Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22769

2026-08-13 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.35710 en NL26.35711
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.35710 en NL26.35711
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel Marokko, zwaarwegendheid, beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand, vovo afgewezen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.421 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht


Zaaknummers: NL26.35710 (beroep)
NL26.35711 (voorlopige voorziening)


V-nummer: [v-nummer]



uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1986, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F. Boone),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel en het verzoek om een voorlopige voorziening.



1.1.
Eiser heeft op 21 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 juni 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.



1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser heeft afstand gedaan van zijn recht om op zitting te worden gehoord.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader



2. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact in werking getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.

3. Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.



Asielrelaas



4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser stelt dat hij homoseksueel is. Verder stelt hij dat hij vreest voor zijn vader en ooms vanwege problemen rondom eerwraak en een relatie met zijn nicht. Ook stelt eiser te vrezen voor de dienstplicht.



Bestreden besluit



5. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:



identiteit, nationaliteit en herkomst;


seksuele geaardheid;


problemen met vader en ooms vanwege eerwraak;


militaire dienstplicht.




5.1.
Verweerder heeft de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De identiteit van eiser acht verweerder ongeloofwaardig, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft. De seksuele geaardheid van eiser acht verweerder eveneens ongeloofwaardig. Eiser heeft geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De geloofwaardigheid van de problemen van eiser met zijn vader en ooms vanwege eerwraak en de militaire dienstplicht laat verweerder in het midden omdat de vrees bij terugkeer niet aannemelijk wordt geacht.




Overgangsrecht migratiepact

6. De rechtbank overweegt dat uit WI 2026/26 volgt dat bij aanvragen waarbij het aanmeldgehoor vóór 12 juni 2026 heeft plaatsgevonden, verweerder de afgelegde verklaringen over de asielmotieven zoals vermeld in het aanmeldformulier en/of tijdens het aanmeldgehoor niet bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag betrekt. Dit is slechts mogelijk als de verklaringen betrekking hebben op daden als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, andere strafbare feiten of relevant zijn in het kader van de bescherming van de nationale veiligheid.




6.1.
Op de zitting heeft verweerder erkend dat abusievelijk de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven uit het aanmeldgehoor in het bestreden besluit worden tegengeworpen. Zo heeft verweerder tegengeworpen dat eiser in zijn aanmeldgehoor zijn gestelde homoseksualiteit niet heeft benoemd.



Zwaarwegendheid




7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de geloofwaardigheid van een deel van zijn asielmotieven in het middel heeft gelaten.




7.1.
De rechtbank overweegt dat uit IB 2026/24 en de uitspraken van de Afdeling van 17 augustus 2022 volgt dat bij zaken die op zwaarwegendheid worden afgedaan geen beoordeling verricht wordt van de geloofwaardigheid van de gestelde feiten en omstandigheden. De geloofwaardigheid wordt in het midden gelaten en dus niet geloofwaardig of ongeloofwaardig geacht. Wanneer de geloofwaardigheid niet wordt beoordeeld worden alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt genomen voor de zwaarwegendheidstoets. Het is slechts in het uitzonderlijke geval dat sprake is van strikt gescheiden asielmotieven mogelijk om een deel van de verklaringen over het asielrelaas wel op geloofwaardigheid te onderzoeken en de geloofwaardigheid van andere verklaringen in het midden te laten. Het risico bestaat namelijk dat onvoldoende duidelijk wordt welke waarde verweerder hecht aan de elementen van het asielrelaas in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.



7.2.
Verweerder heeft in het bestreden besluit de zwaarwegendheidstoets uit IB 2026/24 verricht. Verweerder heeft daarbij de geloofwaardigheid van de problemen van eiser met zijn vader en ooms vanwege eerwraak en de militaire dienstplicht in het midden gelaten. De seksuele geaardheid van eiser is echter wel op geloofwaardigheid beoordeeld en ongeloofwaardig geacht.



7.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van strikt gescheiden asielmotieven waardoor het mogelijk is om een deel van de verklaringen op geloofwaardigheid te toetsen en de geloofwaardigheid van andere verklaringen in het midden te laten. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn problemen met zijn vader mede voortkomen uit het feit dat hij homoseksueel is. Hierdoor mocht verweerder de geloofwaardigheid van een deel van de verklaringen van eiser omtrent zijn asielmotieven niet in het midden laten. Het lag op de weg van verweerder om alle asielmotieven van eiser op geloofwaardigheid te toetsen.

8. Op basis van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank hierna de overige beroepsgronden behandelen.



Volledig en ex nunc onderzoek



9. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.



Geloofwaardigheid homoseksualiteit



10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde seksuele geaardheid van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft namelijk vaag en wisselend verklaard over wanneer hij ontdekte dat hij homoseksueel was. Zo heeft eiser eerst verklaard dat hij er in 2006 achter is gekomen dat hij homoseksueel is, terwijl hij eerder heeft verklaard dat hij op 23-jarige leeftijd ontdekte dat hij homoseksueel is. Dat zou in 2009 geweest zijn. Daarnaast heeft eiser ook nog verklaard dat hij er tien jaar geleden achter is gekomen dat hij op mannen valt, wat in 2016 geweest zou zijn. Deze verklaringen stroken niet met elkaar. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat eiser ook ten aanzien van zijn seksuele ontwikkeling vanaf zijn kindertijd of puberteit in het geheel niets heeft verklaard in het nader gehoor. In 2000 of 2001 zou hij nog een relatie hebben gehad met zijn nicht. Eiser zegt tot 2006 geen gevoelens voor mannen te hebben gehad. Op een feest in Marrakesh had hij onder invloed van alcohol gemeenschap met [persoon] en toen ontdekte hij zijn homoseksuele gerichtheid. Verweerder stelt in het bestreden besluit terecht dat het ontbreken van enig proces in zijn verklaring en het benaderen van homoseksualiteit alsof het een keuze is, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid.



10.1.
Verder heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij een langdurige relatie heeft gehad met [persoon] . Eiser heeft van 2006 tot en met 2019 met hem samengewoond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiser tegengeworpen dat hij uitermate oppervlakkig over de relatie verklaart. Eiser verklaart namelijk slechts dat de relatie ‘fijn’ was, terwijl verwacht mag worden dat er over een relatie die dertien jaar heeft geduurd meer diepgaand verklaard kan worden. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij een geheime relatie heeft gehad en dat hij relaties met meerdere mannen heeft gehad die hij in discotheken heeft ontmoet. Eiser heeft dit niet geconcretiseerd, zijn verklaringen hierover blijven ook uitermate vaag en summier.



10.2.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft tegengeworpen dat eiser wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn vader. Zo stelt eiser eerst dat hij zijn vader sinds 2005 niet meer heeft gezien, maar daarnaast heeft eiser verklaard dat hij pas na 2005 erachter is gekomen dat hij homoseksueel is. De mishandeling door zijn vader vanwege zijn homoseksualiteit wordt daarmee ook ongeloofwaardig.



Dienstweigering en problemen met vader



11. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij door zijn dienstweigering en problemen met zijn vader vrees heeft bij terugkeer. Hoewel eiser heeft verklaard dat hij in 2003 een straf heeft uitgezeten voor zijn dienstweigering heeft hij niet aannemelijk gemaakt waarom hij na het uitzitten van de straf nog problemen van de overheid zal ondervinden. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij zijn vader sinds 2005 niet meer heeft gezien. De rechtbank ziet derhalve niet in waarom eiser bij terugkeer te vrezen zou hebben vanwege de autoriteiten en zijn vader.



Relatie met nicht



12. De rechtbank is eveneens van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor zijn ooms. Eiser verbindt de problemen met zijn ooms aan zijn levensstijl, alcoholgebruik en tattoos. Eiser heeft de dreiging op geen enkele manier onderbouwd. Desgevraagd zegt eiser geen aanwijzingen te hebben waaruit blijkt dat zijn ooms hem nog steeds zoeken en iets aan willen doen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de situatie zich ruim 20 jaar geleden heeft voorgedaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat enkele vermoedens van wraakzuchtigheid van de ooms onvoldoende zijn om de vrees van eiser bij terugkeer aannemelijk te achten.




Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank komt na een volledig en ex nunc onderzoek tot het oordeel dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

14. Nu op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daartoe af.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.35710:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.




De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.35711:

- wijst het verzoek af.


De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.





Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.


Zie artikel 41 van de Verordening (EU) 2024/1347.


Werkinstructie Overgangsrecht Migratiepact.


WI 2026/26, pagina 7.


Bestreden besluit, pagina 4.


Informatiebericht 2026/24 Beoordeling asielaanvraag afdoen op zwaarwegendheid.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2022:2332 en ECLI:NL:RVS:2022:2333.


Nader gehoor, pagina 18.


Hof van Justitie van de Europese Unie.


Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.


Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.


Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.


Nader gehoor, pagina 9.


Nader gehoor, pagina 8.


Nader gehoor, pagina 7.