Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22673
2026-08-12
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.38960
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank ziet geen deugdelijke motivering van de minister om niet aan te nemen dat eiser vanwege de verkoop van genotsmiddelen en zijn huwelijk met zijn echtgenote problemen met Al-Shabaab heeft gekregen. De rechtbank geeft daarom ook op dit punt een bindend oordeel en acht geloofwaardig dat eiser problemen heeft gekregen met Al-Shabaab. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven en de minister moet een nieuw besluit nemen. Daarbij moet de minister uitgaan van de geloofwaardigheid van eisers problemen met Al-Shabaab. Beroep gegrond.
Citeert (3)
- ECLI:EU:C:2026:448
- ECLI:EU:C:2026:447
- ECLI:NL:RVS:2026:86 Raad van State 08-01-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28238 Rechtbank Den Haag 24-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (28.849 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.38960
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, geboren op [geboortedag] 2000, van Somalische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. M. Terpstra),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
Procesverloop
Eiser heeft op 19 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
De minister heeft met het besluit van 10 januari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure als ongegrond afgewezen. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 mei 2025 is het daartegen door eiser ingesteld beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag moest nemen, met inachtneming van de uitspraak.
Bij besluit van 22 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister opnieuw op de aanvraag beslist en de aanvraag wederom als ongegrond afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.A. Mohamad als tolk in de Somalische taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
1. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft
de Somalische nationaliteit, behoort tot de Hawiye-bevolkingsgroep en komt uit de stad
[plaats] . In 2022 is eiser fulltime gaan werken in de winkel van zijn moeder. Hij kreeg
toen problemen met Al-Shabaab omdat hij bepaalde genotsmiddelen verkocht. Al-Shabaab
is meerdere keren naar de winkel gekomen, waar zij eiser hebben bedreigd en mishandeld.
Ook wilde eiser trouwen met zijn huidige echtgenote, maar Al-Shabaab keurde dit huwelijk
niet goed, aangezien één van de leiders van Al-Shabaab met haar wilde trouwen. Eiser werd
vervolgens ontvoerd en gemarteld in een afgelegen kamp. Hij is met hulp van de
stamoudsten bevrijd, nadat zij met Al-Shabaab hadden afgesproken dat eiser het huwelijk
zal intrekken en zal stoppen met het verkopen van genotsmiddelen. Eiser trouwde echter
alsnog, waarop zijn moeder is gebeld door Al-Shabaab dat zij hem willen vermoorden.
Eiser is ondergedoken bij een vriend, terwijl zijn moeder een smokkelaar heeft geregeld. Hij is toen naar Mogadishu gevlogen en heeft via Mogadishu het land verlaten.
Het bestreden besluit
2. De minister heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met Al-Shabaab.
2.1.
Omdat het vorige besluit van de minister door de rechtbank wegens een motiveringsgebrek is vernietigd, heeft de minister de verklaringen van eiser over de gestelde problemen met Al-Shabaab opnieuw beoordeeld en de motivering van de tegengeworpen punten nader gemotiveerd. Volgens de minister is daarmee voldaan aan de opdracht van de rechtbank.
2.2.
Net als in het vorige besluit acht de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn gestelde problemen met Al-Shabaab niet. Daartoe stelt de minister dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief ondersteunen. De minister acht het asielmotief niet alsnog geloofwaardig.
De minister stelt wederom dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daaraan legt de minister ten grondslag dat de verklaringen over de gestelde problemen op meerdere punten ongerijmd en tegenstrijdig zijn.
2.3.
De minister concludeert dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade.
Uitspraak rechtbank van 2 mei 2025
3. In de uitspraak van 2 mei 2025 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de verklaringen van eiser over de problemen die hij met Al-Shabaab heeft ondervonden, niet zonder meer als tegenstrijdig of ongerijmd kunnen worden aangemerkt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verklaringen van eiser aansluiten bij het beeld dat uit de landeninformatie naar voren komt over de aanwezigheid van Al-Shabaab in [plaats] .
Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat eiser heeft toegelicht waarom hij en zijn (schoon)familie ervoor hebben gekozen het huwelijk doorgang te laten vinden, ondanks de daaraan verbonden risico’s. Dat eiser niet direct na het huwelijk is vertrokken, acht de rechtbank niet onbegrijpelijk. Volgens de rechtbank heeft de minister daarbij onvoldoende rekening gehouden met de geleidelijke toename van de dreiging door Al-Shabaab. Ook volgt de rechtbank de tegenwerping niet dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over het contact met zijn moeder en zijn vriend. Eiser heeft hierover tijdens het gehoor en in de correcties en aanvullingen nadere uitleg gegeven. Het oordeel van de rechtbank van 2 mei 2025 staat in rechte vast.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank neemt, gelet op de arresten van het Hof van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal, tot uitgangspunt dat zij het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid ‘vol’ toetsen. De rechtbank zal dus haar eigen oordeel geven over de geloofwaardigheid.
Geloofwaardigheid problemen met Al-Shabaab
5. De rechtbank stelt voorop dat uit het verweerschrift en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat de feitelijke situatie in Somalië niet tussen partijen in geschil is. Het staat niet ter discussie dat Al-Shabaab in het gebied [plaats] , ondanks de aanwezigheid en controle van de overheid, een zekere mate van macht en invloed uitoefent die kan fluctueren. In geschil is de vraag of de door eiser ondervonden problemen met Al-Shabaab geloofwaardig zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Problemen door de verkoop van verboden producten
6. Uit de besluitvorming en de toelichting van de minister ter zitting blijkt dat de minister de verklaringen van eiser over de verkoop van verboden producten, nadat hij door Al-Shabaab was gewaarschuwd en bedreigd, ongerijmd acht. De minister ziet niet in dat Al-Shabaab eiser zou hebben benaderd en bedreigd om hem ervan te weerhouden bepaalde producten te verkopen, maar vervolgens slechts op afstand zou controleren of er geen verboden producten zichtbaar waren. Volgens de minister strookt dit bovendien niet met de informatie uit het ambtsbericht, waaruit volgt dat Al-Shabaab geweld gebruikte om haar interpretatie van de islam op te leggen in de gebieden die zij controleerde en dat gericht (extreme) geweld tegen burgers vaak het gevolg was van het niet naleven van opgelegde restricties of richtlijnen. In dat licht strookt eisers verklaring dat Al-Shabaab slechts kwam controleren of de producten zichtbaar waren opgesteld of slechts met eiser in discussie ging en hem bedreigde, niet met het beeld dat in het ambtsbericht wordt geschetst van de repressieve en gewelddadige aard van Al-Shabaab.
6.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 mei 2025 vastgesteld dat de minister niet in twijfel trekt dat eiser in de winkel van zijn moeder heeft gewerkt, dat Al-Shabaab daar is langs geweest, dat door de minister wordt aangenomen dat eiser bij het derde bezoek op heterdaad is betrapt, maar dat de kern van de tegenwerping volgens de minister ligt in de handelingen van eiser ná de gestelde dreigementen, mishandeling en ontvoering. Niet valt in te zien waarom de minister in het bestreden besluit dan alsnog gedetailleerd ingaat op de problemen met Al-Shabaab vanwege de verkoop van middelen.
6.2.
Naar het verdere oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van eiser omtrent het handelen van Al-Shabaab in relatie tot de verkoop in de winkel niet zonder meer ongerijmd of tegenstrijdig. De rechtbank acht van belang dat de verklaringen van eiser over Al-Shabaab aansluiten bij het beeld van de aanwezigheid van Al-Shabaab in [plaats] . Eiser heeft ter zitting nader toegelicht dat juist vanwege het feit dat de regio formeel onder controle van de overheid staat, Al-Shabaab zich niet altijd even extreem en repressief kan opstellen. Deze toelichting komt de rechtbank niet bevreemdend voor. Verder betrekt de rechtbank in haar beoordeling dat de minister in de besluitvorming de verklaringen van eiser over de problemen vanwege de winkel in 2022 afzet tegen landeninformatie die dateert van ná het asielrelaas, namelijk uit 2025, en bovendien geen betrekking heeft op de regio waar eiser vandaan komt. Eiser woonde immers niet in een gebied dat wordt gecontroleerd door Al-Shabaab. De minister kan de daaraan ontleende argumenten daarom niet gebruiken om eisers verklaringen op dit onderdeel ongeloofwaardig te achten.
Problemen rondom het huwelijk
7. De minister vindt het voorstelbaar dat eiser een huwelijksaanzoek heeft gedaan, omdat hij van de vrouw hield en wilde voorkomen dat zij zou worden uitgehuwelijkt. Gelet op de macht van Al-Shabaab en de daaraan verbonden risico’s vindt de minister het echter niet geloofwaardig dat eiser dit risico heeft genomen. Ook acht de minister de verklaring van eiser over zijn vrijlating na bemiddeling door stamoudsten niet geloofwaardig, omdat eiser verklaart niet te weten wat daarover is besproken. Ook valt volgens de minister niet n te zien dat zowel Al-Shabaab als de stamoudsten eiser hebben laten gaan zonder enige zekerheid dat het huwelijk zou worden afgeblazen.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister ten aanzien van het huwelijksaanzoek en het doorzetten van het huwelijk dezelfde argumenten aanvoert als in het vorige besluit. De rechtbank heeft dit punt reeds beoordeeld in haar uitspraak van 2 mei 2025: “Eiser heeft in het nader gehoor, de correcties en aanvullingen en de zienswijze verklaard en toegelicht waarom eiser en de (schoon)familie besloten het huwelijk door te laten gaan. Eiser houdt van haar en – evenals de vader van zijn toekomstige vrouw – wilde eiser voorkomen dat zij zou worden uitgehuwelijkt aan een lid van Al-Shabaab. Als een vrouw religieus gehuwd is, kan zij volgens de Islam daarna niet met een andere man huwen. Eiser heeft verklaard dat dit voor hem belangrijker was dan de risico’s die hij anders liep.” De rechtbank heeft hierover al geoordeeld dat niet valt in te zien wat hier tegenstrijdig of ongerijmd aan is. Dit oordeel staat in rechte vast.
7.2.
De rechtbank overweegt dat eiser heeft uitgelegd dat hij na de ontvoering is vrijgelaten met hulp van de stamoudsten. Hij was er toen slecht aan toe. De stamoudsten hebben eiser meegenomen en naar huis gebracht. Eiser is gaan rusten en de stamoudsten hebben gesproken met zijn moeder. Eiser was niet bij dat gesprek aanwezig. Dat hij niet precies weet wat er in dat gesprek is besproken kan hem dus niet worden tegengeworpen. Eiser heeft het zo begrepen dat de afspraak was dat de stamoudsten voor hem garant stonden en dat wanneer eiser dan toch zou trouwen met de vrouw en de stad niet zou verlaten, hij geen bescherming meer kon genieten van zijn stam en Al-Shabaab dan met eiser kon doen wat ze wilden. Deze verklaringen van eiser komen de rechtbank niet ongeloofwaardig voor.
8. Uit het verweerschrift volgt verder dat de nadere motivering dat de gang van zaken rondom het gestelde huwelijk niet geloofwaardig is, mede is gebaseerd op de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor en in de zienswijze. Volgens de minister heeft eiser daarbij tegenstrijdig verklaard over de duur van de periode tussen de gestelde ontvoering en het gestelde huwelijk. Tijdens het nader gehoor heeft hij namelijk verklaard dat deze periode ongeveer een maand heeft geduurd en in de zienswijze heeft hij gesteld dat hij binnen een week na zijn vrijlating zou zijn gehuwd.
8.1.
De rechtbank overweegt dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij in de eerste week van maart werd aangesproken in de moskee en dat de inval en de ontvoering vijf dagen na de plechtigheid van het aanzoek (het ‘weggeven’) plaatsvonden. Over het huwelijk heeft eiser verklaard dat dit op 1 april plaatsvond en dat dit “een kleine maand, het was niet eens een maand” na de ontvoering was. De rechtbank stelt vast dat hier tijdens het gehoor niet verder op is doorgevraagd. In de zienswijze heeft eiser opgemerkt dat er geen maand tussen de ontvoering en het huwelijk zat. Hij is binnen een week na de vrijlating met de vrouw getrouwd. In beroep heeft eiser verduidelijkt dat de periode van een krappe maand waarover hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard, betrekking heeft op de periode tussen het moment waarop het huwelijk tussen beide families ter sprake kwam en zijn ontvoering door Al-Shabaab. De in de zienswijze genoemde periode van een week ziet daarentegen op de periode na zijn vrijlating door Al-Shabaab. Van enige ongerijmdheid of tegenstrijdigheid is daarom geen sprake meer.
9. Daarnaast acht de minister het niet geloofwaardig dat eiser de leider van Al-Shabaab toevallig in de moskee is tegengekomen, dat deze hem niet eerder heeft opgezocht en dat geen actie zou zijn ondernomen om te voorkomen dat eiser met zijn huidige vrouw zou trouwen. Verder acht de minister het opmerkelijk dat eiser ervan uitging dat het huwelijk niet direct bekend zou worden, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard dat het huwelijk door een imam zou zijn voltrokken in het dorp in het bijzijn van iedereen uit de buurt.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard dat hij binnen een week na zijn vrijlating in de moskee is aangesproken. Anders dan de minister veronderstelt, ligt hier dus geen lange periode tussen. Ook hoeft het feit dat eiser daar is aangesproken niet op toeval te berusten. De familie was immers bezig met de voorbereidingen voor het huwelijk, waardoor het mogelijk is dat deze informatie Al-Shabaab ter ore was gekomen. Ten aanzien van de vraag hoe het huwelijk bij Al-Shabaab bekend zou zijn geworden, overweegt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat de vader van zijn vrouw de imam voor het huwelijk had geregeld. Eiser heeft daarbij aangegeven te vermoeden dat de imam niet op de hoogte was van de volledige voorgeschiedenis tussen Al-Shabaab en de stamoudsten. Daarnaast is in de correcties en aanvullingen verduidelijkt dat niet het gehele dorp, maar uitsluitend de families van eiser en zijn vrouw bij het huwelijk aanwezig waren. De rechtbank ziet niet in waarom deze verklaring niet verenigbaar zou zijn met eisers verklaring dat hij er niet van uitging dat het huwelijk direct bij Al-Shabaab bekend zou worden.
Vluchtplan, onderduiken en vertrek uit Somalië
10. Volgens de minister sluiten de door eiser gestelde gebeurtenissen en de door hem geschetste gang van zaken rondom zijn vertrek uit Somalië onvoldoende aan bij wat in een dergelijke situatie verwacht mag worden. De minister acht het daarbij niet aannemelijk dat eiser niet direct met zijn vrouw is vertrokken, dat Al-Shabaab hem niet zelf heeft benaderd maar uitsluitend via zijn moeder een bedreiging heeft geuit, en dat eiser op de door hem beschreven wijze door de steegjes heeft kunnen vluchten. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de duur van zijn verblijf in Mogadishu vóór zijn vertrek uit Somalië: tijdens het aanmeldgehoor sprak hij over één nacht, terwijl hij tijdens het nader gehoor verklaarde daar ongeveer een week te hebben verbleven.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geloofwaardig heeft verklaard over het vluchtplan, het onderduiken en zijn vertrek uit Somalië. De rechtbank heeft hierover in uitspraak van 2 mei 2025 al het volgende overwogen: “Eiser ging ervan uit dat het huwelijk niet direct bekend zou zijn en hij met zijn vrouw ergens anders in het geheim naartoe kon vluchten. Het huwelijk werd sneller ontdekt dan eiser had verwacht, en het werd toen te gevaarlijk om samen te vertrekken. Eiser is ondergedoken en is uiteindelijk met het vliegtuig naar Mogadishu vertrokken. De rechtbank ziet niet in wat hier tegenstrijdig of ongerijmd aan is. Dat verweerder niet inziet waarom eiser niet direct na het huwelijk is vertrokken, volgt de rechtbank evenmin. Verweerder miskent hiermee de opbouw in dreiging door Al-Shabaab, die dermate serieuzer werd.” Dit oordeel staat in rechte vast.
10.2.
In aanvulling overweegt de rechtbank nog het volgende. Eiser heeft verklaard dat hij van plan was om samen met zijn vrouw met de bus te vluchten voordat Al-Shabaab het huwelijk zou hebben ontdekt, omdat de bus over het algemeen minder risicovol is dan een personenauto, die vaak worden gestopt en doorzocht. De bus is na het huwelijk echter niet gekomen en nog voordat de tweede bus zou vertrekken, is het huwelijk bekend geworden bij Al-Shabaab. Hierdoor is alles veranderd. Nadat zijn moeder op het telefoonnummer van de winkel was gebeld met de doodsbedreiging aan het adres van eiser, is hij via steegjes binnendoor in ongeveer 15 à 20 minuten naar zijn vriend gerend. Eiser is daar ondergedoken, omdat dit het minst risicovol was. Hij is niet meer met de volgende bus vertrokken omdat hij toen ondergedoken zat. Het zou ook te gevaarlijk zijn om nog samen met zijn vrouw te vertrekken. De moeder van eiser heeft vervolgens een reisagent geregeld en eiser is met hem met zijn auto vertrokken. Eiser is vervolgens illegaal meegereisd met een vliegtuig voor goederenvervoer. Dit was geen veilige manier om samen met zijn vrouw te vluchten en was bovendien onbetaalbaar, maar bleek na het dreigtelefoontje voor eiser de veiligste optie. Deze verklaring komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor.
10.3.
Voor zover de minister wijst op de tegenstrijdige verklaringen van eiser over de duur van zijn verblijf in Mogadishu, overweegt de rechtbank dat het klopt dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij ongeveer een week in Mogadishu heeft verbleven, terwijl hij in het aanmeldgehoor heeft verklaard over één nacht. Eiser is hier tijdens het nader gehoor niet mee geconfronteerd, maar heeft dit gecorrigeerd in de zienswijze. Ook op de zitting heeft eiser desgevraagd – en stellig – benadrukt dat hij slechts één nacht in Mogadishu heeft verbleven. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee voldoende uitleg heeft gegeven en acht dit verschil in verklaringen overigens ook niet doorslaggevend.
Conclusie geloofwaardigheid
11. Om bovengenoemde redenen is de rechtbank van oordeel dat het geloofwaardigheidsoordeel van de minister over eisers problemen met Al-Shabaab geen stand kan houden. De rechtbank ziet geen deugdelijke motivering van de minister om niet aan te nemen dat eiser vanwege de verkoop van genotsmiddelen en zijn huwelijk met zijn echtgenote problemen met Al-Shabaab heeft gekregen. De rechtbank geeft daarom ook op dit punt een bindend oordeel en acht geloofwaardig dat eiser problemen heeft gekregen met Al-Shabaab. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven en de minister moet een nieuw besluit nemen. Daarbij moet de minister uitgaan van de geloofwaardigheid van eisers problemen met Al-Shabaab. Met het oog op de finale geschilbeslechting zal de rechtbank – waar mogelijk – nog ingaan op hetgeen is aangevoerd over de risico’s bij terugkeer.
Risico’s bij terugkeer
12. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de kaart behorend bij het Algemeen Ambtsbericht Somalië van maart 2025 volgt dat eiser niet afkomstig is uit een gebied dat onder de macht of controle van Al-Shabaab staat. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer vanuit Mogadishu naar [plaats] niet over land hoeft te reizen door een gebied dat onder de macht of controle van Al-Shabaab staat.
12.1.
De rechtbank merkt hierover op dat eiser gemotiveerd heeft aangevoerd dat de wegen rondom [plaats] onder controle staan van Al-Shabaab en dat vanuit deze gebieden geregeld aanslagen en aanvallen worden uitgevoerd. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar het rapport Security Situation Somalia van de EUAA van mei 2026, waaruit volgens hem volgt dat de veiligheidssituatie in dit gebied verder is verslechterd.
12.2.
Ten aanzien van het reizen over land van Mogadishu naar [plaats] heeft eiser gemotiveerd aangevoerd dat de minister heeft miskend dat uit de door de minister zelf gebruikte kaart volgt dat deze reis voert langs gebieden die onder controle van Al-Shabaab staan. Eiser wijst erop dat de weg ter hoogte van Fidow volledig onder controle staat van Al-Shabaab en dat zich daar controleposten van Al-Shabaab bevinden. Dit blijkt eveneens uit de kaart waarop de minister zich beroept. Daarnaast heeft eiser gemotiveerd aangevoerd dat de minister heeft miskend dat de als mixed controlled aangeduide gebieden niet uitsluiten dat delen daarvan onder controle van Al-Shabaab staan, zodat ook daar een reëel veiligheidsrisico bestaat.
12.3.
De rechtbank merkt zekerheidshalve op dat uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025, waarin een overzicht is opgenomen van de binnenlandse vliegverbindingen, niet volgt dat reguliere binnenlandse passagiersvluchten naar [plaats] worden aangeboden. Voor zover de minister van mening is dat eiser in het verleden (met hulp van derden) per vrachtvliegtuig naar Mogadishu is gereisd en dat daarom ook thans van een dergelijke reismogelijkheid kan worden uitgegaan, overweegt de rechtbank dat deze omstandigheid onvoldoende is om aan te nemen dat een dergelijke route momenteel voor eiser toegankelijk is. Niet is gebleken dat dergelijke vluchten thans beschikbaar zijn.
12.4.
Voor zover de minister ervan uitgaat dat eiser over land vanuit Mogadishu naar [plaats] kan reizen, dient de minister zich eveneens rekenschap te geven van de actuele veiligheidssituatie in Mogadishu. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat voor Benadir/Mogadishu nog steeds kan worden uitgegaan van een lager niveau van willekeurig geweld en heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2026. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Mogadishu wezenlijk afwijkt van hetgeen is neergelegd in het landgebonden beleid van de minister. De rechtbank merkt echter op dat deze verwijzing niet opgaat. Uit de betreffende uitspraak blijkt niet dat het EUAA-rapport Somalië van oktober 2025, waaruit volgt dat de mate van willekeurig geweld in Mogadishu een hoog niveau heeft bereikt, daarbij is betrokken. Omdat dit rapport van de EUAA dateert van ná het Algemeen Ambtsbericht Somalië van 2025, dient de minister gemotiveerd toe te lichten waarom deze informatie geen aanleiding geeft om in Mogadishu van een hoger niveau van willekeurig geweld uit te gaan.
12.5.
Ten slotte merkt de rechtbank op dat uit het landgebonden beleid van de minister volgt dat in gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert voor iedere terugkeerder een reëel risico op ernstige schade wordt aangenomen. Hetzelfde geldt indien een vreemdeling over land moet reizen door een gebied dat onder de macht of controle van Al-Shabaab staat. In dat verband heeft eiser aangevoerd dat hij inmiddels bijna vier jaar in Nederland verblijft en dat zijn risico's bij terugkeer zijn toegenomen als gevolg van zijn langdurige afwezigheid, het ontbreken van een sociaal netwerk en veranderingen in zijn gedrag en voorkomen, waardoor hij sneller als terugkeerder zal opvallen.
12.6.
Al het voorgaande dient de minister te betrekken bij het nieuw te nemen besluit.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister een termijn van zes voor het nieuw te nemen besluit.
14. Verder ziet de rechtbank gelet op de lange duur van de procedure met twee gegronde beroepen en het belang van eiser bij duidelijkheid over zijn rechtspositie op grond van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb reden om de minister een dwangsom op te leggen van € 100,-, te betalen aan eiser voor iedere dag dat de minister de door de rechtbank opgelegde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
NL25.2166 (niet-gepubliceerd).
Hof van Justitie van de Europese Unie
ECLI:EU:C:2026:448 en ECLI:EU:C:2026:447.
De minister verwijst in dit verband naar verschillende passages uit het Algemeen ambtsbericht Somalië (april 2025).
European Union Agency for Asylum.
Zie Algemeen Ambtsbericht Somalië 2025, p. 84.
ECLI:NL:RVS:2026:86.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
EUAA, Country Guidance: Somalia (oktober 2025).
Zie paragraaf C7/30.4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.38960
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, geboren op [geboortedag] 2000, van Somalische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. M. Terpstra),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
Procesverloop
Eiser heeft op 19 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
De minister heeft met het besluit van 10 januari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure als ongegrond afgewezen. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 mei 2025 is het daartegen door eiser ingesteld beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag moest nemen, met inachtneming van de uitspraak.
Bij besluit van 22 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister opnieuw op de aanvraag beslist en de aanvraag wederom als ongegrond afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.A. Mohamad als tolk in de Somalische taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
1. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft
de Somalische nationaliteit, behoort tot de Hawiye-bevolkingsgroep en komt uit de stad
[plaats] . In 2022 is eiser fulltime gaan werken in de winkel van zijn moeder. Hij kreeg
toen problemen met Al-Shabaab omdat hij bepaalde genotsmiddelen verkocht. Al-Shabaab
is meerdere keren naar de winkel gekomen, waar zij eiser hebben bedreigd en mishandeld.
Ook wilde eiser trouwen met zijn huidige echtgenote, maar Al-Shabaab keurde dit huwelijk
niet goed, aangezien één van de leiders van Al-Shabaab met haar wilde trouwen. Eiser werd
vervolgens ontvoerd en gemarteld in een afgelegen kamp. Hij is met hulp van de
stamoudsten bevrijd, nadat zij met Al-Shabaab hadden afgesproken dat eiser het huwelijk
zal intrekken en zal stoppen met het verkopen van genotsmiddelen. Eiser trouwde echter
alsnog, waarop zijn moeder is gebeld door Al-Shabaab dat zij hem willen vermoorden.
Eiser is ondergedoken bij een vriend, terwijl zijn moeder een smokkelaar heeft geregeld. Hij is toen naar Mogadishu gevlogen en heeft via Mogadishu het land verlaten.
Het bestreden besluit
2. De minister heeft de volgende asielmotieven onderscheiden:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met Al-Shabaab.
2.1.
Omdat het vorige besluit van de minister door de rechtbank wegens een motiveringsgebrek is vernietigd, heeft de minister de verklaringen van eiser over de gestelde problemen met Al-Shabaab opnieuw beoordeeld en de motivering van de tegengeworpen punten nader gemotiveerd. Volgens de minister is daarmee voldaan aan de opdracht van de rechtbank.
2.2.
Net als in het vorige besluit acht de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn gestelde problemen met Al-Shabaab niet. Daartoe stelt de minister dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief ondersteunen. De minister acht het asielmotief niet alsnog geloofwaardig.
De minister stelt wederom dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daaraan legt de minister ten grondslag dat de verklaringen over de gestelde problemen op meerdere punten ongerijmd en tegenstrijdig zijn.
2.3.
De minister concludeert dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade.
Uitspraak rechtbank van 2 mei 2025
3. In de uitspraak van 2 mei 2025 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de verklaringen van eiser over de problemen die hij met Al-Shabaab heeft ondervonden, niet zonder meer als tegenstrijdig of ongerijmd kunnen worden aangemerkt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verklaringen van eiser aansluiten bij het beeld dat uit de landeninformatie naar voren komt over de aanwezigheid van Al-Shabaab in [plaats] .
Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat eiser heeft toegelicht waarom hij en zijn (schoon)familie ervoor hebben gekozen het huwelijk doorgang te laten vinden, ondanks de daaraan verbonden risico’s. Dat eiser niet direct na het huwelijk is vertrokken, acht de rechtbank niet onbegrijpelijk. Volgens de rechtbank heeft de minister daarbij onvoldoende rekening gehouden met de geleidelijke toename van de dreiging door Al-Shabaab. Ook volgt de rechtbank de tegenwerping niet dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over het contact met zijn moeder en zijn vriend. Eiser heeft hierover tijdens het gehoor en in de correcties en aanvullingen nadere uitleg gegeven. Het oordeel van de rechtbank van 2 mei 2025 staat in rechte vast.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank neemt, gelet op de arresten van het Hof van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal, tot uitgangspunt dat zij het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid ‘vol’ toetsen. De rechtbank zal dus haar eigen oordeel geven over de geloofwaardigheid.
Geloofwaardigheid problemen met Al-Shabaab
5. De rechtbank stelt voorop dat uit het verweerschrift en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat de feitelijke situatie in Somalië niet tussen partijen in geschil is. Het staat niet ter discussie dat Al-Shabaab in het gebied [plaats] , ondanks de aanwezigheid en controle van de overheid, een zekere mate van macht en invloed uitoefent die kan fluctueren. In geschil is de vraag of de door eiser ondervonden problemen met Al-Shabaab geloofwaardig zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Problemen door de verkoop van verboden producten
6. Uit de besluitvorming en de toelichting van de minister ter zitting blijkt dat de minister de verklaringen van eiser over de verkoop van verboden producten, nadat hij door Al-Shabaab was gewaarschuwd en bedreigd, ongerijmd acht. De minister ziet niet in dat Al-Shabaab eiser zou hebben benaderd en bedreigd om hem ervan te weerhouden bepaalde producten te verkopen, maar vervolgens slechts op afstand zou controleren of er geen verboden producten zichtbaar waren. Volgens de minister strookt dit bovendien niet met de informatie uit het ambtsbericht, waaruit volgt dat Al-Shabaab geweld gebruikte om haar interpretatie van de islam op te leggen in de gebieden die zij controleerde en dat gericht (extreme) geweld tegen burgers vaak het gevolg was van het niet naleven van opgelegde restricties of richtlijnen. In dat licht strookt eisers verklaring dat Al-Shabaab slechts kwam controleren of de producten zichtbaar waren opgesteld of slechts met eiser in discussie ging en hem bedreigde, niet met het beeld dat in het ambtsbericht wordt geschetst van de repressieve en gewelddadige aard van Al-Shabaab.
6.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 mei 2025 vastgesteld dat de minister niet in twijfel trekt dat eiser in de winkel van zijn moeder heeft gewerkt, dat Al-Shabaab daar is langs geweest, dat door de minister wordt aangenomen dat eiser bij het derde bezoek op heterdaad is betrapt, maar dat de kern van de tegenwerping volgens de minister ligt in de handelingen van eiser ná de gestelde dreigementen, mishandeling en ontvoering. Niet valt in te zien waarom de minister in het bestreden besluit dan alsnog gedetailleerd ingaat op de problemen met Al-Shabaab vanwege de verkoop van middelen.
6.2.
Naar het verdere oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van eiser omtrent het handelen van Al-Shabaab in relatie tot de verkoop in de winkel niet zonder meer ongerijmd of tegenstrijdig. De rechtbank acht van belang dat de verklaringen van eiser over Al-Shabaab aansluiten bij het beeld van de aanwezigheid van Al-Shabaab in [plaats] . Eiser heeft ter zitting nader toegelicht dat juist vanwege het feit dat de regio formeel onder controle van de overheid staat, Al-Shabaab zich niet altijd even extreem en repressief kan opstellen. Deze toelichting komt de rechtbank niet bevreemdend voor. Verder betrekt de rechtbank in haar beoordeling dat de minister in de besluitvorming de verklaringen van eiser over de problemen vanwege de winkel in 2022 afzet tegen landeninformatie die dateert van ná het asielrelaas, namelijk uit 2025, en bovendien geen betrekking heeft op de regio waar eiser vandaan komt. Eiser woonde immers niet in een gebied dat wordt gecontroleerd door Al-Shabaab. De minister kan de daaraan ontleende argumenten daarom niet gebruiken om eisers verklaringen op dit onderdeel ongeloofwaardig te achten.
Problemen rondom het huwelijk
7. De minister vindt het voorstelbaar dat eiser een huwelijksaanzoek heeft gedaan, omdat hij van de vrouw hield en wilde voorkomen dat zij zou worden uitgehuwelijkt. Gelet op de macht van Al-Shabaab en de daaraan verbonden risico’s vindt de minister het echter niet geloofwaardig dat eiser dit risico heeft genomen. Ook acht de minister de verklaring van eiser over zijn vrijlating na bemiddeling door stamoudsten niet geloofwaardig, omdat eiser verklaart niet te weten wat daarover is besproken. Ook valt volgens de minister niet n te zien dat zowel Al-Shabaab als de stamoudsten eiser hebben laten gaan zonder enige zekerheid dat het huwelijk zou worden afgeblazen.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister ten aanzien van het huwelijksaanzoek en het doorzetten van het huwelijk dezelfde argumenten aanvoert als in het vorige besluit. De rechtbank heeft dit punt reeds beoordeeld in haar uitspraak van 2 mei 2025: “Eiser heeft in het nader gehoor, de correcties en aanvullingen en de zienswijze verklaard en toegelicht waarom eiser en de (schoon)familie besloten het huwelijk door te laten gaan. Eiser houdt van haar en – evenals de vader van zijn toekomstige vrouw – wilde eiser voorkomen dat zij zou worden uitgehuwelijkt aan een lid van Al-Shabaab. Als een vrouw religieus gehuwd is, kan zij volgens de Islam daarna niet met een andere man huwen. Eiser heeft verklaard dat dit voor hem belangrijker was dan de risico’s die hij anders liep.” De rechtbank heeft hierover al geoordeeld dat niet valt in te zien wat hier tegenstrijdig of ongerijmd aan is. Dit oordeel staat in rechte vast.
7.2.
De rechtbank overweegt dat eiser heeft uitgelegd dat hij na de ontvoering is vrijgelaten met hulp van de stamoudsten. Hij was er toen slecht aan toe. De stamoudsten hebben eiser meegenomen en naar huis gebracht. Eiser is gaan rusten en de stamoudsten hebben gesproken met zijn moeder. Eiser was niet bij dat gesprek aanwezig. Dat hij niet precies weet wat er in dat gesprek is besproken kan hem dus niet worden tegengeworpen. Eiser heeft het zo begrepen dat de afspraak was dat de stamoudsten voor hem garant stonden en dat wanneer eiser dan toch zou trouwen met de vrouw en de stad niet zou verlaten, hij geen bescherming meer kon genieten van zijn stam en Al-Shabaab dan met eiser kon doen wat ze wilden. Deze verklaringen van eiser komen de rechtbank niet ongeloofwaardig voor.
8. Uit het verweerschrift volgt verder dat de nadere motivering dat de gang van zaken rondom het gestelde huwelijk niet geloofwaardig is, mede is gebaseerd op de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor en in de zienswijze. Volgens de minister heeft eiser daarbij tegenstrijdig verklaard over de duur van de periode tussen de gestelde ontvoering en het gestelde huwelijk. Tijdens het nader gehoor heeft hij namelijk verklaard dat deze periode ongeveer een maand heeft geduurd en in de zienswijze heeft hij gesteld dat hij binnen een week na zijn vrijlating zou zijn gehuwd.
8.1.
De rechtbank overweegt dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij in de eerste week van maart werd aangesproken in de moskee en dat de inval en de ontvoering vijf dagen na de plechtigheid van het aanzoek (het ‘weggeven’) plaatsvonden. Over het huwelijk heeft eiser verklaard dat dit op 1 april plaatsvond en dat dit “een kleine maand, het was niet eens een maand” na de ontvoering was. De rechtbank stelt vast dat hier tijdens het gehoor niet verder op is doorgevraagd. In de zienswijze heeft eiser opgemerkt dat er geen maand tussen de ontvoering en het huwelijk zat. Hij is binnen een week na de vrijlating met de vrouw getrouwd. In beroep heeft eiser verduidelijkt dat de periode van een krappe maand waarover hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard, betrekking heeft op de periode tussen het moment waarop het huwelijk tussen beide families ter sprake kwam en zijn ontvoering door Al-Shabaab. De in de zienswijze genoemde periode van een week ziet daarentegen op de periode na zijn vrijlating door Al-Shabaab. Van enige ongerijmdheid of tegenstrijdigheid is daarom geen sprake meer.
9. Daarnaast acht de minister het niet geloofwaardig dat eiser de leider van Al-Shabaab toevallig in de moskee is tegengekomen, dat deze hem niet eerder heeft opgezocht en dat geen actie zou zijn ondernomen om te voorkomen dat eiser met zijn huidige vrouw zou trouwen. Verder acht de minister het opmerkelijk dat eiser ervan uitging dat het huwelijk niet direct bekend zou worden, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard dat het huwelijk door een imam zou zijn voltrokken in het dorp in het bijzijn van iedereen uit de buurt.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard dat hij binnen een week na zijn vrijlating in de moskee is aangesproken. Anders dan de minister veronderstelt, ligt hier dus geen lange periode tussen. Ook hoeft het feit dat eiser daar is aangesproken niet op toeval te berusten. De familie was immers bezig met de voorbereidingen voor het huwelijk, waardoor het mogelijk is dat deze informatie Al-Shabaab ter ore was gekomen. Ten aanzien van de vraag hoe het huwelijk bij Al-Shabaab bekend zou zijn geworden, overweegt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat de vader van zijn vrouw de imam voor het huwelijk had geregeld. Eiser heeft daarbij aangegeven te vermoeden dat de imam niet op de hoogte was van de volledige voorgeschiedenis tussen Al-Shabaab en de stamoudsten. Daarnaast is in de correcties en aanvullingen verduidelijkt dat niet het gehele dorp, maar uitsluitend de families van eiser en zijn vrouw bij het huwelijk aanwezig waren. De rechtbank ziet niet in waarom deze verklaring niet verenigbaar zou zijn met eisers verklaring dat hij er niet van uitging dat het huwelijk direct bij Al-Shabaab bekend zou worden.
Vluchtplan, onderduiken en vertrek uit Somalië
10. Volgens de minister sluiten de door eiser gestelde gebeurtenissen en de door hem geschetste gang van zaken rondom zijn vertrek uit Somalië onvoldoende aan bij wat in een dergelijke situatie verwacht mag worden. De minister acht het daarbij niet aannemelijk dat eiser niet direct met zijn vrouw is vertrokken, dat Al-Shabaab hem niet zelf heeft benaderd maar uitsluitend via zijn moeder een bedreiging heeft geuit, en dat eiser op de door hem beschreven wijze door de steegjes heeft kunnen vluchten. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de duur van zijn verblijf in Mogadishu vóór zijn vertrek uit Somalië: tijdens het aanmeldgehoor sprak hij over één nacht, terwijl hij tijdens het nader gehoor verklaarde daar ongeveer een week te hebben verbleven.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geloofwaardig heeft verklaard over het vluchtplan, het onderduiken en zijn vertrek uit Somalië. De rechtbank heeft hierover in uitspraak van 2 mei 2025 al het volgende overwogen: “Eiser ging ervan uit dat het huwelijk niet direct bekend zou zijn en hij met zijn vrouw ergens anders in het geheim naartoe kon vluchten. Het huwelijk werd sneller ontdekt dan eiser had verwacht, en het werd toen te gevaarlijk om samen te vertrekken. Eiser is ondergedoken en is uiteindelijk met het vliegtuig naar Mogadishu vertrokken. De rechtbank ziet niet in wat hier tegenstrijdig of ongerijmd aan is. Dat verweerder niet inziet waarom eiser niet direct na het huwelijk is vertrokken, volgt de rechtbank evenmin. Verweerder miskent hiermee de opbouw in dreiging door Al-Shabaab, die dermate serieuzer werd.” Dit oordeel staat in rechte vast.
10.2.
In aanvulling overweegt de rechtbank nog het volgende. Eiser heeft verklaard dat hij van plan was om samen met zijn vrouw met de bus te vluchten voordat Al-Shabaab het huwelijk zou hebben ontdekt, omdat de bus over het algemeen minder risicovol is dan een personenauto, die vaak worden gestopt en doorzocht. De bus is na het huwelijk echter niet gekomen en nog voordat de tweede bus zou vertrekken, is het huwelijk bekend geworden bij Al-Shabaab. Hierdoor is alles veranderd. Nadat zijn moeder op het telefoonnummer van de winkel was gebeld met de doodsbedreiging aan het adres van eiser, is hij via steegjes binnendoor in ongeveer 15 à 20 minuten naar zijn vriend gerend. Eiser is daar ondergedoken, omdat dit het minst risicovol was. Hij is niet meer met de volgende bus vertrokken omdat hij toen ondergedoken zat. Het zou ook te gevaarlijk zijn om nog samen met zijn vrouw te vertrekken. De moeder van eiser heeft vervolgens een reisagent geregeld en eiser is met hem met zijn auto vertrokken. Eiser is vervolgens illegaal meegereisd met een vliegtuig voor goederenvervoer. Dit was geen veilige manier om samen met zijn vrouw te vluchten en was bovendien onbetaalbaar, maar bleek na het dreigtelefoontje voor eiser de veiligste optie. Deze verklaring komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor.
10.3.
Voor zover de minister wijst op de tegenstrijdige verklaringen van eiser over de duur van zijn verblijf in Mogadishu, overweegt de rechtbank dat het klopt dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij ongeveer een week in Mogadishu heeft verbleven, terwijl hij in het aanmeldgehoor heeft verklaard over één nacht. Eiser is hier tijdens het nader gehoor niet mee geconfronteerd, maar heeft dit gecorrigeerd in de zienswijze. Ook op de zitting heeft eiser desgevraagd – en stellig – benadrukt dat hij slechts één nacht in Mogadishu heeft verbleven. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee voldoende uitleg heeft gegeven en acht dit verschil in verklaringen overigens ook niet doorslaggevend.
Conclusie geloofwaardigheid
11. Om bovengenoemde redenen is de rechtbank van oordeel dat het geloofwaardigheidsoordeel van de minister over eisers problemen met Al-Shabaab geen stand kan houden. De rechtbank ziet geen deugdelijke motivering van de minister om niet aan te nemen dat eiser vanwege de verkoop van genotsmiddelen en zijn huwelijk met zijn echtgenote problemen met Al-Shabaab heeft gekregen. De rechtbank geeft daarom ook op dit punt een bindend oordeel en acht geloofwaardig dat eiser problemen heeft gekregen met Al-Shabaab. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven en de minister moet een nieuw besluit nemen. Daarbij moet de minister uitgaan van de geloofwaardigheid van eisers problemen met Al-Shabaab. Met het oog op de finale geschilbeslechting zal de rechtbank – waar mogelijk – nog ingaan op hetgeen is aangevoerd over de risico’s bij terugkeer.
Risico’s bij terugkeer
12. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de kaart behorend bij het Algemeen Ambtsbericht Somalië van maart 2025 volgt dat eiser niet afkomstig is uit een gebied dat onder de macht of controle van Al-Shabaab staat. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer vanuit Mogadishu naar [plaats] niet over land hoeft te reizen door een gebied dat onder de macht of controle van Al-Shabaab staat.
12.1.
De rechtbank merkt hierover op dat eiser gemotiveerd heeft aangevoerd dat de wegen rondom [plaats] onder controle staan van Al-Shabaab en dat vanuit deze gebieden geregeld aanslagen en aanvallen worden uitgevoerd. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar het rapport Security Situation Somalia van de EUAA van mei 2026, waaruit volgens hem volgt dat de veiligheidssituatie in dit gebied verder is verslechterd.
12.2.
Ten aanzien van het reizen over land van Mogadishu naar [plaats] heeft eiser gemotiveerd aangevoerd dat de minister heeft miskend dat uit de door de minister zelf gebruikte kaart volgt dat deze reis voert langs gebieden die onder controle van Al-Shabaab staan. Eiser wijst erop dat de weg ter hoogte van Fidow volledig onder controle staat van Al-Shabaab en dat zich daar controleposten van Al-Shabaab bevinden. Dit blijkt eveneens uit de kaart waarop de minister zich beroept. Daarnaast heeft eiser gemotiveerd aangevoerd dat de minister heeft miskend dat de als mixed controlled aangeduide gebieden niet uitsluiten dat delen daarvan onder controle van Al-Shabaab staan, zodat ook daar een reëel veiligheidsrisico bestaat.
12.3.
De rechtbank merkt zekerheidshalve op dat uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025, waarin een overzicht is opgenomen van de binnenlandse vliegverbindingen, niet volgt dat reguliere binnenlandse passagiersvluchten naar [plaats] worden aangeboden. Voor zover de minister van mening is dat eiser in het verleden (met hulp van derden) per vrachtvliegtuig naar Mogadishu is gereisd en dat daarom ook thans van een dergelijke reismogelijkheid kan worden uitgegaan, overweegt de rechtbank dat deze omstandigheid onvoldoende is om aan te nemen dat een dergelijke route momenteel voor eiser toegankelijk is. Niet is gebleken dat dergelijke vluchten thans beschikbaar zijn.
12.4.
Voor zover de minister ervan uitgaat dat eiser over land vanuit Mogadishu naar [plaats] kan reizen, dient de minister zich eveneens rekenschap te geven van de actuele veiligheidssituatie in Mogadishu. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat voor Benadir/Mogadishu nog steeds kan worden uitgegaan van een lager niveau van willekeurig geweld en heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2026. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Mogadishu wezenlijk afwijkt van hetgeen is neergelegd in het landgebonden beleid van de minister. De rechtbank merkt echter op dat deze verwijzing niet opgaat. Uit de betreffende uitspraak blijkt niet dat het EUAA-rapport Somalië van oktober 2025, waaruit volgt dat de mate van willekeurig geweld in Mogadishu een hoog niveau heeft bereikt, daarbij is betrokken. Omdat dit rapport van de EUAA dateert van ná het Algemeen Ambtsbericht Somalië van 2025, dient de minister gemotiveerd toe te lichten waarom deze informatie geen aanleiding geeft om in Mogadishu van een hoger niveau van willekeurig geweld uit te gaan.
12.5.
Ten slotte merkt de rechtbank op dat uit het landgebonden beleid van de minister volgt dat in gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert voor iedere terugkeerder een reëel risico op ernstige schade wordt aangenomen. Hetzelfde geldt indien een vreemdeling over land moet reizen door een gebied dat onder de macht of controle van Al-Shabaab staat. In dat verband heeft eiser aangevoerd dat hij inmiddels bijna vier jaar in Nederland verblijft en dat zijn risico's bij terugkeer zijn toegenomen als gevolg van zijn langdurige afwezigheid, het ontbreken van een sociaal netwerk en veranderingen in zijn gedrag en voorkomen, waardoor hij sneller als terugkeerder zal opvallen.
12.6.
Al het voorgaande dient de minister te betrekken bij het nieuw te nemen besluit.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister een termijn van zes voor het nieuw te nemen besluit.
14. Verder ziet de rechtbank gelet op de lange duur van de procedure met twee gegronde beroepen en het belang van eiser bij duidelijkheid over zijn rechtspositie op grond van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb reden om de minister een dwangsom op te leggen van € 100,-, te betalen aan eiser voor iedere dag dat de minister de door de rechtbank opgelegde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
NL25.2166 (niet-gepubliceerd).
Hof van Justitie van de Europese Unie
ECLI:EU:C:2026:448 en ECLI:EU:C:2026:447.
De minister verwijst in dit verband naar verschillende passages uit het Algemeen ambtsbericht Somalië (april 2025).
European Union Agency for Asylum.
Zie Algemeen Ambtsbericht Somalië 2025, p. 84.
ECLI:NL:RVS:2026:86.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
EUAA, Country Guidance: Somalia (oktober 2025).
Zie paragraaf C7/30.4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.