Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22626
2026-07-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.40508
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Grensdetentie; artikel 6, derde lid, ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2016:1451 Raad van State 03-06-2016
- ECLI:NL:RVS:2012:BW6799 Raad van State 22-05-2012
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:EU:C:2022:858
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.432 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40508
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v.-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),
en
de ambtenaar belast met grensbewaking,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De rechtbank is op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Had de ambtenaar moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat de ambtenaar onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom hij geen lichter middel heeft toegepast. Eiser heeft verklaard dat hij last heeft van paniekaanvallen, migraine en maagklachten. De overweging over de medische zorg in het detentiecentrum is niet voldoende op eiser toegespitst. Verder heeft eiser zich coöperatief opgesteld, heeft hij een geldig paspoort, een geldig visum en heeft hij zijn identiteit niet verborgen gehouden. Eiser concludeert dat de noodzaak tot het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel onvoldoende is gemotiveerd.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij – onbetwist – niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat daarmee voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
3.2.
Voorafgaand aan de maatregel is eiser gehoord en is hem gevraagd of er feiten en/of omstandigheden zijn die maken dat in zijn geval had moeten worden afgezien van grensdetentie. Eiser heeft toen verklaard dat hij paniekaanvallen, migraine en maagklachten heeft en dat er geen andere omstandigheden zijn die maken dat er zou moeten worden afgezien van grensdetentie. De door eiser genoemde omstandigheden zijn door de ambtenaar ook betrokken in de beoordeling of een lichter middel moet worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de ambtenaar, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Van zodanig bijzondere omstandigheden is namelijk in geval van eiser geen sprake. De rechtbank betrekt daarbij dat de ambtenaar in het bestreden besluit heeft gewezen op het feit dat in het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn waar eiser zich toe kan wenden als dat nodig zou zijn. Niet is gebleken dat deze voorzieningen voor eiser niet toegankelijk waren of dat er geen adequate zorg aan eiser kan worden verstrekt.
3.3.
Ook de omstandigheden die door eiser op de zitting zijn aangevoerd, namelijk dat hij zich coöperatief heeft opgesteld, hij een geldig paspoort heeft, een geldig visum heeft en hij zijn identiteit niet verborgen heeft gehouden, maken niet dat had moet worden afgezien van grensdetentie. Deze omstandigheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank namelijk ook niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden zoals hiervoor in punt 3.1 zijn bedoeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
ABRvS 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40508
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v.-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),
en
de ambtenaar belast met grensbewaking,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De rechtbank is op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Had de ambtenaar moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat de ambtenaar onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom hij geen lichter middel heeft toegepast. Eiser heeft verklaard dat hij last heeft van paniekaanvallen, migraine en maagklachten. De overweging over de medische zorg in het detentiecentrum is niet voldoende op eiser toegespitst. Verder heeft eiser zich coöperatief opgesteld, heeft hij een geldig paspoort, een geldig visum en heeft hij zijn identiteit niet verborgen gehouden. Eiser concludeert dat de noodzaak tot het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel onvoldoende is gemotiveerd.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij – onbetwist – niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat daarmee voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
3.2.
Voorafgaand aan de maatregel is eiser gehoord en is hem gevraagd of er feiten en/of omstandigheden zijn die maken dat in zijn geval had moeten worden afgezien van grensdetentie. Eiser heeft toen verklaard dat hij paniekaanvallen, migraine en maagklachten heeft en dat er geen andere omstandigheden zijn die maken dat er zou moeten worden afgezien van grensdetentie. De door eiser genoemde omstandigheden zijn door de ambtenaar ook betrokken in de beoordeling of een lichter middel moet worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de ambtenaar, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Van zodanig bijzondere omstandigheden is namelijk in geval van eiser geen sprake. De rechtbank betrekt daarbij dat de ambtenaar in het bestreden besluit heeft gewezen op het feit dat in het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn waar eiser zich toe kan wenden als dat nodig zou zijn. Niet is gebleken dat deze voorzieningen voor eiser niet toegankelijk waren of dat er geen adequate zorg aan eiser kan worden verstrekt.
3.3.
Ook de omstandigheden die door eiser op de zitting zijn aangevoerd, namelijk dat hij zich coöperatief heeft opgesteld, hij een geldig paspoort heeft, een geldig visum heeft en hij zijn identiteit niet verborgen heeft gehouden, maken niet dat had moet worden afgezien van grensdetentie. Deze omstandigheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank namelijk ook niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden zoals hiervoor in punt 3.1 zijn bedoeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
ABRvS 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).