Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22647
2026-07-21
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.38554
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, kennisgeving, had verweerder de info-set in het dossier moeten opnemen?, binnentreden van de woning, ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2025:2273 Raad van State 22-05-2025
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.865 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38554
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer 1]
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Ludwig).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.1.
Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3.2.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Had verweerder de info-set in het dossier moeten opnemen?
4. Eiser stelt dat sprake is van een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM, omdat de info-set op naam van eiser, die is gebruikt om hem te identificeren bij de staandehouding, niet in het dossier is opgenomen. Eiser betoogt dat hierdoor geen sprake is van ‘equality of arms’. Volgens eiser heeft zijn gemachtigde het recht om de foto die gebruikt is bij de staandehouding in te zien, om te controleren of deze foto overeenkomt met de persoon van eiser. De staandehouding is daarmee onrechtmatig, aldus eiser.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat deze info-set een intern stuk is en geen betrekking heeft op de (toetsing) van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling van eiser. De maatregel van bewaring (de M109-A), is hiervoor bedoeld. Volgens de rechtbank bestaat er geen reden om aan te nemen dat de staandehouding op onjuiste gegevens zou berusten zodat kennisname van de info-set niet noodzakelijk is. De relevante informatie over de staandehouding staat in het proces-verbaal staandehouding, overbrenging, ophouding ex art 50 Vw 2000 ( de M105 ) en in het proces-verbaal van binnentreden ( de HV02 ). Dat de foto aan de hand waarvan eiser is herkend, niet in het dossier is opgenomen, doet aan de rechtmatigheid van de staandehouding niet af. Op basis van het dossier is duidelijk dat de ambtenaren die ochtend de juiste persoon hebben staandegehouden. Dit heeft eiser niet betwist. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat verweerder de info-set aan het dossier had moeten toevoegen. Van een schending van ‘equality of arms’ is de rechtbank dan ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Het binnentreden van de woning
5. Eiser benadrukt dat een verbalisant samen met vier collega’s van DV&O, allen buitengewoon opsporingsambtenaar, zijn kamer op het AZC is binnengetreden. Volgens eiser is dit een disproportionele inbreuk op zijn privacy en zijn recht om te wonen. Het inzetten van dit aantal opsporingsambtenaren is alleen toegestaan als dit ‘necessary in a democratic society’ is en redelijkerwijs is vereist. Eiser stelt dat verweerder nagelaten heeft om in zijn specifieke situatie een zorgvuldige afweging te maken. Hierdoor zijn de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig. Eiser verwijst hiervoor opnieuw naar artikel 5, vierde lid, van het EVRM.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2273), waarin is geoordeeld dat het binnentreden met zeven opsporingsambtenaren op zichzelf niet disproportioneel is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. De machtiging tot binnentreden vermeldt bovendien geen limiet voor het maximale aantal opsporingsambtenaren dat mag worden ingezet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
6. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
6.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onderduiken dragen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Dienst Vervoer en Ondersteuning.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38554
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer 1]
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Ludwig).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.1.
Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3.2.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Had verweerder de info-set in het dossier moeten opnemen?
4. Eiser stelt dat sprake is van een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM, omdat de info-set op naam van eiser, die is gebruikt om hem te identificeren bij de staandehouding, niet in het dossier is opgenomen. Eiser betoogt dat hierdoor geen sprake is van ‘equality of arms’. Volgens eiser heeft zijn gemachtigde het recht om de foto die gebruikt is bij de staandehouding in te zien, om te controleren of deze foto overeenkomt met de persoon van eiser. De staandehouding is daarmee onrechtmatig, aldus eiser.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat deze info-set een intern stuk is en geen betrekking heeft op de (toetsing) van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling van eiser. De maatregel van bewaring (de M109-A), is hiervoor bedoeld. Volgens de rechtbank bestaat er geen reden om aan te nemen dat de staandehouding op onjuiste gegevens zou berusten zodat kennisname van de info-set niet noodzakelijk is. De relevante informatie over de staandehouding staat in het proces-verbaal staandehouding, overbrenging, ophouding ex art 50 Vw 2000 ( de M105 ) en in het proces-verbaal van binnentreden ( de HV02 ). Dat de foto aan de hand waarvan eiser is herkend, niet in het dossier is opgenomen, doet aan de rechtmatigheid van de staandehouding niet af. Op basis van het dossier is duidelijk dat de ambtenaren die ochtend de juiste persoon hebben staandegehouden. Dit heeft eiser niet betwist. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat verweerder de info-set aan het dossier had moeten toevoegen. Van een schending van ‘equality of arms’ is de rechtbank dan ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Het binnentreden van de woning
5. Eiser benadrukt dat een verbalisant samen met vier collega’s van DV&O, allen buitengewoon opsporingsambtenaar, zijn kamer op het AZC is binnengetreden. Volgens eiser is dit een disproportionele inbreuk op zijn privacy en zijn recht om te wonen. Het inzetten van dit aantal opsporingsambtenaren is alleen toegestaan als dit ‘necessary in a democratic society’ is en redelijkerwijs is vereist. Eiser stelt dat verweerder nagelaten heeft om in zijn specifieke situatie een zorgvuldige afweging te maken. Hierdoor zijn de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig. Eiser verwijst hiervoor opnieuw naar artikel 5, vierde lid, van het EVRM.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2273), waarin is geoordeeld dat het binnentreden met zeven opsporingsambtenaren op zichzelf niet disproportioneel is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. De machtiging tot binnentreden vermeldt bovendien geen limiet voor het maximale aantal opsporingsambtenaren dat mag worden ingezet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
6. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
6.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onderduiken dragen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Dienst Vervoer en Ondersteuning.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.