak hoofdpijn en last van duizeligheid.
Het bestreden besluit
3. De minister stelt vast dat eiser aan zijn opvolgende aanvraag de volgende nieuwe relevante elementen en bevindingen ten grondslag heeft gelegd:
Sinds de laatste procedure is de Taliban aan de macht gekomen in Afghanistan;
Eiser is bekeerd tot het christendom;
Hij behoort tot de Tadzjiekse en Hazara bevolkingsgroep;
Hij heeft in de periode 1987-1992 gewerkt voor de WAD, en vreest daarom bij terugkeer voor de Taliban.
3.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat er geen relevante nieuwe elementen en bevindingen naar voren zijn gebracht die aanleiding geven tot een ander oordeel over de misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht en op grond waarvan hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegenworpen. Gelet hierop blijft het 1(F)-oordeel nog altijd overeind. Hierdoor kan eiser geen aanspraak maken op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.
3.2.
Ten aanzien van de asielmotieven die eiser heeft aangevoerd, waaruit volgens hem blijkt dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan, overweegt de minister als volgt. De identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig geacht, evenals eisers verklaring dat hij van Tadzjiekse afkomst is. Dat eiser werkzaam is geweest voor de WAD wordt eveneens geloofwaardig geacht.
De Hazara etniciteit
3.3.
De door eiser gestelde Hazara etniciteit wordt niet geloofwaardig geacht. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel, waardoor hij niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Eiser heeft in de eerdere asielprocedure op geen enkel moment verklaard dat zijn moeder Hazara was en/of dat zijn etniciteit Hazara is. Hij heeft in de gehele vorige procedure, waarin hij vier verschillende gehoren heeft gehad, enkel verklaard dat de etniciteit van zijn familie/gezin Tadzjiek is. Dit doet sterke afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn huidige verklaring dat zijn etniciteit Hazara is, omdat zijn moeder Hazara was.
3.4.
Bovendien heeft eiser tijdens het eerste gehoor van 28 januari 1996 verklaard dat hij en zijn gezin allemaal de soennitische stroming van het islamitische geloof aanhangen, terwijl Hazara’s hoofdzakelijk aanhangers zijn van de sjiitische stroming van het islamitische geloof. Daarbij is tijdens het eerste gehoor gevraagd naar de personalia van zijn ouders en ondanks dat in dit gehoor niet is gevraagd naar de etniciteit van zijn ouders, heeft eiser niet uit eigen beweging aangegeven dat de afkomst van zijn moeder Hazara is.
3.5.
Verder wordt overwogen dat de ex-echtgenote van eiser tijdens haar nader gehoor van 30 januari 1996 heeft verklaard dat eiser en zijn gezin voornamelijk bang waren voor de bevolkingsgroep Hazara. Dat eiser aan de ene kant zelf tot de Hazara bevolkingsgroep zou behoren, maar aan de andere kant te vrezen had voor diezelfde bevolkingsgroep, doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring dat zijn etniciteit Hazara is.
De afvalligheid en de bekering tot het christendom
3.6.
Naar de mening van de minister vormen eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
Afvalligheid van de islam
3.7.
Allereerst wordt opgemerkt dat eiser in eerdere gehoren heeft verklaard dat hij moslim is. Zo heeft eiser in 2007 verklaard: “Ik heb mijn land gediend, ik heb niemand gedood. Ik heb al eerder gezegd dat ik moslim ben. Ik ben bang voor God.” Deze uitspraak is volledig tegenstrijdig met de uitspraken in zijn gehoor opvolgende aanvraag over dat hij op zijn zestiende, of wellicht eerder, bekeerd zou zijn tot het christendom. Dit doet op voorhand zeer grote afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde afvalligheid en gestelde bekering.
3.8.
Verder heeft eiser inconsistente verklaringen afgelegd over wat zijn situatie was over het al dan niet volgen van een religie voorafgaand aan zijn gestelde bekering. Eiser heeft op verschillende momenten verklaard dat hij niet in de islam geloofde. Zo heeft hij verklaard dat hij nooit bad of vastte en dat hij bijna nooit geloofde. Als hierop wordt doorgevraagd geeft eiser aan dat hij nooit geloofde. Er zijn hierover meerdere vragen gesteld, maar eiser blijft dezelfde antwoorden geven: “Nee. Ik geloofde niet in een God.” En: “Nee, ik heb mij voor mijn zestiende nergens mee beziggehouden.” Verder heeft eiser verklaard dat hij geen mening had over de islam en dat hij zich nooit heeft verdiept in de islam. Uit deze verklaringen volgt dat eiser zich in Afghanistan niet op enige wijze bezighield met de islam of in de islam geloofde.
3.9.
Echter, tijdens hetzelfde gehoor komt uit vele verklaringen van eiser naar voren dat hij wel in de islam geloofde. Zo heeft eiser verklaard dat hij zich afkeerde van de islam, is gestopt met de islam, geen gevoelens meer had voor de islam en niets meer te maken wilde hebben met de islam. Daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn oom [oom] tegen hem vertelde dat hij de islam moest loslaten. Ook heeft eiser verklaard dat collega’s op zijn werk er wellicht achter konden komen dat hij niet meer in de islam geloofde en dat hij waarschijnlijk geen moslim meer was. Uit deze verklaringen valt af te leiden dat er een moment was waarop eiser nog wel geloofde in de islam en dat hij hiervan afgestapt zou zijn. Dit is tegenstrijdig met zijn eerdere verklaringen dat hij nimmer in de islam heeft geloofd.
3.10.
De minister concludeert dat de gestelde afvalligheid van de islam niet geloofwaardig is.
Bekering tot het christendom
3.11
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet duidelijk kan verklaren over zijn motieven en het proces van zijn bekering. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor van 19 februari 1996 verklaard dat zijn vader op 19 oktober 1982 is vermoord en zijn moeder in mei of juni 1983. Tevens heeft eiser tijdens datzelfde gehoor en het 3 EVRM gehoor uit 2004, verklaard dat hij van 1981 tot 1985 in Rusland heeft gestudeerd. Uit deze verklaringen volgt dat eisers ouders zijn vermoord op het moment dat hij zelf al twee jaar in Rusland studeerde.
3.12.
In het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser evenwel verklaard dat hij ná de dood van zijn ouders naar Rusland is gegaan. Deze verklaring is tegenstrijdig met zijn eerdere verklaringen dat zijn ouders zijn vermoord toen hij al in Rusland was. Aangezien eiser tevens heeft verklaard dat deze gebeurtenissen van grote invloed op hem zijn geweest, dat hij na de dood van zijn ouders verslaafd is geraakt aan drugs en door zijn familie naar Rusland is gestuurd, waarna hij in contact kwam met het christendom, doen deze tegenstrijdige verklaringen ernstige afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over zijn motieven en proces van bekering.
3.11.
Verder heeft eiser verklaard dat hij in contact is gekomen met het christendom dankzij zijn oom [oom]. Aan eiser is gevraagd waarom hij zichzelf als christen is gaan zien toen hij met zijn oom sprak. Eiser heeft daarop geantwoord dat dit komt door gesprekken, dat hij zijn oom vertrouwde en dat deze hem vertelde over de gelijkheid tussen man en vrouw. Ook zou eiser volgens zijn oom niet moeten bidden en vasten. Volgens de minister blijkt hieruit niet waarom eiser zichzelf als christen is gaan zien. Gelijkheid tussen man en vrouw is niet een zaak die louter voorbehouden zou zijn aan het christendom. Tevens wordt overwogen dat bidden en vasten ook gebruiken zijn binnen het christendom. Verder heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt waarom hij specifiek het christendom is gaan volgen. Zo heeft eiser verklaard dat hij zich niet verdiept heeft in het christendom, maar dat het christendom hem vrijheid geeft en dat het pad van het christendom makkelijker te volgen is dan de islam. De minister vindt deze verklaringen te algemeen en niet authentiek.
3.12.
Aan eiser is gevraagd wat het voor hem persoonlijk betekent om christen te zijn. Hierop heeft eiser het volgende geantwoord: “Ik krijg een goed gevoel en ik voel me vrij. Ik kan vrij met mijn God praten. Ik mag gewoon over bepaalde onderwerpen vragen stellen en discussiëren. Het gaat niet om wat wel en niet mag. Over dreigementen en martelingen wordt niet gepraat, maar wel over vrijheid.”
Ook hier blijft eiser in algemene termen verklaren over zijn geloofsovertuiging. Eiser maakt op geen enkele manier duidelijk waarom dit wel toepasbaar is op het christendom en niet op de islam. Ook dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn bekering. Er mag van eiser worden verwacht dat hij hier uitgebreider en authentieker over kan verklaren. Het is namelijk een grote verandering in zijn leven en een groot verschil met de Afghaanse maatschappij waarin hij heeft geleefd.
3.13.
Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij kennis heeft van het christelijke geloof en het katholicisme dat hij stelt te volgen. Eiser heeft verklaard dat zijn oom katholiek was en in Rusland heeft gestudeerd. Eiser heeft tevens verklaard dat hij als katholiek gedoopt is in Rusland. Aan eiser is de vraag gesteld naar wat voor kerk hij ging, waarop hij heeft geantwoord dat dit een gewone kerk was. Eiser weet niet hoe deze kerk heet en hij kan zich niets meer van zijn doop in deze kerk herinneren. Eiser heeft verklaard dat hij last heeft van geheugenproblemen, maar dat neemt niet weg dat van hem verwacht mag worden dat hij hier meer over kan verklaren. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij in Rusland voor het eerst naar een kerk ging en daar is gedoopt. Dit is een belangrijk moment in zijn bekering. In de correcties en aanvullingen komt eiser hierop terug. Eiser stelt dat er niet veel mensen aanwezig waren bij de ceremonie. Enkel Alexander en een dominee waren aanwezig en eiser kon de dienst niet goed volgen omdat deze in het Russisch was. Allereerst wordt opgemerkt dat eiser in de correcties en aanvullingen niet nader toelicht waarom hij dit tijdens het gehoor niet heeft verklaard. Daarnaast stelt eiser dat er een dominee aanwezig was. Overwogen wordt dat een dominee een voorganger is in een protestantse kerk, terwijl eiser stelt gedoopt te zijn als katholiek. Eisers verklaring dat hij de ceremonie niet goed heeft kunnen volgen door de taalbarrière, is opmerkelijk, omdat eiser op dat moment een opleiding volgde in Rusland en het op zichzelf onwaarschijnlijk is dat eiser zich laat dopen tot een geloof, terwijl hij niet weet wat er tijdens deze doop gezegd wordt. De correctie hierover wordt daarom niet gevolgd.
3.14.
Verder is aan eiser gevraagd wat de stroming is van de kerk in Rusland. Volgens eiser is dat dezelfde stroming als zijn kerk in Nederland, de Zuiderkerk in Middelburg. Eiser kan niet uit zichzelf aangeven welke stroming zijn kerk in Rusland en zijn kerk in Nederland hebben. Pas wanneer de hoormedewerker eiser voorbeelden geeft (orthodox, protestant, katholiek) verklaart eiser dat hij in Rusland een katholieke kerk bezocht en dat zijn kerk in Nederland dit ook zou zijn. Dit is feitelijk onjuist. De Zuiderkerk in Middelburg behoort tot de Gereformeerde Gemeenten, een orthodox (protestants) georiënteerde kerkgemeenschap. De verklaring dat zijn kerk in Rusland en in Nederland dezelfde stroming hebben, doet daarom verdere afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn bekering.
3.15.
Eiser kan verder niet verklaren over de verschillen tussen het protestantisme en katholicisme. Eiser heeft verklaard dat hij denkt dat katholieken iets vrijer zijn en protestanten strenger. Als eiser als katholiek gedoopt is in Rusland mag van hem verwacht worden dat hij verschillen merkt met een gereformeerde kerk in Nederland. Bovendien heeft eiser aangegeven dat hij in de kerk in Rusland een kruisje sloeg. Het ligt in de lijn der verwachting dat het eiser opvalt dat dit tijdens een protestantse kerkdienst niet gebeurt. Dat eiser feitelijk onjuiste antwoorden aflegt over zijn kerkelijke gezindte en de stroming van zijn kerkgemeente weegt in het nadeel van de geloofwaardigheid van zijn bekering.
3.16.
Met betrekking tot de activiteiten merkt de minister op dat eiser heeft verklaard dat hij in de periode tussen 1996 en 2009 een kerk in Wijchen bezocht, maar dat hij de naam van die kerk niet meer weet. Deze verklaring wordt ongeloofwaardig geacht, omdat eiser in 2007 nog verklaarde moslim te zijn.
3.17.
Verder heeft eiser verklaard dat hij sinds zijn vrijlating uit de gevangenis in 2025 de kerk is gaan bezoeken en activiteiten heeft ondernomen. Eiser heeft roosters meegestuurd waaruit blijkt dat hij in de kerk te vinden is voor verschillende activiteiten, waarvan sommigen met het geloof te maken hebben. Overwogen wordt dat eiser middels deze activiteiten voor de kerk in Nederland niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is bekeerd tot het christendom. Zo heeft eiser onder meer verklaard: “Als wij met zijn drieën bijeen komen hebben we het over actualiteiten en wat ik tekortkom en dan gaan we daarover praten. Die Iraanse man heeft een beetje de rol van tolk tussen mij en de Nederlandse man. Ik leer ook veel. De manier waarop zij praten en hoe zij mijn vragen beantwoorden. Daar leer ik veel van. Wij doen alle drie hetzelfde. We gaan samen zitten. We doen alles een beetje samen.” Deze verklaringen zijn algemeen van aard. Als hierop doorgevraagd wordt geeft eiser aan dat hij geen vragen stelt over religie, maar dat hij vragen stelt over het werk en privéleven van zijn gesprekspartners. Middels eisers verklaringen over zijn activiteiten maakt hij zodoende niet aannemelijk dat hij hieraan deelneemt met een diepgewortelde overtuiging. Bovendien weegt eisers deelname aan de activiteiten niet op tegen zijn gebrekkige verklaringen over zijn motief, proces en kennis.
3.18.
Eiser heeft bij de zienswijze een aantal mails en een WhatsApp-bericht overgelegd. Die mails zijn afkomstig van G. Pul van de kerk in Arnhem van 29 november 2025, L. Roeleveld, scriba Gereformeerde gemeente Arnhem van 2 december 2025, J. Harthoorn, begeleider, en P. Jobse, voorzitter van de evangelisatiecommissie Middelburg-Zuid van 5 december 2025, en P. Kramer, koster van de Gereformeerde Gemeente Arnhem van 9 december 2025. Het WhatsApp-bericht is afkomstig van de heer G. Pul van de kerk in Arnhem. Tevens heeft eiser WhatsApp-gesprekken met de groep ‘Church’ en met de Bijbelstudiegroep overgelegd. Volgens eiser blijkt hieruit dat hij actief wordt meegenomen in de communicatie van de kerk en dat hij actief betrokken is. Uit deze berichten blijkt volgens eiser ook dat hij leesmateriaal toegestuurd krijgt en dat hij in de leerfase over het geloof zit. Voorts stelt eiser dat hij regelmatig de kerk bezoekt, dat hij meedoet aan Bijbellessen en informatieavonden en dat hij vrijwilligerswerk doet.
3.19.
Hoewel waarde gehecht kan worden aan verklaringen van derden, ligt het zwaartepunt binnen de beoordeling van de bekering volgens de minister bij de antwoorden die eiser geeft over zijn eigen ervaringen en zijn persoonlijke beleving. Op grond hiervan mag van eiser verwacht worden dat hij duidelijke en consistente verklaringen aflegt over de gestelde bekering. Eiser heeft echter op geen enkel punt geloofwaardige, authentieke en/of consistente verklaringen afgelegd. Daarbij acht de minister van belang nogmaals op te merken dat eiser tijdens zijn asielprocedure bij de IND in 2007 heeft verklaard dat hij moslim is en in zijn eerste procedure op geen enkel moment heeft verklaard dat hij zou zijn bekeerd tot het christendom. Dit in tegenstelling tot zijn verklaring uit het gehoor opvolgende aanvraag, waarin hij heeft verklaard dat hij op zijn zestiende (dat zou betekenen in 1980) is bekeerd tot het christendom. Deze tegenstrijdigheid weegt zeer zwaar in eisers nadeel, los van de overige overwegingen welke in zijn nadeel worden meegewogen.
3.20.
Uit de overgelegde verklaringen van derden blijkt dat eiser vrijwilligerswerk doet in de kerk, dat hij Bijbellessen volgt en dat hij naar de kerk gaat. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hieraan deelneemt met een diepgewortelde overtuiging. Uit eisers verklaringen blijkt immers dat hij tijdens deze activiteiten amper praat over het geloof, maar eerder over alledaagse bezigheden en persoonlijke situaties. Zodoende kunnen de verklaringen van derden over eisers activiteiten voor de kerk slechts gering in zijn voordeel meewegen. Voorts wordt overwogen dat eisers verklaringen en de verklaringen van derden over zijn activiteiten voor de kerk, niet opwegen tegen zijn tegenstrijdige en niet-concrete verklaringen over zijn motieven en proces van bekering en zijn gebrekkige kennis van het christendom.
3.21.
Eiser wordt ook niet gevolgd in zijn stelling dat zijn bekering tot het christendom is beoordeeld als een kennisexamen over het geloof, terwijl het innerlijke proces en de daadwerkelijke uiting van zijn bekering belangrijker is. Daarbij stelt eiser dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij het verschil niet weet tussen een dominee of pastoor, aangezien in het Farsi geen onderscheid wordt gemaakt tussen de woorden dominee en pastoor. Verder heeft eiser opgemerkt dat hij nog lerende is en daarom geen onderscheid kan maken tussen de kerken in Rusland en Middelburg, of de protestantse- en katholieke kerk. Volgens eiser is een deel van zijn gebrekkige kennis over het geloof te wijten aan het feit dat hij geheugenklachten heeft en inmiddels 61 jaar oud is.
3.22.
Eisers stelling dat het innerlijke proces belangrijk is, wordt door de minister gevolgd. De verklaringen van eiser in dit verband doen evenwel sterk afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn bekering. Verder is het referentiekader van eiser, zoals zijn leeftijd en geheugenproblemen, meegewogen. Dit leidt echter niet tot een verschonend oordeel. Eiser heeft verklaard dat hij reeds rond zijn zestiende jaar is bekeerd tot het christendom. In dat geval mag worden verwacht dat eiser gedegen kennis heeft van het christendom en dat eiser eenduidig, uitgebreid en concreet over zijn bekering kan verklaren, aangezien hij al zo’n 45 jaar het christendom zou aanhangen. Dat eiser hierin niet is geslaagd, komt voor zijn eigen rekening en risico. Dat eiser geheugenproblemen zou hebben leidt niet tot een andere conclusie, aangezien de geloofsovertuiging een zeer belangrijk onderdeel van hem als persoon zou uitmaken en er zodoende van hem verwacht mag worden op dit onderdeel uitgebreid, consistent en concreet te verklaren. Gelet op eisers referentiekader mag van hem verwacht worden dat hij op zijn minst enige kennis heeft over belangrijke aspecten binnen het christendom. Dat eiser bijvoorbeeld niet weet wat er wordt gevierd op Hemelvaart en Pinksteren is terecht in zijn nadeel meegewogen, aangezien dit zeer belangrijke feestdagen zijn binnen het christendom en eiser heeft verklaard dat hij al lange tijd het christelijke geloof aanhangt.
De geloofwaardig geachte asielmotieven
Identiteit, nationaliteit en herkomst
3.23.
Dat eiser uit Afghanistan komt is op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan aan te nemen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij enkel op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Op dit moment is in Afghanistan geen sprake van een situatie waarin eenieder die naar dat land terugkeert automatisch gevaar loopt slachtoffer te worden van een in artikel 3 van het EVRM genoemde verboden behandeling. Dat de Taliban aan de macht is, betekent niet dat eiser enkel daarom al risico loopt op ernstige schade.
Langdurig verblijf in het westen
3.24.
Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan, omdat hij daar lange tijd niet is geweest en daarom kan worden aangezien als een spion. Eiser heeft niet middels gezaghebbende openbare bronnen aangetoond dat personen die lang geleden uit Afghanistan zijn vertrokken, bij terugkeer door de Taliban als zodanig worden aangemerkt. Uit de door de minister geraadpleegde bronnen blijkt niet dat personen die (uit het Westen) terugkeren naar Afghanistan automatisch worden vervolgd door de Taliban of worden aangemerkt als spion. Zo blijkt uit een artikel van de Belgische IND (het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, hierna: CGVS) uit december 2023 dat, ondanks dat er weinig informatie voorhanden is over personen met de Afghaanse nationaliteit die recent uit het Westen zijn teruggekeerd naar Afghanistan, de reactie van de Afghaanse samenleving en de Taliban op personen die terugkeren afhangt van de individuele omstandigheden. Volgens het CGVS zijn er geen bronnen bekend waaruit blijkt dat personen die zijn teruggekeerd naar Afghanistan op systematische wijze zijn vervolgd. Uit het rapport van de European Union Agency for Asylum (EUAA) inzake Afghanistan uit december 2023 blijkt bovendien dat de Taliban ‘welwillend’ omgaan met personen die terugkeren naar Afghanistan. Ook uit het meest recente ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan van 16 december 2025 (hierna: ambtsbericht 2025) blijkt dat terugkeerders niet automatisch worden vervolgd of als spion worden aangezien door de Taliban. Over het algemeen proberen de autoriteiten terugkeerders te steunen bij terugkomst, in samenwerking met internationale organisaties.
Tadzjiekse etniciteit
3.25.
Eiser heeft verklaard dat hij bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor de Taliban, omdat hij Tadzjiek is. Uit de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat burgers die in Afghanistan etnisch Tadzjiek zijn, niet zijn aangemerkt als groep die systematisch wordt blootgesteld aan schending van artikel 3 van het EVRM, of een groep die is aangewezen als risicoprofiel. Tevens wordt overwogen dat eiser zijn stelling dat Tadzjieken in Afghanistan regelmatig worden aangehouden, ondervraagd en mishandeld, niet heeft onderbouwd met gezaghebbende openbare bronnen. Nu eiser dit heeft gesteld is het ook aan hem om dit middels bronnen aannemelijk te maken. Daarbij heeft eiser op de vraag wat voor problemen hij als Tadzjiek in Afghanistan heeft ervaren, enkel verklaard dat hij op zijn zestiende, na de dood van zijn ouders, naar Kabul is verhuisd. Eiser heeft verder niet verklaard over concrete problemen of incidenten die zich in Afghanistan hebben voorgedaan, alleen omdat hij Tadzjiek is. Ook in zijn vorige procedure heeft eiser niet verklaard dat hij in Afghanistan concrete problemen heeft ondervonden vanwege zijn Tadzjiekse etniciteit, ondanks dat hij in de periode 1985-1996 in meerdere plaatsen in Afghanistan heeft verbleven. In het nader gehoor van 19 februari 1996 heeft eiser bovendien niet verklaard dat hij uit Afghanistan vertrokken is omdat hij Tadzjiek is. Eiser heeft enkel verklaard dat hij Afghanistan heeft verlaten vanwege de werkzaamheden die hij heeft verricht. Dit doet sterke afbreuk aan het realiteitsgehalte van de door hem gestelde vrees voor de Taliban, omdat hij Tadzjiek is. Thans word overwogen dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat er concrete aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat hij door individuen, groepen en/of de machthebbers in Afghanistan wordt gezocht vanwege zijn Tadzjiekse afkomst.
Werkzaamheden voor de WAD
3.26.
Eisers verklaring dat hij werkzaam is geweest voor de WAD wordt geloofwaardig geacht, maar de vrees die eiser hieraan ontleent wordt niet geloofwaardig geacht. Uit de Vc 2000 volgt niet dat burgers die in het verleden voor de WAD hebben gewerkt, zijn aangemerkt als groep die systematisch wordt blootgesteld aan schending van artikel 3 van het EVRM, of een groep die is aangewezen als risicoprofiel. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat er concrete aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat hij door individuen, groepen en/of de machthebbers in Afghanistan gezocht wordt. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij vanwege zijn voormalige werkzaamheden voor de WAD te vrezen heeft voor de Taliban, omdat bekend is dat de Taliban zich richten op ex-overheidsmedewerkers. In het ambtsbericht inzake Afghanistan van 16 december 2025 is opgenomen dat voormalige medewerkers van de Islamitische Republiek Afghanistan (ANDSF) soms het slachtoffer werden van wraakacties (al was hierbij geen sprake van een centraal beleid vanuit de Taliban). Eiser is nimmer werkzaam geweest voor de ANDSF, maar voor de (communistische) Republiek Afghanistan in de periode 1987-1992. Eisers punt dat de Taliban zich (soms) richt op ex-overheidsmedewerkers is zodoende niet op hem van toepassing. Eiser heeft zijn stelling dat de Taliban zich richt op ex-overheidsmedewerkers van de (communistische) Republiek Afghanistan niet met gezaghebbende bronnen onderbouwd.
Kennelijk ongegrond
3.27.
De aanvraag is volgens de minister kennelijk ongegrond. Dat is gebaseerd op artikel 30b, eerste lid, onder g, Vw 2000. Er is namelijk sprake van een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard.
Terugkeerbesluit
3.28.
Bij beschikking van 2 mei 2011 is al een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd dat nog steeds geldt.
De ongewenstverklaring wordt opgeheven
3.29.
De ongewenstverklaring staat in rechte vast. Omdat de Terugkeerrichtlijn in werking is getreden wordt de ongewenstverklaring opgeheven en wordt aan eiser een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar. Dit volgt uit artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
Inreisverbod voor de duur van 10 jaar
3.30.
Bij besluit van 8 augustus 2008 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ingetrokken. Die intrekking staat in rechte vast. Dit heeft aanleiding gegeven te onderzoeken of aan eiser een inreisverbod opgelegd kan worden. In artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 staat dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten als hij een gevaar vormt voor de openbare orde, openbare veiligheid of de nationale veiligheid. In artikel 66a, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt bepaald dat in een dergelijk geval een inreisverbod dient te worden uitgevaardigd. Naar nationaal recht kan derhalve bepaald worden dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en dat tegen hem een inreisverbod kan worden uitgevaardigd.
Actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde
3.31.
Het opleggen van een inreisverbod voor de duur van 10 jaar is in dit geval gerechtvaardigd om redenen van openbare orde ter bescherming van de fundamentele waarden van de samenleving en de internationale rechtsorde, voorkomen van schade aan internationale betrekkingen, het behoud van de sociale samenhang, het publieke vertrouwen in het rechtsbedelings- en immigratiesysteem en de geloofwaardigheid van de inzet van Nederland voor de bescherming van de fundamentele waarden in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Misdrijven en gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag vormen namelijk een ernstige aantasting van de in deze artikelen genoemde fundamentele waarden.
3.32.
Geconcludeerd wordt dat eiser nog altijd een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Bij die beoordeling zijn de volgende elementen betrokken:
De 1(F)-vaststelling, waarbij ook moet worden betrokken de aard en de ernst van de verweten misdrijven en gedragingen;
De mate waarin de vreemdeling persoonlijk betrokken was bij de misdrijven en gedragingen;
Het eventueel bestaan van gronden van uitsluiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid;
Het feit of de vreemdeling al dan niet strafrechtelijk is veroordeeld;
Het tijdsverloop sinds het (vermoede) plegen van het misdrijf;
Hoe de vreemdeling zich nadien heeft gedragen.
Ad a. Bij onherroepelijk besluit van 8 augustus 2008 is artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag aan eiser tegengeworpen. Eiser is in de periode 1987 – 1992 als officier werkzaam geweest voor de WAD. Hij is in verband gebracht met marteling en buitengerechtelijke executies. De genoemde misdrijven zijn gepleegd op wijdverbreide schaal of als deel van een stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking. De misdrijven zijn derhalve aangemerkt als oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Dit zijn zeer ernstige misdrijven die, indien zij hier te lande zouden zijn gepleegd, de rechtsorde aanzienlijk zouden hebben geschokt. De misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht, worden ook internationaal gezien als zeer ernstige misdrijven.
Ad b. In het besluit van 8 augustus 2008 is aan eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen, waarbij zowel knowing als personal participation is vastgesteld, een conclusie die sinds de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2010 in rechte vast staat. Er is gemotiveerd uiteengezet dat eiser als kapitein en majoor werkzaam is geweest voor de Kandak Amniat-e Sarandoy Meydan (politie beveiligingsbataljon van de luchthaven), een eenheid die onder de WAD viel. Tevens is gemotiveerd uiteengezet dat eiser tijdens zijn carrière bij de WAD twee keer is bevorderd. Eiser heeft niet kunnen aantonen dat hij, in weerwil van zijn positie als officier binnen de WAD, niet betrokken is geweest bij het arresteren, ondervragen, martelen en executeren van verdachte personen. Er is geen sprake van een significante uitzondering.
Ad c. Eiser wordt verantwoordelijk gehouden voor de genoemde misdrijven, op grond waarvan artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan hem is tegengeworpen, hetgeen in rechte vaststaat. Geconcludeerd is dat eiser voor de genoemde misdrijven verantwoordelijk kan worden gehouden en dat niet is gebleken van gronden van uitsluiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Ad d. Eiser is tot heden niet strafrechtelijk veroordeeld voor de misdrijven waarvoor hij verantwoordelijk wordt gehouden. Er heeft ook nooit strafrechtelijke vervolging van zijn persoon plaatsgevonden in Afghanistan. De enkele omstandigheid dat eiser in zijn land van herkomst niet strafrechtelijk veroordeeld is en er geen internationaal arrestatiebevel of Interpol-signalering jegens hem is, zegt echter niets over de ernst van de verweten misdrijven noch over zijn handelen. Dat eiser in Afghanistan niet strafrechtelijk vervolgd is voor de misdrijven waarmee hij in verband wordt gebracht, is immers niet vreemd, omdat de misdrijven uit naam van de destijds zittende regering in Afghanistan zijn gepleegd. Dit punt speelt derhalve geen rol bij de beoordeling of eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daarbij wordt ten overvloede nog overwogen dat binnen het strafrecht sprake is van een ander toetsingskader dan in het bestuursrecht. Dat eiser nooit strafrechtelijk verantwoordelijk is gehouden voor zijn handelen, betekent dus niet dat er bestuursrechtelijk geen consequenties (kunnen) worden verbonden aan de gedragingen waarmee hij in verband wordt gebracht.
Ad e. De misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht zijn gepleegd in de periode 1987-1992, zo’n 33-38 jaar geleden. Het gaat hier om oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Overwogen wordt dat aan het tijdsverloop op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toekomt. Tijdsverloop speelt vooral een rol bij de vraag of eiser zijn leven na het plegen van de misdrijven waarmee hij in verband wordt gebracht aantoonbaar en duurzaam heeft verbeterd. Tevens wordt overwogen dat er weliswaar een lange periode is verstreken sinds de verweten geweldsmisdrijven, maar dat het fundamentele belang van de samenleving dat beschermd dient te worden in deze gevallen niet alleen het voorkomen van recidive is. De bedreiging voor die belangen bestaat namelijk in eisers aanwezigheid op het grondgebied van Nederland. Tijdsverloop maakt die bedreiging niet minder actueel.
De misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht betreffen ernstige misdrijven die in strijd zijn met de in artikel 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties genoemde beginselen en doelstellingen. De misdrijven worden derhalve ook internationaal gezien als ernstige misdrijven die naar hun aard lang actueel blijven vanwege de eerdergenoemde fundamentele belangen alsook het voorkomen van maatschappelijke onrust en het belang van de internationale betrekkingen. De ernst van de misdrijven waarmee eiser in verband gebracht wordt maakt dat er, zelfs na een lang tijdsverloop, nog steeds sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging.
Voorts dient onderkend te worden dat ook andere slachtoffers van misdrijven kunnen worden geraakt in hun rechtsgevoel en gevoel van waardigheid en vrijheid door eisers aanwezigheid in Nederland. Indien eiser niet door middel van de tegen hem getroffen maatregel uit de samenleving geweerd zou worden, kunnen gevoelens van onveiligheid worden aangewakkerd. Nederland wenst dan ook geen thuishaven te zijn voor vreemdelingen aan wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Hierdoor kan het sindsdien verstreken tijdsverloop slechts een marginale betekenis hebben.
Ad f. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling is het aan eiser om omstandigheden aan te voeren met betrekking tot zijn gedrag en houding na het plegen van de 1(F)-misdrijven en waaruit volgens hem blijkt dat hij zijn leven na het plegen van die misdrijven aantoonbaar en duurzaam heeft verbeterd. Eiser is op 1 maart 2011 onherroepelijk veroordeeld tot 16 jaren gevangenisstraf vanwege het medeplegen van moord / eerwraak in de periode van 11 april 2009 tot en met 12 april 2009 te Wijchen. Dit weegt zeer zwaar in eisers nadeel. Verder heeft eiser geen argumenten aangedragen dat hij zijn gedrag aantoonbaar of duurzaam heeft verbeterd. Dit blijkt in ieder geval niet uit het feit dat eiser medische beperkingen heeft. Dat eiser geen bekentenis heeft afgelegd in zijn strafzaak in Nederland en er alleen een juridische beoordeling van zijn zaak is geweest, betekent niet dat eiser niet schuldig is aan het misdrijf.
Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser verklaard dat hij vrijwilligerswerk doet. Zo heeft eiser verklaard dat hij meehelpt in een verpleegtehuis en in een kringloop-/ tweedehandskledingwinkel. Deze omstandigheden worden slechts gering in eisers voordeel meegewogen. De werkzaamheden zijn weliswaar vrijwillig van aard, maar hebben op geen enkele manier te maken met de misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht. Middels deze vrijwillige werkzaamheden geeft eiser nog altijd geen rekenschap van zijn daden. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij nog altijd trots is op zijn werkzaamheden voor de WAD. Hij staat nog altijd achter zijn werkzaamheden en heeft daar geen spijt van. Tevens heeft eiser verklaard dat hij in Nederland valselijk beschuldigd is van het medeplegen van moord. Eiser heeft verklaard dat de moord een gepland complot was tussen twee broers van zijn ex-vrouw, zijn ex en haar oom en dat hijzelf geen verkeerde dingen heeft gedaan. Hieruit blijkt dat eiser zijn aandeel in de gepleegde misdrijven nog altijd ontkent. Er is in het geheel niet gebleken van een situatie waarbij eiser zich rekenschap geeft van zijn daden, verantwoording aflegt of verantwoording neemt voor zijn daden of oprecht berouw toont. Dit wordt in het nadeel van eiser meegewogen. Dat eiser sinds zijn vrijlating in april 2025 niet meer in aanraking is geweest met justitie, leidt niet tot de conclusie dat hij geen actuele bedreiging (meer) is.
Evenredigheidstoets
3.33.
Verder is beoordeeld of het opleggen van het inreisverbod de evenredigheidstoets kan doorstaan. Er kunnen bijzondere feiten en omstandigheden zijn waardoor geen inreisverbod wordt opgelegd. In het aanvraagformulier en in het gehoor opvolgende aanvraag stelt eiser dat hij last heeft van maculadegeneratie, een oogaandoening. Tevens stelt eiser dat hij last heeft van stoornissen in alcohol-, cannabis-, en opioïde[-gebruik] in remissie heeft. Eiser gebruikt hiervoor verschillende medicatie. Bureau Medische Advisering (BMA) heeft onderzoek gedaan. Uit het medisch advies van 11 november 2025 blijkt dat de therapiemogelijkheden voor de medische klachten in Afghanistan aanwezig zijn. De medisch klachten staan niet in de weg aan het opleggen van het inreisverbod.
Artikel 8 EVRM, gezins- of familieleven
3.34.
Daarnaast wenst eiser in Nederland te verblijven omdat zijn kinderen, te weten zijn dochter Sahar Ishaq, geboren op 18 november 1988, zijn zoon Said Shoaib Ishaq, geboren op 9 oktober 1990, zijn dochter Aria Ishaq, geboren op 28 augustus 1993 en zijn zoon Sjabir Ishaq, geboren op 30 januari 2000, ook in Nederland verblijven. Zijn kinderen hebben allen de Nederlandse nationaliteit. Het uitgangspunt is dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden wordt geoordeeld dat het opleggen van een inreisverbod strijdig is met het recht op het uitoefenen van familie- of gezinsleven zoals dat voortvloeit uit artikel 8 van het EVRM. De kinderen van eiser hebben alle vier de volwassen leeftijd bereikt. In paragraaf B7/3.8 van de Vc 2000 is opgenomen dat tussen meerderjarige kinderen en hun ouders (of andere meerderjarige familieleden) sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties). In eisers geval is niet gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en (één van) zijn kinderen. Zo heeft eiser verklaard dat hij zijn kinderen slechts sporadisch ziet en dat zij geen medische zorg aan hem verlenen. Zodoende is niet gebleken dat eiser in bijzondere mate afhankelijk is van zijn kinderen, of andersom. Geconcludeerd wordt dat artikel 8 van het EVRM niet aan het opleggen van het inreisverbod in de weg staat. De stelling van eiser dat hij door het inreisverbod geen direct (lijfelijk) contact meer zal hebben met zijn kinderen, behalve via telecommunicatiemiddelen, maakt dit niet anders.
Artikel 8 Privéleven
3.35.
Eiser heeft aangevoerd dat hij een sociale binding heeft met Nederland, gelet op zijn band met de kerk en zijn integratie in de Nederlandse samenleving waarin hij al jaren woont. De minister overweegt dat privéleven bestaat uit de optelsom van alle banden die de vreemdeling met Nederland is aangegaan, zoals het spreken van de taal, het volgen van een opleiding, het hebben van (vrijwilligers)werk, het deelnemen aan verenigingsleven, het aangaan van vriendschappen en het aangaan en onderhouden van (familie)relaties. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden is het handhaven van het inreisverbod in strijd met het uitoefenen van het recht op privéleven. In beginsel is het niet onredelijk om van personen die in Nederland privéleven hebben opgebouwd te verlangen dat zij elders nieuw privéleven opbouwen.
Bij de te maken belangenafweging worden onder meer de volgende elementen betrokken: het belang van de Nederlandse Staat, de duur van het verblijf in Nederland, de aard van het verblijfsrecht, de leeftijd waarop de vreemdeling naar Nederland is gekomen, de duur van het verblijf in Nederland ten opzichte van het verblijf in het land van herkomst, bijzonder omstandigheden en invulling op afstand.
Eiser is op 23 september 1964 geboren in Afghanistan. Hij heeft tot 1996 in Afghanistan gewoond. Ten tijde van zijn vertrek was hij 32 jaar oud. In 1996 is eiser Nederland ingereisd en heeft hij een aanvraag om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf ingediend, welke op 21 mei 1996 is ingewilligd. Bij beschikking van 8 augustus 2008 is zijn vergunning ingetrokken, omdat aan hem artikel 1(F) is tegengeworpen. Per beschikking van 2 mei 2011 is eiser ongewenst vreemdeling verklaard. Deze ongewenstverklaring hield tevens een terugkeerbesluit in. Eiser verblijft inmiddels 29 jaar in Nederland, waarvan 17 jaar onrechtmatig. Bovendien heeft eiser van april 2009 tot april 2025 in Nederland in detentie gezeten.
Het uitgangspunt is dat de banden met Nederland de gebruikelijke banden moeten overstijgen, die ontstaan door langdurig verblijf in Nederland. De normale binding die ontstaat met Nederland, enkel door het verblijf in Nederland, is onvoldoende om een schending van privéleven aan te nemen. In eisers geval weegt in zijn nadeel mee dat hij zijn verblijf in Nederland continueert terwijl op hem artikel 1(F) van toepassing is geacht en hij niet rechtmatig in Nederland verblijft.
Ten eerste is van belang dat sinds de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2010 de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in rechte vast is komen te staan. De toepasselijkheid van dit artikel heeft geleid tot het oordeel dat eiser nog altijd een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit weegt zwaar in zijn nadeel.
Eiser heeft verklaard dat hij sinds zijn vrijlating vrijwilligerswerk heeft gedaan. Echter, sinds 8 augustus 2008 verblijft eiser niet rechtmatig in Nederland, hetgeen hem ten tijde van zijn vrijlating reeds bekend moet zijn geweest. De uitoefening en intensivering van het privéleven sinds zijn vrijlating in Nederland heeft dan ook plaatsgevonden zonder dat het verblijf gelegaliseerd was. Eiser heeft zelf dit risico genomen en de gevolgen hiervan komen voor zijn eigen rekening.
In het kader van eisers privéleven hier in Nederland wordt zijn medische situatie tevens meegewogen. Zoals reeds gemotiveerd uiteen is gezet, wordt zijn medische situatie niet in zijn voordeel meegewogen, omdat is gebleken dat therapiemogelijkheden ook in het land van herkomst, Afghanistan, beschikbaar zijn.
Ten slotte wordt overwogen dat het, gelet op het feit dat eiser 32 jaar oud was toen hij naar Nederland kwam, niet onredelijk wordt geacht, ondanks het niet rechtmatige verblijf, om bepaalde banden die met Nederland zijn aangegaan (bijvoorbeeld vriendschappen) op afstand te onderhouden. Zoals eiser zelf in de zienswijze stelt, kunnen banden met personen in Nederland middels moderne communicatiemiddelen worden voortgezet.
Verder is al gemotiveerd uiteengezet dat terugkeer naar Afghanistan in het geval van eiser geen schending van artikel 3 van het EVRM oplevert.
Besluit tot signalering
3.36.
Als een inreisverbod op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 kan worden opgelegd, wordt volgens A4/4.1 van de Vc 2000 aangenomen dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een besluit tot signalering. Als eiser een besluit tot signalering krijgt op grond van A4/4 van de Vc 2000, en daarmee geregistreerd wordt op grond van artikel 24, eerste lid, onder a, van de Verordening (EU) 2018/1861, betekent dit dat eiser niet welkom is in Nederland en/of de EU, aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein, zolang het besluit tot signalering duurt.
Als er zowel sprake is van een terugkeerbesluit in combinatie met een inreisverbod als een besluit tot signalering, dan gaat de signalering vanwege het terugkeerbesluit en inreisverbod voor. Als de rechtsgrondslag voor het inreisverbod op een later moment komt te vervallen, dan wordt eiser gesignaleerd vanwege het besluit tot signalering.
Eiser wordt vanwege het terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd. Bepaald wordt daarom dat aan eiser een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar nadat hij is vertrokken uit Nederland (als hij in Executie & Signalering staat gesignaleerd) of de EU aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein (als hij in SIS staat gesignaleerd) wordt opgelegd. Voor het bepalen van de duur van het besluit tot signalering is het beleid uit paragraaf A4/2.3 van de Vc 2000 van overeenkomstige toepassing. De duur van het besluit tot signalering begint te lopen op het moment dat eiser, als hij in het SIS gesignaleerd staat, het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein, heeft verlaten.
Het standpunt van eiser (de beroepsgronden)
Artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
4. Eiser betoogt dat hij in deze procedure nieuwe informatie heeft gegeven die tot een ander oordeel over de 1(F)-tegenwerping zou moeten leiden. Hij voert daartoe aan dat de WAD uit 40 tot 50 directoraten bestond met ieder eigen bevoegdheden. Eiser was verantwoordelijk voor de veiligheid van het vliegveld in Kabul in verband met drugs, wapens et cetera. Hij had dus niets te maken met martelingen of buitengerechtelijke executies. Hij werkte gewoon op het vliegveld. Eiser heeft hieromtrent ook nimmer een gerechtelijke procedure gehad en is hiervoor nooit veroordeeld in Afghanistan. Er was geen internationaal arrestatiebevel tegen hem, geen Interpol-signalering. Volgens eiser zijn deze omstandigheden relevante nieuwe gegevens die afbreuk doen aan de juistheid van de 1(F)-tegenwerping en het daarop gebaseerde inreisverbod.
4.1.
Eiser vindt het ook onterecht dat het verstrijken van tijdsverloop slechts marginale betekenis heeft. Het gaat immers om verwijten van bijna 40 jaar geleden. Eiser vindt het onterecht dat hij nu circa 40 jaar later nog, op een dergelijke wijze met die beschuldigingen te maken krijgt. Eiser was destijds ongeveer 25 jaar oud, terwijl hij nu 61 jaar oud is. Hij is nu een totaal andere persoon dan destijds voor wat betreft zijn leeftijd, familieleven, religie, levenswijze. Hij heeft thans dus een heel ander leven dan destijds, hetgeen onvoldoende bij de beoordeling is betrokken aangezien het 1(F)-besluit nog steeds aan hem wordt tegengeworpen.
Artikel 3 EVRM
4.2.
Daarnaast verwacht eiser bij terugkeer naar Afghanistan te maken te krijgen met een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat de Taliban daar de macht hebben. In dat kader verwijst eiser naar het jaarrapport over Afghanistan van Human Rights Watch. Uit deze informatie blijkt dat de Taliban, soennitische aanhangers van de islam, niet eens een andere stroming binnen de islam accepteren. Laat staan dat eiser, een afvallige en een bekeerling van het christendom, een veilig onderkomen in Afghanistan zou hebben. Afvalligheid wordt door de Taliban met de dood bestraft. Eiser verwijst verder naar de risico’s voor niet-praktiserende moslims sinds de moraalwet. In het ambtsbericht 2025 wordt er gesproken van een tendens dat Afghanistan zich ontwikkelt tot een theocratische politiestaat, waar een sfeer van angst en geweld heerst.
Afvalligheid van de islam
4.3.
Met betrekking tot zijn afvalligheid heeft eiser gewezen op zijn nieuwe levenswijze waarin hij steeds bezig is met zijn geloof, het christendom. Hij heeft niets met de islam te maken. Bij een terugkeer naar Afghanistan, als hij door de Taliban zou worden gecontroleerd, zou er bij hem meteen kunnen worden vastgesteld dat hij een afvallige van de islam is waardoor hij het reële risico loopt op een behandeling die in strijd met artikel 3 van het EVRM is.
Bekering tot het christendom
4.4.
Eiser merkt verder op dat de minister aangeeft dat het zwaartepunt binnen de beoordeling van de bekering ligt bij de antwoorden over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving. Eiser wijst er op dat de minister voorbij gaat aan het proces van geloofsontwikkeling en de feitelijke geloofspraktijk. Zowel de ontwikkelingsfase als de daadwerkelijke uitvoering en uiting van het geloof, is onvoldoende bij de beoordeling betrokken.
4.5.
Daarnaast geeft eiser aan dat hij zijn bekering niet louter met één referentie heeft onderbouwd, maar met meerdere referenten, die overigens ook een grote betrokkenheid bij de kerk hebben. De bekering betreft een voldongen feit dat door meerdere derden verifieerbaar is bevestigd, aldus eiser. Zo heeft de heer G. Pul van de kerk in Arnhem op 29 november 2025 – onder andere – het volgende verklaard: “Dhr. is sinds 6 oktober bij ons in de kerk gekomen. Hij is bij ons gekomen via de kerk in Middelburg. Hij is als christen actief in de kerk, komt op zondag naar de diensten en bezoekt de Bijbelstudie elke drie weken. Wij zijn erg blij dat hij bij ons is!” Verder heeft de heer L. Roeleveld, scriba Gereformeerde gemeente Arnhem op 2 december 2025 verklaard: “Sinds 6 oktober is dhr. Ishaq bij ons in de kerk in Arnhem (Gereformeerde gemeente, Groen van Prinstererstraat 1) gekomen. Hij komt iedere zondag naar de dienst en ook naar de Bijbelcursus. Verder heeft hij afgesproken vrijwilligerswerk te gaan doen om de koster te helpen. Dhr. Ishaq is christen en komt daarom bij ons in de kerk.”
Eiser wijst ook op een mail van J. Harthoorn, zijn begeleider, en van P. Jobse, voorzitter evangelisatie commissie Middelburg-Zuid, van 5 december 2025, waarin het volgende staat: “Dhr Said Ishaq is ongeveer in de maand april 2025 voor het eerst in onze kerkelijke gemeente binnengekomen. Vanaf deze tijd is hij elke zondag, wanneer het mentaal. mogelijk was, aanwezig geweest. Veelal geholpen door twee gemeenteleden uit onze gemeente krijgt hij wegwijs in de gemeente. Hij heeft veel vragen over de Bijbel, en volgt daarom ook gericht Bijbelcursus, om zo ook te begrijpen wat in de Bijbel staat. Hulp aan gemeenteleden die hulp nodig hadden of klusjes hadden doet/deed hij graag. Om nog maar te zwijgen over het vele vrijwilligerswerk wat hij gedaan heeft, bij u bekend. Kortom, Said is een man die vastberaden zijn zoektocht heeft in het christendom.”
Verder is er de mail van Pieter Kramer, koster van de Gereformeerde Gemeente Arnhem van 9 december 2025 waaruit blijkt dat hij kerkdiensten bijwoont.
Bovendien is bij de zienswijze het WhatsAppgesprek van eiser met de heer G. Pul van de kerk overgelegd. Volgens eiser blijkt hieruit dat hij actief en recent contact met de kerk heeft en dat hij wordt uitgenodigd voor een Bijbelcursus. Het gaat hierbij om verifieerbare informatie dat hij bezig is met het christendom. Hij is niet iemand die op de zijlijn staat voor wat betreft zijn bekering, maar iemand die actief bezig is met zijn geloof. Naar de mening van eiser volgt dit eveneens uit het WhatsAppgesprek met de groep “Church” dat hij heeft overgelegd. Hieruit blijkt in ieder geval dat hij actief wordt meegenomen in de communicatie van de kerk en dat hij dus actief betrokken is bij de kerk. Bovendien blijkt uit dit gesprek dat hij literatuur toegestuurd krijgt en dat hij dus in de leerfase is. Voorts is met het overgelegde WhatsAppgesprek met de Bijbelstudiegroep onderbouwd dat hij per 5 december 2025 weer is gestart met een Bijbelstudie en dat hij een actieve bekeerling is die bekend is binnen de kerk.
4.6.
Eiser betoogt dat uit deze mails en WhatsAppgespreken kan worden vastgesteld dat hij een regelmatige kerkbezoeker is, dat hij deelneemt aan Bijbelstudies en daarmee ook bekend is, dat hij in het bezit is van geloofsmateriaal, dat hij contact heeft met verschillende mensen die verbonden zijn aan verschillende kerken en actief participeert in de christelijke gemeenschap.
4.7.
Volgens eiser miskent de minister met de tegenwerping dat hij het tijdens de bijeenkomsten niet alleen over het geloof heeft maar ook over alledaagse dingen, dat het gaat om vertrouwen dat je opbouwt als je elkaar beter hebt leren kennen. Wat eiser betreft is dit juist een aanwijzing dat hij oprecht is opgenomen in de groepen, aangezien hij vrijuit kan spreken over van alles. Verder is eiser het er ook niet mee eens dat de minister hem tegenwerpt dat hij weinig kennis over het christendom heeft. Eiser heeft al aangeven dat hij lerende is. Dit leerproces heeft hij aantoonbaar verifieerbaar gemaakt met eerdergenoemde correspondentie. Het onderdeel over de kennis of tegenstrijdigheden over een jaren geleden afgenomen gehoor, dient dan ook te worden gepasseerd. Eiser verwijst naar de actuele informatie waaruit blijkt dat hij een bekeerling is die actief meedoet aan allerlei bijeenkomsten en lessen. Over het woord pastoor of dominee had hij al aangegeven dat dat in het Farsi hetzelfde is, dus niet iets om tegen te werpen.
Moraalwet
4.8.
Eiser voert aan dat er voor niet-praktiserende moslims om twee redenen risico’s kunnen spelen. Ten eerste kunnen zij er eerder van verdacht worden afvallig te zijn (toegedichte afvalligheid). Dit terwijl verblijf in het Westen ook al kan leiden tot verdenking van bekering tot het christendom (Algemeen ambtsbericht Afghanistan 2022, p. 112) of het besmet zijn door Westerse ideeën, zoals niet bidden of bekering (EUAA Country Focus). Dit risico bestaat ook voor eiser dan wel is op hem van toepassing.
4.9.
Ten tweede is ook het niet-praktiseren zelf al strafbaar sinds de in augustus 2024 in werking getreden moraalwet. Artikel 22 van die wet bepaalt het volgende:
‘An enforcer is duty-bound to prevent the following individual, wrongful acts (…)
14. Not praying or delaying one’s prayers.
15. Omitting mandatory and obligatory prayers.
16. Not praying in congregation.
17. Neglecting obligatory fasts. (…)
20. Befriending non-Muslims and assisting them; imitating them in one’s appearance or character.’
4.10.
Eiser verwijst voorts naar een rapport van december 2025 van Asylos research for aslylum met de titel: Afghanistan: Treatment of men showing signs of non-conformity to Propagation of Virtue and the Prevention of Vice (PVPV) regulations. Op pagina 8 van dit rapport staat dat de omstandigheden voor religieuze vrijheid in Afghanistan dramatisch blijven verslechteren onder het Talibanbewind. De nieuwe zedenwet versterkt de systematische en openlijke uitwissing van religieuze vrijheid in Afghanistan en faciliteert de voortdurende onderdrukking van religieuze minderheden. Elke handeling die volgens de unieke interpretatie van de Taliban als ‘on-islamitisch’ wordt beschouwd, riskeert zware straffen, waaronder willekeurige detentie, marteling en de doodstraf.
Op pagina 9 van dit rapport wordt gemeld dat meerdere bronnen aangeven dat de mannen in Afghanistan onder de Taliban-wet op Verspreiding van Deugd en de Preventie van Ondeugd (Propagation of Virtue and the Prevention of Vice, de PVPV), te maken hebben met beperkingen op hun uiterlijk, kleding, religieuze praktijken en culturele expressie. Volgens bronnen omvatten de handhavingsmethoden van het ministerie voor de PVPV en zijn muhtasibs (islamitische functionarissen) toezicht, detentie en andere dwangmaatregelen tegen mannen die ervan worden verdacht een 'niet-islamitische' of 'vreemde' cultuur te imiteren, zich niet te houden aan de baard- en kledingvoorschriften, of zich niet te houden aan voorgeschreven religieuze gebruiken zoals bidden en vasten. Op pagina 13 staat bijvoorbeeld dat de wet muhtasibs ruime en willekeurige bevoegdheden verleent om personen die beschuldigd worden van overtredingen van de bepalingen ervan vast te houden en te straffen, zonder enige vereiste van bewijs of een eerlijk proces, in flagrante schending van het internationale mensenrechtenrecht en de bijbehorende normen. Door zulke ruime en discretionaire bevoegdheden toe te kennen, stelt de wet muhtasibs in staat om tegelijkertijd op te treden als wetshandhavers, rechters en gevangenisbewaarders, met zeer weinig beperkingen of controle op hun macht.
Op pagina 17 van het rapport staat dat de Taliban het gezamenlijk bidden verplicht hebben gesteld, waarbij overheidsmedewerkers en burgers worden gestraft voor het missen van gebeden. Volgens bronnen worden personen onder de PVPV-wet onderworpen aan boetes, waarschuwingen, detentie en fysieke mishandeling voor het niet bijwonen van het gebed. Bronnen beschrijven hoe de autoriteiten moskeebewaking, intimidatie, patrouilles, surveillance en door imams geleide straffen gebruiken om naleving af te dwingen.
4.11.
Volgens eiser is het aldus niet nodig dat de Taliban weten dat hij een bekeerling of afvallige van de islam is, want ook om allerlei andere redenen ter zake de islam zijn er voor hem risico’s om door de Taliban opgepakt en gemarteld of gedood te worden. In het kader van deze zaak staat dit risico op ernstige schade derhalve los van de vraag of de afvalligheid en/of de bekering geloofwaardig is, want ook zonder dat geloofwaardig te achten kan er worden geconcludeerd dat hij een gevaar in Afghanistan loopt. Eiser brengt naar voren dat hij geen baard heeft, zich niet kleedt conform de Taliban voorschriften, en niet weet hoe hij moet bidden. Volgens eiser is hierom al sprake van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan.
Werkzaamheden WAD
4.12.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij moet vrezen voor de Taliban omdat hij in het verleden heeft gewerkt voor de WAD. De minister wijst er op dat uit de Vreemdelingencirculaire (c) niet volgt dat burgers die in het verleden voor de WAD hebben gewerkt, zijn aangemerkt als groep die systematisch wordt blootgesteld aan schending van artikel 3 van het EVRM, of een groep die door de minister is aangewezen als risicoprofiel.
Ook blijkt uit eisers verklaringen niet van concrete aanwijzingen dat eiser door individuen, groepen en/of de machthebbers in Afghanistan gezocht wordt vanwege zijn werkzaamheden voor de WAD.
4.13.
Eiser wijst er op dat hij vanwege zijn werkzaamheden bij de WAD door de Taliban kan worden gezien als vijand, temeer hij na jarenlange afwezigheid in Afghanistan terug zou zijn. Louter en alleen hierom zou een terugkeer naar Afghanistan grote problemen voor hem kunnen opleveren. Dus zowel zijn voormalige werkzaamheden voor de overheid als de verdenking van spionage door de Taliban kunnen ertoe leiden dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan problemen ondervindt. Naar de mening van eiser maakt de minister ten onrechte onderscheid tussen de WAD medewerkers en die van de ANDSF, want voor de Taliban zullen zij beide gezien worden als voormalige machtsstructuren die als vijanden zullen worden gezien. De Taliban zijn niet alleen een gevaar voor leden van de ANDSF, maar ook voor voormalige overheidsfunctionarissen. Eiser verwijst naar pagina 2 van het rapport World Report 2026: Afghanistan van HRW, waarin het volgende wordt gemeld: “UNAMA also documented 31 cases of arbitrary arrest and detention and eight allegations of torture and ill-treatment of former government officials and former security force members, and at least six killings of former Afghan National Defense and Security Forces (ANDSF) members.”
Ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard
4.14.
Eisers asielaanvraag is kennelijk ongegrond verklaard. Wat eiser betreft is dit onjuist aangezien uit de zienswijze c.q. het dossier niet direct blijkt dat zijn bezwaren overduidelijk onjuist of evident onhoudbaar zijn of dat er gebrek aan bewijs is. Eiser is van mening dat hij juist vele bewijsstukken heeft ingediend, niet alleen met de zienswijze maar ook al eerder met de correcties. Gelet op juist de complexiteit van deze zaak, de aangevoerde gronden en ingediende bewijsstukken, het zware inreisverbod en signalering was er overduidelijke informatie voorhanden om de zaak niet kennelijk ongegrond te verklaren. Er waren immers vele twistpunten die door eiser uitgebreid zijn weersproken. Eiser is van mening dat hij bij een terugkeer naar Afghanistan het reële risico loopt op een behandeling dat in strijd met artikel 3 van het EVRM is.
Inreisverbod /Actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde.
4.15.
Eiser is het niet eens met het inreisverbod en dat hij een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde zou zijn. Om te beginnen merkt eiser op dat hij nu een heel ander persoon is dan 10, 20 of 40 jaar geleden. Dat geldt waarschijnlijk voor meer mensen uiteraard. Derhalve zou het tegenwerpen van verouderde informatie, zoals de minister dat in deze zaak doet, beter gemotiveerd dienen te worden dan is gedaan. De Minister tracht de beschikking immers te motiveren met eigen stellingen, terwijl er bijvoorbeeld geen reclasseringsrapport is over het recidiverisico. Eiser benoemt dit, omdat hij al jarenlang wordt achtervolgd door zijn verleden terwijl hijzelf nu een heel ander leven heeft.
Artikel 8 EVRM
4.16.
Eiser handhaaft zijn stellingen uit de zienswijze. Verder geeft eiser aan dat het inreisverbod van maar liefst 10 jaar een zeer zware inmenging is op zijn leven. Dit zou in zijn geval immers betekenen dat hij voor de rest van zijn leven geen feitelijk contact meer met zijn kinderen kan krijgen. Het recht op family life wordt hiermee ten onrechte geblokkeerd.
4.17.
Eiser is ook van mening dat het inreisverbod disproportioneel is voor wat betreft ‘private life’, gelet op de feiten uit zijn zaak. Met name ook het gegeven dat hij nu een heel ander leven heeft, gelet op zijn bekering en betrokkenheid bij zijn geloof. Voorts kan uit het dossier worden opgemaakt dat hij sinds 1996 in Nederland verblijft. Dat is nu circa 30 jaar. Hij heeft nu dus ongeveer 30 jaar lang al contact met zijn kinderen in Nederland. Eiser heeft feitelijk niets meer met Afghanistan te maken, zijn privéleven bevindt zich alleen in Nederland. Dat is ook niet opmerkelijk, omdat hij al tientallen jaren niet in Afghanistan is geweest.
4.18.
Eiser is voorts van mening dat er geen recidiverisico is voor wat betreft een strafrechtelijk feit. Hij had ook geen aantekeningen op zijn stafblad, behalve de veroordeling waarmee hij te maken heeft gehad. Het recidiverisico is volgens eiser onvoldoende bij het inreisverbod van 10 jaar meegewogen, aangezien dat risico laag is terwijl de minister een zeer lang inreisverbod heeft uitgevaardigd. Uit niets blijkt overigens dat hij thans een actuele bedreiging zou zijn van de openbare orde. Er wordt verwezen naar verouderde informatie. Er is geen risicoanalyse van bijvoorbeeld de reclassering waaruit kan worden opgemaakt dat er een hoog risico op recidive is. Die onderbouwing is er niet in het dossier. Het is slechts gebaseerd op aannames, aldus eiser.
Het oordeel van de rechtbank
Heeft eiser nieuwe elementen of bevindingen naar voren gebracht die maken dat hem niet langer het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen?
5. De rechtbank stelt vast dat de aan eiser verleende verblijfsvergunning is ingetrokken, omdat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid. Met die intrekking is slechts beoogd de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. Het is niet vereist dat de vreemdeling de onjuiste gegevens zelf heeft verstrekt, dat hij op de hoogte was van de verstrekking van de onjuiste gegevens of dat hij daarmee heeft ingestemd. Opzet is niet een vereiste.
5.1.
Aan deze intrekking heeft de minister het ambtsbericht van 29 februari 2000 over de veiligheidsdiensten KhAD/WAD in communistisch Afghanistan ten grondslag gelegd. In het ambtsbericht 2000 is uiteengezet dat iedere (onder)officier van de KhAD/WAD die tijdens zijn loopbaan is bevorderd zich schuldig moet hebben gemaakt aan oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Dit heeft geleid tot de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser. Daarbij is onderzocht of ten aanzien van eiser kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (“knowing participation”) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”). Onder “personal participation” wordt niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen het door zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate daaraan bijdragen. Onder wezenlijke bijdrage wordt verstaan een bijdrage die feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf in die zin dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze had plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen. Van “personal participation” is ook sprake als een vreemdeling heeft behoord tot een categorie van personen binnen een organisatie waarvan de minister heeft geconcludeerd dat aan hen in de regel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn geval sprake is van een significante uitzondering.
5.2.
Eiser heeft vanaf 1981 in de Sovjet-Unie aan een Russische militaire school gestudeerd. In 1985 is hij teruggekeerd naar Afghanistan waar hij als sergeant op het vliegveld van Zabol is gaan werken. Officieel maakte eiser deel uit van het Afghaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken en was hij ingedeeld bij Kumandani-ye Sarandoy (districtpolitie). Eiser werd daar als tweede luitenant te werk gesteld en ingedeeld bij Kandak 35, Taloy 2 en had als algemene taak zorg te dragen voor de openbare orde en veiligheid. Eiser was belast met de controle van passagiers, vliegtuigen en de auto's die op het vliegveld reden. Eiser werd periodiek bevorderd tot brigadier / 1e luitenant. Van september 1986 tot maart 1987 heeft eiser gewerkt in de elektriciteitscentrale te Sorobi. De Kandak waar eiser was belast met de beveiliging van de elektriciteitscentrale. Eiser was als plaatsvervangend commandant verantwoordelijk voor alle aangelegenheden met betrekking tot het personeel. Eiser is in die periode bevorderd tot inspecteur. In 1987 werd eiser overgeplaatst naar de provincie Baghlan en is daar gaan werken in een suikerfabriek als plaatsvervangend commandant van de zelfstandige Kandak die daar was gestationeerd. Eiser was belast met de beveiliging van de suikerfabriek.
5.3.
In 1989 is eiser teruggegaan naar Sarandoy op de luchthaven in Kabul. Eiser werd ingedeeld in de Kandak Amniat-e Sarandoy, welk door een presidentieel decreet van president Najibullah overging van het Ministerie van Binnenlandse Zaken naar het Ministerie van Staatsveiligheid (Khadimat-e Atal'at-e Dowlati, KhAD, later omgevormd tot de WAD). Eiser was werkzaam onder het burgergedeelte van de luchthaven en stond onder de verantwoordelijkheid van de Staatsveiligheidsdienst, directie 4. Deze directie was belast met het toezicht op economische zaken en het beveiligen van de economische belangen. Eiser was plaatsvervangend commandant en belast met de controle van de bagage en het begeleiden en beveiligen van buitenlandse journalisten en diplomaten. Eiser heeft tot 25 april 1992 op het vliegveld gewerkt. Daarna nam de Mujaheddin de macht over. Enkele maanden daarvoor is eiser nog periodiek bevorderd tot majoor.
5.4.
Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, heeft in haar uitspraak van 18 november 2009 (AWB 08/32046) in de zaak van eiser geoordeeld dat het ambtsbericht een deskundigenadvies is aan de minister. In principe mag de minister bij zijn besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel. De rechtbank is – kort gezegd – van oordeel dat eiser die concrete aanknopingspunten hiervoor niet heeft geleverd. Dus de minister kon het ambtsbericht 2000 aan zijn besluit van 8 augustus 2008 ten grondslag leggen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat dit ambtsbericht voldoende grond vormt voor het oordeel dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich door zijn werkzaamheden bij de KhAD/WAD schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. De werkzaamheden van eiser zoals deze blijken uit het ambtsbericht 2000 zijn door eiser in zijn nader gehoor van 19 februari 1996 niet naar voren gebracht. Gelet op dit ambtsbericht moet het ervoor worden gehouden dat eiser destijds onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt, aldus de rechtbank.
5.5.
Eiser is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank. Hij vindt het hanteren van het ambtsbericht als onderbouwing voor het verzwijgen van gegevens onredelijk en onterecht. Verder wijst hij erop dat hij pas in 1989 als tweede luitenant gestationeerd werd bij een eenheid, die onderdeel werd van de KhAD. Tot dan toe had hij carrière gemaakt bij andere diensten. Volgens eiser kan uit zijn carrière niet blijken dat hij een carrière zoals omschreven in het ambtsbericht 2000 heeft gemaakt. De conclusie uit het ambtsbericht 2000 dat iedereen die binnen de KhAD carrière maakt vuile handen moet hebben gehad, is volgens eiser niet op hem van toepassing.
5.6.
De Afdeling heeft bij uitspraak van 18 juni 2010 (nr. 200909822/1/V3) de uitspraak van de rechtbank met een verkorte motivering bevestigd. Het besluit van 8 augustus 2008 staat daarmee in rechte vast.
5.7.
Eiser heeft in zijn zienswijze van 15 december 2025 gesteld dat de WAD bestond uit 40 tot 50 directoraten en dat elk directoraat zijn eigen bevoegdheden had. Eiser brengt naar voren dat hij verantwoordelijk was voor de veiligheid van het vliegveld in Kabul in verband met drugs, wapens en dergelijke, en dat hij dus niets te maken had met marteling of buitengerechtelijke executies; hij werkte gewoon op het vliegveld.
5.8.
Voor zover eiser in beroep stelt dat hij hiermee nieuwe informatie naar voren heeft gebracht die tot een ander oordeel over de 1(F)-tegenwerping zou moeten leiden slaagt deze stelling niet. Wat eiser heeft verklaard is geen concrete informatie die afbreuk doet aan de informatie in het ambtsbericht uit 2000. Het is naar het oordeel van de rechtbank ook geen informatie die niet bekend was of kon zijn ten tijde van het besluit waarin 1(F) aan eiser is tegengeworpen. De knowing en personal participation-test is al uitgevoerd en viel in het nadeel van eiser uit. Dat staat, zoals hiervoor overwogen, in rechte vast.
5.9.
De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van de 1(F)-tegenwerping geen relevante nieuwe elementen of bevindingen (nova) naar voren zijn gebracht. Dat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, blijft derhalve staan. Eiser is dus uitgesloten van vluchtelingschap en kan in deze procedure niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.
5.10.
Dat eiser hiervoor nooit in een gerechtelijke procedure is veroordeeld maakt dat oordeel niet anders. De minister heeft daarover in het bestreden besluit terecht overwogen dat de enkele omstandigheid dat eiser in zijn land van herkomst niet strafrechtelijk veroordeeld is en er geen internationaal arrestatiebevel of Interpol-signalering jegens hem is, niets zegt over de ernst van de verweten misdrijven noch over zijn handelen. Dat eiser nimmer strafrechtelijk is vervolgd of veroordeeld voor hetgeen hij tijdens zijn periode bij de KhAD/WAD heeft gedaan, betekent immers niet dat er ten aanzien van hem geen ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan.
5.11.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de misdrijven waarmee eiser in verband wordt gebracht niet verjaren. Aan de omstandigheid dat een vreemdeling na de periode waarin de 1(F)-misdrijven zijn gepleegd geen handelingen meer heeft verricht die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat hij een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar vormt voor de openbare orde, komt op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toe. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de vreemdeling voor de 1(F)-misdrijven niet strafrechtelijk is veroordeeld.
5.12.
Bij de beoordeling van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet langer een actuele bedreiging is, komt in het bijzonder betekenis toe aan het gedrag en de houding van de vreemdeling ná het plegen van de 1(F)-misdrijven. Tijdsverloop speelt vooral een rol bij de vraag of een vreemdeling daarna zijn leven aantoonbaar en duurzaam heeft gebeterd. Van betekenis bij de beoordeling zijn met name de momenten waarop een vreemdeling zich rekenschap geeft van zijn daden, daarvoor de verantwoordelijkheid neemt en oprecht berouw toont voor die daden. Dit vergt telkens een individuele beoordeling aan de hand van wat de vreemdeling aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd en van de aard van de 1(F)-misdrijven; zie ook ABRS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3017. De rechtbank merkt hierbij op dat op geen enkele wijze is gebleken dat eiser zich van zijn daden rekenschap heeft gegeven. Integendeel, dat eiser de hem aangerekende misdrijven niet alleen blijft ontkennen, maar zelfs aangeeft dat trots te zijn op zijn werkzaamheden voor de WAD en dat werk met genoegen heeft gedaan.
5.13.
Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Moeten de asielmotieven van eiser leiden tot schorsing van het terugkeerbesluit en tot vernietiging van het inreisverbod?
6. De rechtbank stelt vast dat eiser gezien het hiervoor overwogene en gelet op artikel 3.107, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000. Hieruit volgt dat eisers asielmotieven niet kunnen leiden tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank zal daarom de asielmotieven van eiser beoordelen in het licht van de vraag of deze gezien hetgeen door eiser naar voren is gebracht de gegronde vrees wettigen dat uitzetting van eiser naar Afghanistan op grond van het al eerder opgelegde terugkeerbesluit gelet op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Terugkeerrichtlijn achterwege moet blijven wegens strijd met het beginsel van non-refoulement. Als de rechtbank die vraag bevestigend beantwoordt kan ook geen (zwaar) inreisverbod meer worden opgelegd.
6.1.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Beoordelingskader rechtbank
6.2.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 20 november 2024 en 4 maart 2026 geoordeeld dat bij de beoordeling van het risico bij terugkeer naar Afghanistan alle door een vreemdeling aangedragen individuele omstandigheden in onderlinge samenhang moeten worden bezien.
6.3.
Daarbij heeft te gelden dat op de minister als beslissingsorgaan en eiser een samenwerkingsverplichting rust. De minister wordt het best in staat geacht om algemene informatie te vergaren. Concreet houdt deze samenwerkingsverplichting voor de minister in dat, indien de door de vreemdeling ter onderbouwing van zijn verzoek om internationale bescherming aangevoerde elementen om welke reden ook niet volledig, actueel of relevant zijn, de minister in deze fase van de procedure actief met de verzoeker moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven. Bovendien, zo oordeelt het HvJEU, heeft een lidstaat mogelijkerwijze gemakkelijker toegang tot bepaalde soorten documenten dan de verzoeker.
6.4.
Het HvJEU heeft voorts in het arrest Ararat geoordeeld dat artikel 13, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 5 van deze richtlijn en met artikel 19, tweede lid, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus moet worden uitgelegd dat het een nationale rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid te toetsen van een handeling waarbij de bevoegde nationale autoriteit een aanvraag voor een verblijfsvergunning waarin het nationale recht voorziet heeft afgewezen en daarmee de opschorting van de uitvoering van een eerder in het kader van een internationale beschermingsprocedure genomen terugkeerbesluit heeft beëindigd, verplicht om ambtshalve een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van dit besluit, op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak.
6.5.
De rechtbank bespreekt gelet op het hiervoor overwogene de door eiser naar voren gebrachte relevante individuele factoren. Daarbij dient de rechtbank deze factoren zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang te beoordelen en – zo nodig ambtshalve – vast te stellen of terugkeer van eiser naar Afghanistan in strijd komt met het beginsel van non-refoulement.
De niet geloofwaardig geachte asielmotieven
De gestelde Hazara-etniciteit
7. De minister heeft de gestelde Hazara-etniciteit ongeloofwaardig geacht, omdat eiser hierover nooit eerder heeft verklaard. De rechtbank stelt vast dat eiser die etniciteit in de onderhavige procedure niet met stukken heeft onderbouwd. Eiser heeft ook niet inzichtelijk gemaakt waarom hij niet van aanvang af heeft verklaard dat zijn moeder de Hazara-etniciteit had. In zijn gronden van beroep weerspreekt eiser het standpunt van de minister ook niet.
7.1.
Dit asielmotief kan dan ook niet tot het door eiser beoogde resultaat leiden.
De gestelde afvalligheid van de islam en de gestelde bekering tot het christendom
8. Over de gestelde afvalligheid en bekering tot het christendom overweegt de rechtbank als volgt.
8.1.
Volgens de minister vormen eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk, geheel, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.
8.1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op dit standpunt gesteld. De minister wijst er met juistheid op dat eiser het in zijn eerdere procedures nooit heeft gehad over zijn afvalligheid en bekering tot het christendom, ook niet toen hem het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag werd tegengeworpen en hem te kennen is geven dat hij ongewenst zou worden verklaard. Niet valt in te zien dat eiser, gezien zijn verklaring dat hij al sinds zijn zestiende jaar – dus rond 1980 of 1981 – is gaan geloven in het christendom, dit asielmotief niet eerder naar voren zou hebben gebracht.
8.2.
Verder heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank overtuigend gemotiveerd dat onduidelijk is of eiser ooit in de islam heeft geloofd en zo ja, wanneer hij zich van de islam heeft afgewend en hoe dat proces is verlopen. Daarmee hangt samen dat eveneens onduidelijk is wanneer eiser zou zijn bekeerd tot het christendom en wat hieraan ten grondslag lag.
8.2.1.
Eiser heeft hierover verklaard dat hij door de dood van zijn ouders niets meer te maken wilde hebben met de islam. Met toestemming van zijn familie is hij hierna naar een internaat in Rusland gegaan en daar is zijn overtuiging veranderd. Eiser heeft echter destijds in zijn nader gehoor verklaard dat zijn vader op 19 oktober 1982 is vermoord en zijn moeder in mei of juni 1983. Verder heeft hij toen verklaard dat hij van 1981 tot 1985 in Rusland heeft gestudeerd. Uit deze verklaringen volgt dat zijn ouders zijn vermoord toen hij al in Rusland verbleef.
8.2.2.
Eiser heeft geen verklaring gegeven voor deze tegenstijdigheid en de minister heeft hem dat op goede gronden tegengeworpen. Deze tegenstrijdigheid klemt naar het oordeel van de rechtbank te meer nu dit het motief en het begin van het proces van bekering zou zijn geweest.
8.2.3.
Verder blijft de rol van eisers oom [oom] in zijn gestelde proces van bekering onduidelijk. Eisers oom zou al bekeerd zijn tot het christendom (katholicisme). Eiser voerde volgens zijn verklaring met die oom gesprekken over de islam en het christendom voorafgaand aan zijn vertrek naar Rusland. Als eiser zich pas in Rusland heeft bekeerd (omdat de kerk aldaar hem zou hebben geholpen en begeleid) hebben die gesprekken met de oom voor hem kennelijk nog geen directe aanleiding gevormd om zich te bekeren dan wel zichzelf als christen te zien. De minister heeft eiser op goede gronden aangerekend dat zijn verklaringen hierover geen duidelijkheid over zijn proces van bekering bieden.
8.2.4.
Voorts heeft de minister betekenis kunnen hechten aan het feit dat eiser heeft verklaard dat hij zich in de aanloop naar het moment dat hij zichzelf als christen begon te beschouwen niet heeft verdiept in het christendom en daar eerst recentelijk in Nederland mee is begonnen. Dat maakt eisers stelling dat hij al op zestienjarige leeftijd is bekeerd niet aannemelijker, zeker niet nu eiser desgevraagd niet heeft kunnen vertellen tot welke stroming hij is bekeerd en in feite niet of nauwelijks kennis leek te hebben van het christendom. De rechtbank laat dan nog in het midden dat eiser geen concrete verklaringen heeft afgelegd over hoe hij zijn geloof in de bijna 30 jaar tussen 1996 (aankomst in Nederland) en 2025 (einde van zijn strafrechtelijke detentie) heeft beleefd. De enkele stelling dat eiser in het verleden in Wijchen naar de kerk ging is, zonder nadere onderbouwing, is daarvoor onvoldoende.
8.2.5.
Eisers stelling dat hij een leerproces doormaakt doet aan het voorgaande niet af nu daarmee niet alsnog wordt onderbouwd dat eiser op enig moment voorafgaande aan de indiening van zijn opvolgende asielaanvraag op 8 april 2025 een werkelijke diepgewortelde innerlijke overtuiging heeft gehad.
8.3.
De rechtbank kan voorts de argumenten van de minister volgen waarom de afvalligheid en bekering niet geloofwaardig zijn. De minister heeft eisers verklaringen overeenkomstig Werkinstructie (WI) 2022/3 beoordeeld in het licht van drie elementen:
1. De motieven voor en het proces van bekering;
2. De kennis van het nieuwe geloof;
3. De activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen.
Ingevolge WI 2022/3 worden alle drie de elementen betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering. Het zwaartepunt ligt in de meeste gevallen bij de motieven voor en het proces van bekering. Daarnaast is de minister op zoek naar het authentieke verhaal van de vreemdeling. In het algemeen kan dan ook worden gesteld dat binnen de beoordeling van de drie elementen het zwaartepunt ligt op de antwoorden van de vreemdeling over zijn eigen ervaringen en de persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot deze drie elementen.
Indien er ten aanzien van één element minder goede verklaringen zijn afgelegd, kunnen de andere elementen dit ‘compenseren’, mits de vreemdeling in staat is daarover wel verklaringen af te leggen die overtuigend genoeg zijn om de zwakkere elementen te ‘compenseren’. De vreemdeling zal wel een genoegzame verklaring moeten geven voor de omstandigheid dat hij op één van de elementen minder goed kan verklaren. Daarbij dient uiteraard rekening gehouden te worden met het referentiekader van de vreemdeling en het gegeven dat niet iedere vreemdeling gewend is om over zijn persoonlijke gevoelens te vertellen.
8.3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser op de elementen 1 en 2 geen aannemelijke verklaringen heeft afgelegd. Dat wordt in de gronden van beroep ook niet gemotiveerd weersproken. Eisers verklaringen over element 3 betreffen zijn gang naar de kerk, zijn Bijbellessen en zijn vrijwilligerswerk. Eisers verklaringen daarover worden ondersteund door de referenties die eiser heeft overgelegd. Deze informatie bevestigt dat eiser aan deze activiteiten deelneemt, maar maakt niet dat hij daarmee de tekortschietende verklaringen repareert of compenseert. Zeker niet nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan deze activiteiten deelneemt vanuit een diepgewortelde innerlijke overtuiging.
8.3.2.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister om de in het voornemen en het bestreden besluit weergegeven redenen de gestelde afvalligheid van de islam en de bekering tot het christendom terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Dat betekent dat de minister eisers gestelde vrees voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer op grond van deze asielmotieven ook terecht niet aannemelijk heeft geacht.
8.4.
Voor zover eiser zich op het subsidiaire standpunt heeft gesteld dat eiser in de periode voorafgaand aan zijn vertrek uit Afghanistan in ieder geval niet zijn islamitisch geloof heeft gepraktiseerd, en dat dat in het licht van de nieuwe Moraalwet hoe dan ook tot een negatieve bejegening door de autoriteiten zal leiden overweegt de rechtbank het volgende.
8.4.1.
In WI 2022/3 is uiteengezet dat het niet praktiseren van een geloof, of het leiden van een seculier leven niet per definitie hetzelfde is als afvalligheid. Van afvalligheid is sprake indien de vreemdeling zich innerlijk van het geloof heeft afgekeerd of zich niet langer tot dat geloof rekent. Bij seculier leven of het niet praktiseren van een geloof ontbreekt deze verandering. Indien een vreemdeling heeft aangegeven afvallig of bekeerd te zijn, maar de bekering of afvalligheid niet geloofwaardig is geacht, kunnen de verklaringen over de uitingen betrokken worden bij de beoordeling van toegedichte afvalligheid. Niet geloofwaardige verklaringen over dergelijke uitingen en gedragingen kunnen daarom ook van betekenis zijn voor de beoordeling of sprake is van een geloofwaardige toegedichte afvalligheid.
8.4.2.
Deze laatste situatie doet zich in het geval van eiser voor. Aangezien de afvalligheid en bekering van eiser niet geloofwaardig zijn, is daarmee evenmin aannemelijk dat het niet praktiseren van de islam in de tijd voordat eiser uit Afghanistan is vertrokken voortkomt uit een in die periode ontstane diepgewortelde innerlijke overtuiging en aldus een wezenlijk en onveranderlijk onderdeel uitmaakt van eisers identiteit. Van eiser mag daarom worden verwacht dat hij zich in Afghanistan niet als afvallig moslim of als christen opstelt of in het openbaar uitingen doet die daarop zouden duiden.
8.5.
Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
De geloofwaardig geachte asielmotieven
9. De minister heeft de asielmotieven identiteit, nationaliteit en herkomst, de Tadzjiekse etniciteit en het feit dat eiser als officier voor de WAD heeft gewerkt geloofwaardig geacht.
Identiteit, nationaliteit en herkomst
10. De minister heeft zich in het voornemen op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser uit Afghanistan komt op zichzelf niet genoeg is om een risico op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan aan te nemen. Enkel op grond van eisers identiteit, nationaliteit en herkomst is daarom niet aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade.
10.1.
Eiser heeft dit standpunt in de zienswijze en in beroep niet bestreden. De rechtbank ziet, ambtshalve oordelend, in de gedingstukken en hetgeen ter zitting is besproken geen aanleiding voor een ander oordeel.
Langdurig verblijf in het westen
11. Eiser stelt dat hij niet terug kan naar Afghanistan, omdat hij daar lange tijd niet is geweest en kan worden aangezien voor spion.
11.1.
De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak van 20 november 2024 geoordeeld dat hoewel de informatie uit openbare bronnen niet eenduidig is, daaruit wel kan worden afgeleid dat vreemdelingen bij terugkeer naar Afghanistan vanwege hun verblijf in het Westen in de negatieve belangstelling van de Taliban, familieleden of dorpsgenoten kunnen komen te staan. Dat is onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De Afdeling komt tot de slotsom dat de beschikbare informatie geen aanknopingspunten bevat dat uit westerse landen teruggekeerde Afghanen, alleen al vanwege verblijf in een westers land, systematisch aan een vernederende of onmenselijke behandeling van een zekere ernst worden blootgesteld. Het algemene beeld is dat het risico hierop vooral samenhangt met de reden van vertrek uit Afghanistan, het profiel van de teruggekeerde Afghaan zelf en het bestaan van vetes en persoonlijke conflicten. Hieruit volgt dat Afghanen die terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, geen groep zijn die een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarom is het aan een vreemdeling die stelt dat hij onder meer vanwege zijn verblijf in het Westen bij terugkeer naar Afghanistan problemen zal krijgen, om aannemelijk te maken waarom juist hij, gelet op het samenstel van zijn individuele omstandigheden, problemen zal krijgen en waaruit die bestaan. De minister moet bij zijn beoordeling alle relevante individuele factoren die een vreemdeling heeft aangedragen, in onderlinge samenhang bezien. Daartoe behoort ook de factor dat een vreemdeling in het Westen heeft verbleven. Het verblijf in het Westen zou er, in combinatie met andere individuele factoren en afhankelijk van de aangeleverde informatie uit algemene bronnen over de problemen die kunnen ontstaan, toe kunnen leiden dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat.
11.2.
In het bestreden besluit heeft de minister zich onder verwijzing naar een artikel uit december 2023 van het Belgische Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS), het rapport van de EUAA inzake Afghanistan uit december 2023 en het ambtsbericht 2025 op het standpunt gesteld dat een persoon die na lange tijd uit het Westen terugkeert naar Afghanistan niet automatisch wordt aangemerkt als spion, of automatisch een risico loopt op ernstige schade.
11.3.
Het ambtsbericht 2025 vermeldt het volgende. Over het algemeen proberen de de facto (df) autoriteiten terugkeerders te steunen bij terugkomst, in samenwerking met internationale organisaties. Er zijn geen gevallen bekend over grootschalige of systematische arrestaties of mishandeling aan de grens bij terugkeer. Een Zwitsers rapport noemt ‘uitzonderingen’ maar specificeert dit niet nader.
Er is weinig bekend over de negatieve behandeling van terugkeerders door de df autoriteiten op de lange termijn. De df autoriteiten droegen uit positief te staan tegenover alle terugkeerders zolang zij zich niet tegen de Taliban, hun religie en hun regime keerden.
De UNHCR Post-return monitoring uit oktober 2024 van 4.220 terugkeerders leverde het beeld op dat 98% van hen geen problemen rond hun fysieke veiligheid hadden ervaren na hun terugkeer. De UNHCR Post-return monitoring uit april 2025 ondervroeg 2.868 huishoudens en stelde dat 96% van de ondervraagde terugkeerders na hun terugkeer geen problemen rond hun fysieke veiligheid had ervaren. (…) Een rapport van UNAMA, gebaseerd op interviews uit 2024 met 49 onvrijwillig naar Afghanistan teruggekeerde personen, bevestigde het beeld dat UNAMA eerder schetste van bepaalde profielen die bij hun terugkeer volgens UNAMA risico liepen op represailles en andere mensenrechtenschendingen door de df autoriteiten. Onder deze profielen bevonden zich vrouwen en meisjes, personen die banden hadden met de voormalige regering en haar veiligheidstroepen, mediawerkers en het maatschappelijk middenveld.
Over het algemeen wordt westerse kledingstijl en Westers gedachtegoed afgekeurd door de traditionele lokale bevolking en de Taliban. (…) Er is geen algemene informatie beschikbaar over hoe mensen in individuele gevallen bejegend werden nadat zij een tijd in Westerse landen gewoond hebben. Dit hangt af van een veelheid aan factoren, te beginnen bij hun kledingstijl, leefgewoonten en geloof, maar hun maatschappelijke positie en daarmee hun veiligheid hangt ook af van andere factoren als hun etniciteit, connecties, werkverleden en vermogen.
11.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister met de verwijzing naar genoemde publicaties genoegzaam heeft onderbouwd dat het langdurig verblijf buiten Afghanistan van eiser op zichzelf bezien geen aanknopingspunten biedt voor de vrees dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De gedingstukken en hetgeen ter zitting is besproken bieden de rechtbank – ook ambtshalve oordelend – geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.
De Tadzjiekse afkomst van eiser
12. Eiser heeft tijdens zijn gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat hij bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor de Taliban, omdat hij Tadzjiek is. In de zienswijze heeft eiser gesteld dat de Taliban zich richt op Tadzjieken. Volgens eiser worden zij regelmatig aangehouden, ondervraagd en mishandeld. Eiser wijst erop dat hij uit een Tadzjiekse regio komt, waardoor hij het risico loopt op dergelijke behandelingen.
12.1.
De minister stelt zich onder verwijzing naar de Vc 2000 op het standpunt dat burgers die in Afghanistan etnisch Tadzjiek zijn, niet zijn aangemerkt als groep die systematisch wordt blootgesteld aan schending van artikel 3 van het EVRM, of een groep die is aangewezen als risicoprofiel. Tevens wijst de minister er op dat eiser zijn stelling dat Tadzjieken in Afghanistan regelmatig worden aangehouden, ondervraagd en mishandeld, niet heeft onderbouwd met gezaghebbende openbare bronnen. Nu eiser dit heeft gesteld is het ook aan hem om dit middels bronnen aannemelijk te maken, aldus de minister.
12.2.
Eiser heeft dit standpunt in beroep niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de Tadzjiekse herkomst van eiser reeds op zichzelf bezien bij terugkeer een risico op ernstige schade zal opleveren. Uit het ambtsbericht volgt weliswaar dat Tadzjieken door de de facto autoriteiten in verband zijn gebracht met de NRF en dat dit met name ziet op Tadzjieken uit de Panjshirvallei en de provincies Baghlan, Takhar en Daykundi. Eiser is echter niet afkomstig uit een van deze gebieden. Eiser heeft lange tijd voorafgaand aan zijn vertrek in Kabul gewoond en gewerkt en Mazar-i-Sharif, waar eiser eerder heeft verbleven, wordt in het ambtsbericht niet genoemd in verband met deze problematiek. De enkele omstandigheid dat eiser van Tadzjiekse afkomst is, is daarom onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
Risico vanwege werkzaamheden WAD
13. Eiser voert in beroep aan dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor de WAD bij terugkeer te vrezen heeft voor ernstige schade. Eiser meent dat de minister ten onrechte een onderscheid maakt tussen voormalig WAD-medewerkers en voormalig leden van de ANDSF. Eiser heeft daarbij verwezen naar pagina 2 van het rapport World Report 2026: Afghanistan van Human Rights Watch (HRW).
In dat rapport wordt vermeld: “UNAMA also documented 31 cases of arbitrary arrest and detention and eight allegations of torture and ill-treatment of former government officials and former security force members, and at least six killings of former Afghan National Defense and Security Forces (ANDSF) members.”.
13.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat uit de Vc 2000 niet volgt dat burgers die in het verleden voor de WAD hebben gewerkt, zijn aangemerkt als groep die systematisch wordt blootgesteld aan schending van artikel 3 van het EVRM, of een groep die is aangewezen als risicoprofiel. Volgens de minister blijkt uit eisers verklaringen niet dat er concrete aanwijzingen zijn dat hij door individuen, groepen en/of de machthebbers in Afghanistan gezocht wordt. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij vanwege zijn voormalige werkzaamheden voor de WAD te vrezen heeft voor de Taliban, omdat bekend is dat de Taliban zich richten op ex-overheidsmedewerkers. In het ambtsbericht 2025 is opgenomen dat voormalige medewerkers van de Islamitische Republiek Afghanistan (ANDSF) soms het slachtoffer werden van wraakacties (al was hierbij geen sprake van een centraal beleid vanuit de Taliban). Eiser is nimmer werkzaam geweest voor de ANDSF, maar voor de (communistische) Republiek Afghanistan in de periode 1987-1992. Eisers punt dat de Taliban zich (soms) richt op ex-overheidsmedewerkers is zodoende niet op hem van toepassing. Eiser heeft zijn stelling dat de Taliban zich richt op ex-overheidsmedewerkers van de (communistische) Republiek Afghanistan niet met gezaghebbende bronnen onderbouwd.
13.2.
Blijkens het Ambtsbericht 2025 (paragraaf 3.1.1.5 ) is sprake van geweldsincidenten tegen voormalige overheidsmedewerkers en ANDSF. Gezien het ontbreken van exacte aantallen ambtenaren en de onderrapportage van incidenten is het slechts in zeer beperkte mate mogelijk om het aantal geweldsincidenten af te zetten tegen het totale aantal ambtenaren. Het is dan ook niet bekend op welke schaal zich geweldsincidenten tegen voormalig overheidsmedewerkers voordoen. UNAMA heeft in de periode vanaf januari 2024 nog tientallen gevallen van geweld tegen voormalige overheidsmedewerkers en ANDSF geregistreerd. Verder wordt in paragraaf 3.3.8 (pagina 112) gemeld dat de Taliban bleven gebruikmaken van willekeurige arrestaties, gedwongen verdwijningen en onwettige detentie van mensen die als politieke tegenstanders werden gezien. Het ging onder meer om voormalige overheidsmedewerkers, religieuze geleerden die het beleid van de Taliban bekritiseerden, activisten uit het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers en veel journalisten.
13.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het geweld waarover in het ambtsbericht 2025 verslag wordt gedaan geen betrekking heeft op voormalig WAD-medewerkers. De rechtbank maakt uit paragraaf 3.1.1 van het ambtsbericht Afghanistan over 2023 op dat het hierbij gaat om medewerkers van de Ghani-regering, en niet om mensen die werkzaam waren onder eerdere regimes, zoals de KhAD/WAD. In die paragraaf (pagina’s 69 t/m 74) wordt gesproken over de positie van personen die voor de voormalige overheid werkten. Uit de gebruikte terminologie – zoals ‘oud-medewerkers van de Ghani-regering’, ‘leden van de voormalige ANDSF’ en ’de vorige regering’ – leidt de rechtbank af dat het hier om medewerkers van de voormalige regering onder leiding van president Mohammad Ashraf Ghani gaat, die bij de machtsovername door de Taliban op 15 augustus 2021 is afgezet.
13.4.
Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
De Moraalwet
14. Gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 8.4 is overwogen heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde afvalligheid van de islam en de gestelde bekering tot het christendom van eiser niet geloofwaardig zijn. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gestelde afkeer van de islam is gebaseerd op een innerlijke overtuiging heeft de minister zich ook terecht op het standpunt gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich conformeert aan de in Afghanistan gangbare wijze van geloofsuiting. Eisers verwijzing naar de EUAA Country Focus en het rapport van Asylos maakt dat oordeel niet anders.
14.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard
15. Eisers stelling dat de asielaanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt dat eiser een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend die niet niet-ontvankelijk is verklaard (artikel 30b, aanhef en onder g, van de Vw 2000, zoals dit luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Eisers stelling dat juist de complexiteit van deze zaak, de aangevoerde gronden en ingediende bewijsstukken, het zware inreisverbod en signalering noopten om de zaak niet kennelijk ongegrond te verklaren maakt dat niet anders, omdat de complexiteit van de zaak niet relevant is voor de beoordeling.
8 EVRM
16. Eiser stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het opleggen van een inreisverbod niet strijdig is met het recht op het uitoefenen van familie- of gezinsleven zoals dat voortvloeit uit artikel 8 EVRM, omdat de kinderen van eiser alle vier de meerderjarige leeftijd hebben bereikt, en dat niet gebleken is dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn meerderjarige kinderen. Eiser wijst er in dit verband op dat het inreisverbod een zeer zware inbreuk maakt op zijn leven. Dit zou in zijn geval immers betekenen dat hij voor de rest van zijn leven geen feitelijk contact meer met zijn kinderen kan krijgen. Eiser is ook van mening dat het inreisverbod disproportioneel is voor wat betreft ‘private life’, gelet op de feiten uit zijn zaak. Met name ook het gegeven dat hij nu een heel ander leven heeft, gelet op zijn bekering en betrokkenheid bij zijn geloof. Voorts kan uit het dossier worden opgemaakt dat hij sinds 1996 in Nederland verblijft. Dat is nu circa 30 jaar. Hij heeft nu dus ongeveer 30 jaar lang al contact met zijn kinderen in Nederland. Eiser heeft feitelijk niets meer met Afghanistan te maken, zijn privéleven bevindt zich alleen in Nederland. Dat is ook niet opmerkelijk, omdat hij al tientallen jaren niet in Afghanistan is geweest. Eiser stelt voorts dat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar het recidiverisico – dat volgens eiser ontbreekt – en dat ook uit niets blijkt dat eiser op dit moment nog een actuele bedreiging van de openbare orde vormt.
16.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers recht op family life en private life voldoende is betrokken bij de beoordeling of de oplegging van een zwaar inreisverbod evenredig is. De minister heeft een inzichtelijke en concludente afweging verricht van de belangen van de Nederlandse staat ten opzichte van eisers belangen bij voortzetting van zijn leven in Nederland. De minister heeft daarbij alle door eiser gestelde belangen betrokken. De minister heeft op goede gronden meer betekenis gehecht aan het algemeen belang, en er ook terecht op gewezen dat eiser op andere wijze het contact met zijn meerderjarige kinderen kan onderhouden. Ook de individuele feiten en omstandigheden die eiser ter onderbouwing van zijn recht op private life heeft aangevoerd, heeft de minister terecht onvoldoende geacht. De minister heeft daarbij op goede gronden gewezen op het feit dat eiser van de 29 jaar dat hij verbleef in Nederland 17 jaar geen rechtmatig verblijf heeft gehad. De normale binding met Nederland die door eisers rechtmatige verblijf in Nederland is ontstaan heeft de minister in het licht van de 1(F)-tegenwerping onvoldoende mogen achten voor een ander oordeel, dit ook omdat eiser jarenlang in gevangenschap heeft doorgebracht en in die zin ook geen normale binding met de Nederlandse maatschappij heeft opgebouwd.
16.2.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Beoordeling individuele feiten en omstandigheden in samenhang
17. De minister heeft in het voornemen overwogen dat, gelet op de geloofwaardig geachte asielmotieven, gesteld noch gebleken is dat eiser behoort tot een groep die in Afghanistan systematisch wordt blootgesteld aan schending van artikel 3 EVRM. Evenmin is gebleken dat eiser behoort tot een door de minister aangewezen risicoprofielen in zijn land van herkomst. Voorts wordt, gelet op voorgaande overwegingen, eisers gestelde vrees bij terugkeer wegens zijn Tadzjiekse etniciteit en zijn werkzaamheden voor de WAD, niet reëel geacht. Voor het overige heeft de minister geen overwegingen gewijd aan de vraag of de individuele omstandigheden ook in samenhang bezien niet onderbouwen dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade.
In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat in de bestreden besluitvorming, kenbaar en ook in samenhang, de relevante aspecten van de persoonlijke situatie van eiser zijn betrokken en afgewogen.
17.1.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit het voorgaande blijkt niet dat de minister de door eiser aangevoerde en door de minister geloofwaardig geachte asielmotieven in samenhang heeft beoordeeld. Niet blijkt dus dat de minister heeft beoordeeld of die asielmotieven, hoewel ieder afzonderlijk onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de door eiser gestelde vrees voor ernstige schade, in cumulatie wel tot deze vrees aanleiding geven. Anders geformuleerd: moet eiser als Tadzjiek met zijn werkverleden bij de WAD die na vele jaren in het Westen terugkeert naar Afghanistan wel vrezen voor ernstige schade? In de zaak van eiser zijn alle individueel omstandigheden bezien en dat is allemaal onvoldoende.
17.2.
De minister heeft zich desgevraagd ter zitting op het standpunt gesteld dat in eisers zaak alle individuele omstandigheden zijn bezien en dat die allemaal onvoldoende zijn voor de conclusie dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft in dat verband verwezen naar een recente uitspraak van de Afdeling.
17.3.
De Afdeling heeft in de door de minister aangehaalde zaak overwogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene niet alleen al door zijn verblijf in een westers land bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Betrokkene moet met de door hem aangevoerde individuele omstandigheden aannemelijk maken dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank heeft in dat kader niet onderkend dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door betrokkene aangevoerde individuele omstandigheden dat hij geruime tijd in Nederland heeft verbleven, de Nederlandse nationaliteit heeft gehad en een niet-praktiserende moslim is, terwijl de Taliban in Afghanistan van hem zal verwachten dat hij een baard zal laten staan, vijf keer per dag zal bidden, zal vasten en niet in het openbaar naar muziek zal luisteren, onvoldoende zijn voor het oordeel dat betrokkene daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade.
17.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze toelichting en deze verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling wel heeft toegelicht dat, maar niet inzichtelijk gemaakt heeft waarom de door eiser aangevoerde asielmotieven ook in samenhang voor eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade zullen opleveren.
17.5.
Dat betekent dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het in het besluit van 6 augustus 2008 vervatte terugkeerbesluit nog steeds aan de afwijzing van eisers huidige asielaanvraag ten grondslag kan worden gelegd. Dat maakt tevens dat de minister het inreisverbod voor de duur van 10 jaar en de signalering van eiser in het SIS voor diezelfde duur niet op dit terugkeerbesluit kan baseren.
17.6.
Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet voorzien van een motivering die het bestreden besluit kan dragen.
Kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten?
18. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand te laten.
18.1.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de minister in het verweerschrift en ter zitting alsnog inzichtelijk heeft gemaakt dat en waarom de door eiser aangevoerde individuele feiten en omstandigheden ook in samenhang bezien geen grond bieden voor het oordeel dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Bepalend daarvoor is dat, zoals ook uit het hiervoor overwogene blijkt, de minister zich ten aanzien van ieder geloofwaardig geacht asielmotief op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser op grond daarvan bij terugkeer naar Afghanistan moet vrezen voor ernstige schade. Om die reden kunnen, zoals de minister heeft betoogd, deze asielmotieven ook in samenhang niet aannemelijk maken dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat eiser zelf geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die aannemelijk maken dat de geloofwaardig geachte asielmotieven in samenhang bezien wel een reëel risico op ernstige schade zouden opleveren.
18.2.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en gezien de zwaarte van de zaak vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. S.W.A.M.M. Delauw en mr. R. Barzilay, leden, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Daaronder tevens verstaan diens ambtsvoorgangers.
Uitspraken van de Afdeling van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3017, en van 26 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2758.
UNAMA staat voor United Nations Assistance Mission in Afghanistan.
Zie punt 58, tweede volzin, van het arrest van het HvJEU in de zaak K. en H.F. van 2 mei 2018, C-331/16 en C-366/16, ECLI:EU:C:2018:296.
Zie punt 55 van het arrest K en H.F.
Zie punt 58-60 van het arrest K. en H.F.)
Zoals luidend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Thans is deze bepaling neergelegd in artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000.
ECLI:NL:RVS:2024:4649.
ECLI:NL:RVS:2026:1181
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 22 november 2012 in de zaak M.M. tegen Ierland, C-277/11, ECLI:EU:C:2012:744.
Arrest van het HvJEU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
Zie voornemen dd. 21 november 2025, pp. 6 en verder. Met ingang van 4 december 2025 is WI 2022/3 vervangen door WI 2025/9. In het bestreden besluit van 6 januari 2026 is op deze beleidswijziging niet ingegaan.
Propagation of Virtue and Prevention of Vice Law van 31 juli 2024.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1336.
Hoofdstuk 6 Terugkeer, pagina 122.
Uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:161.