Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22631
2026-07-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.37499
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring, kennisgeving, de verlenging van de ophouding, bewaringsgronden, lichter middel, ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2015:674 Raad van State 23-02-2015
- ECLI:NL:RVS:2015:1309 Raad van State 10-04-2015
- ECLI:EU:C:2014:1320
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.819 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37499
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [nummer 1]
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Verweerder hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 6 juli 2026 heeft verweerder aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam] als tolk, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3.1.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt verweerder de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De verlenging van de ophouding
4. Eiseres betoogt dat de verlenging van de ophouding onvoldoende onderbouwd is en daardoor de daaropvolgende maatregel van bewaring onrechtmatig is. Volgens haar mag verlenging alleen plaatsvinden bij bijzondere complexiteit van het onderzoek of ernstige capaciteitsproblemen. In deze zaak werd echter alleen gewacht op een reactie van de Spaanse autoriteiten. Bovendien ontbreekt in het dossier informatie over het exacte tijdstip van ontvangst van die reactie, waardoor eiseres niet kan beoordelen of verweerder voortvarend heeft gehandeld tijdens de ophouding.
4.1.
In beginsel duurt de ophouding niet meer dan zes uur, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s ochtends niet wordt meegerekend. Die termijn kan met ten hoogste 48 uur in het belang van het onderzoek worden verlengd als nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft.
4.2.
Uit de beschikking verlenging ophouding van 5 juli 2026 ( [nummer 2] ) volgt dat de ophouding op 5 juli 2026 om 11:17 uur met 48 uur is verlengd, omdat grond bestond voor het vermoeden dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en nader onderzoek nodig was naar haar verblijfsrechtelijke status. Daarom werd een NCC bevraging gedaan om alle verblijfsrechtelijke informatie te verkrijgen, zodat een juiste keuze gemaakt kon worden omtrent het vreemdelingrechtelijke vervolgtraject. In de beschikking is ook opgenomen dat de kans zeer groot was dat de uitslag van de Spaanse autoriteiten niet binnen de zes uur van de ophouding binnen zou komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de verlenging hiermee voldoende gemotiveerd.
4.3.
Eiseres heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de e-mail in het dossier met de reactie van de Spaanse autoriteiten niet was voorzien van tijd en datum. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat navraag was gedaan en dat daaruit bleek dat er op 6 juli 2026 om 07:14 uur een reactie is ontvangen van de Spaanse autoriteiten. Daarin is bevestigd dat eiseres bij hen onbekend is en daarom geen verblijfsrecht heeft. Deze e-mail (met tijd en datum) is na de zitting aan het dossier toegevoegd. Het antwoord is dus binnen de verlengde ophoudingstermijn ontvangen. De maatregel van bewaring is ook binnen de verlengde ophoudingstermijn opgelegd, nadat eiseres nader was gehoord.
4.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
5.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.2.
Eiseres betwist de gronden a, b, p en r. Zij stelt dat zij niet langer dan 90 dagen aaneengesloten in Nederland verbleef, maar gedurende een jaar tussen Spanje en Nederland reisde. Omdat zij geen visumplicht had, is volgens haar onvoldoende gemotiveerd waarom zij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen (grond a). Verder had zij een geldig paspoort en was zij voornemens een asielaanvraag te doen. Door bijzondere omstandigheden zoals haar prille zwangerschap, gezondheidsklachten, urine-incontinentie, haar onbekendheid met de asielprocedure en de toezegging van haar partner dat hij de asielaanvraag voor haar zou regelen, is de aanvraag niet tijdig gedaan. Dit betekent niet dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht (grond p). Tot slot was de vreemdelingenpolitie bekend met haar verblijfadres bij haar partner in Rotterdam. Hoewel zij daar niet was ingeschreven, was haar verblijf daar wel bekend. Bovendien waren zij en haar partner van plan een verblijfsaanvraag te regelen met inschrijving (grond r).
5.3.
Ter zitting heeft verweerder de grond b laten vallen. Deze grond ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring.
5.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag grond a aan eiseres tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Eiseres heeft verklaard dat zij in 2019 uit Colombia vertrok en naar Spanje kwam. Nadat haar vrije verblijfstermijn van 90 dagen was verlopen, heeft zij de Europese Unie niet verlaten. Daarmee is zijn Nederland zonder in het bezit te zijn van een geldig reisdocument (paspoort mét visum), en daarmee niet op de voorgeschreven wijze, ingereisd. Verweerder mag grond p aan eiseres tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is en verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hieruit een onderduikrisico volgt. Eiseres heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse autoriteiten over haar illegaal verblijf. Daarnaast kan de niet bestreden grond s aan eiseres worden tegengeworpen. Eiseres verklaarde dat haar vriend haar onderhoudt en dat ze over € 70,- tot € 100,- beschikt. De gronden a, p en s zijn feitelijk juist, en waar nodig is het onderduikrisico voldoende toegelicht, wat voldoende is om de maatregel te rechtvaardigen. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de overige gronden niet. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiseres voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Gezien de prille zwangerschap van eiseres, haar gezondheidsklachten, incontinentie en het voornemen om een asielaanvraag in te dienen, is vreemdelingenbewaring een te ingrijpende maatregel voor haar situatie. Bovendien is er geen reëel risico op onderduiken. Daarnaast stelt eiseres dat de medische zorg in Justitieel Complex Schiphol (JCS) te wensen overlaat.
6.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
6.2.
Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit deze gronden, die terecht aan eiseres zijn tegengeworpen, volgt dat er een risico op onderduiken bestaat. Dat eiseres voornemens was een asielaanvraag te doen, doet aan dit risico niet af. Eiseres heeft eerder, op 19 maart 2026, van de vreemdelingenpolitie de kans gekregen om zelfstandig asiel aan te vragen in Ter Apel. Zij heeft dit niet gedaan. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de redenen die zij hiervoor heeft aangedragen niet overtuigen.
6.3.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen of medische omstandigheden van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken, en waarin verweerder aanleiding had moeten zien om aan eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. De rechtbank overweegt dat eiseres tijdens haar vreemdelingenbewaring voornamelijk verblijft in het detentiecentrum in Zeist, en dat dit detentiecentrum speciaal is ingericht voor vrouwen en gezinnen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat eiseres momenteel verblijft in het JCS in verband met haar asielaanvraag. Daarna zal zij worden overgebracht naar Zeist. Er is niet gebleken dat de medische dienst in het JCS of in het detentiecentrum in Zeist ontoereikend is om eiseres voor haar klachten en zwangerschap te behandelen. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat eiseres detentieongeschikt is.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gekozen om eiseres in vreemdelingenbewaring te stellen in plaats van een lichter middel, om te voorkomen dat zij zich zal onttrekken aan het toezicht en haar illegale verblijf voortzet. De beroepsgrond dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vreemdelingenbewaring slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 50, tweede en derde lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 50, vierde lid, van de Vw.
Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37499
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [nummer 1]
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Verweerder hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 6 juli 2026 heeft verweerder aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam] als tolk, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3.1.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt verweerder de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De verlenging van de ophouding
4. Eiseres betoogt dat de verlenging van de ophouding onvoldoende onderbouwd is en daardoor de daaropvolgende maatregel van bewaring onrechtmatig is. Volgens haar mag verlenging alleen plaatsvinden bij bijzondere complexiteit van het onderzoek of ernstige capaciteitsproblemen. In deze zaak werd echter alleen gewacht op een reactie van de Spaanse autoriteiten. Bovendien ontbreekt in het dossier informatie over het exacte tijdstip van ontvangst van die reactie, waardoor eiseres niet kan beoordelen of verweerder voortvarend heeft gehandeld tijdens de ophouding.
4.1.
In beginsel duurt de ophouding niet meer dan zes uur, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ’s ochtends niet wordt meegerekend. Die termijn kan met ten hoogste 48 uur in het belang van het onderzoek worden verlengd als nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft.
4.2.
Uit de beschikking verlenging ophouding van 5 juli 2026 ( [nummer 2] ) volgt dat de ophouding op 5 juli 2026 om 11:17 uur met 48 uur is verlengd, omdat grond bestond voor het vermoeden dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en nader onderzoek nodig was naar haar verblijfsrechtelijke status. Daarom werd een NCC bevraging gedaan om alle verblijfsrechtelijke informatie te verkrijgen, zodat een juiste keuze gemaakt kon worden omtrent het vreemdelingrechtelijke vervolgtraject. In de beschikking is ook opgenomen dat de kans zeer groot was dat de uitslag van de Spaanse autoriteiten niet binnen de zes uur van de ophouding binnen zou komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de verlenging hiermee voldoende gemotiveerd.
4.3.
Eiseres heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de e-mail in het dossier met de reactie van de Spaanse autoriteiten niet was voorzien van tijd en datum. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat navraag was gedaan en dat daaruit bleek dat er op 6 juli 2026 om 07:14 uur een reactie is ontvangen van de Spaanse autoriteiten. Daarin is bevestigd dat eiseres bij hen onbekend is en daarom geen verblijfsrecht heeft. Deze e-mail (met tijd en datum) is na de zitting aan het dossier toegevoegd. Het antwoord is dus binnen de verlengde ophoudingstermijn ontvangen. De maatregel van bewaring is ook binnen de verlengde ophoudingstermijn opgelegd, nadat eiseres nader was gehoord.
4.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
5.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.2.
Eiseres betwist de gronden a, b, p en r. Zij stelt dat zij niet langer dan 90 dagen aaneengesloten in Nederland verbleef, maar gedurende een jaar tussen Spanje en Nederland reisde. Omdat zij geen visumplicht had, is volgens haar onvoldoende gemotiveerd waarom zij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen (grond a). Verder had zij een geldig paspoort en was zij voornemens een asielaanvraag te doen. Door bijzondere omstandigheden zoals haar prille zwangerschap, gezondheidsklachten, urine-incontinentie, haar onbekendheid met de asielprocedure en de toezegging van haar partner dat hij de asielaanvraag voor haar zou regelen, is de aanvraag niet tijdig gedaan. Dit betekent niet dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht (grond p). Tot slot was de vreemdelingenpolitie bekend met haar verblijfadres bij haar partner in Rotterdam. Hoewel zij daar niet was ingeschreven, was haar verblijf daar wel bekend. Bovendien waren zij en haar partner van plan een verblijfsaanvraag te regelen met inschrijving (grond r).
5.3.
Ter zitting heeft verweerder de grond b laten vallen. Deze grond ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring.
5.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag grond a aan eiseres tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Eiseres heeft verklaard dat zij in 2019 uit Colombia vertrok en naar Spanje kwam. Nadat haar vrije verblijfstermijn van 90 dagen was verlopen, heeft zij de Europese Unie niet verlaten. Daarmee is zijn Nederland zonder in het bezit te zijn van een geldig reisdocument (paspoort mét visum), en daarmee niet op de voorgeschreven wijze, ingereisd. Verweerder mag grond p aan eiseres tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is en verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hieruit een onderduikrisico volgt. Eiseres heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse autoriteiten over haar illegaal verblijf. Daarnaast kan de niet bestreden grond s aan eiseres worden tegengeworpen. Eiseres verklaarde dat haar vriend haar onderhoudt en dat ze over € 70,- tot € 100,- beschikt. De gronden a, p en s zijn feitelijk juist, en waar nodig is het onderduikrisico voldoende toegelicht, wat voldoende is om de maatregel te rechtvaardigen. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de overige gronden niet. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiseres voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Gezien de prille zwangerschap van eiseres, haar gezondheidsklachten, incontinentie en het voornemen om een asielaanvraag in te dienen, is vreemdelingenbewaring een te ingrijpende maatregel voor haar situatie. Bovendien is er geen reëel risico op onderduiken. Daarnaast stelt eiseres dat de medische zorg in Justitieel Complex Schiphol (JCS) te wensen overlaat.
6.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
6.2.
Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit deze gronden, die terecht aan eiseres zijn tegengeworpen, volgt dat er een risico op onderduiken bestaat. Dat eiseres voornemens was een asielaanvraag te doen, doet aan dit risico niet af. Eiseres heeft eerder, op 19 maart 2026, van de vreemdelingenpolitie de kans gekregen om zelfstandig asiel aan te vragen in Ter Apel. Zij heeft dit niet gedaan. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de redenen die zij hiervoor heeft aangedragen niet overtuigen.
6.3.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen of medische omstandigheden van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken, en waarin verweerder aanleiding had moeten zien om aan eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. De rechtbank overweegt dat eiseres tijdens haar vreemdelingenbewaring voornamelijk verblijft in het detentiecentrum in Zeist, en dat dit detentiecentrum speciaal is ingericht voor vrouwen en gezinnen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat eiseres momenteel verblijft in het JCS in verband met haar asielaanvraag. Daarna zal zij worden overgebracht naar Zeist. Er is niet gebleken dat de medische dienst in het JCS of in het detentiecentrum in Zeist ontoereikend is om eiseres voor haar klachten en zwangerschap te behandelen. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat eiseres detentieongeschikt is.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gekozen om eiseres in vreemdelingenbewaring te stellen in plaats van een lichter middel, om te voorkomen dat zij zich zal onttrekken aan het toezicht en haar illegale verblijf voortzet. De beroepsgrond dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vreemdelingenbewaring slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 50, tweede en derde lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 50, vierde lid, van de Vw.
Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.