Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22625

2026-08-13 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB 26/10934 en NL26.36657
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 26/10934 en NL26.36657
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

HTL/COa, de rechtbank acht op basis van de feitelijke verslaglegging van het incident voldoende aannemelijk dat de gedragingen zich hebben voorgedaan, zeer grote impact, GZA-akkoord aanwezig, onbevoegd geweld en artikel 8 EVRM, wettelijke grondslag, beroep ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.782 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht


zaaknummers: AWB 26/10934 en NL26.36657


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van onbekende nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),



en




het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,


alsmede




de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 6 juni 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 6 juni 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 6 juni 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.



1.1.
Eiser heeft op 7 juli 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 5 augustus 2026 een verweerschrift heeft ingediend.



1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.





Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.



Het beroep tegen het plaatsingsbesluit





De feitelijke verslaglegging van het incident



3. In de verslaglegging van het COa staat over het incident het volgende. Op 2 juni 2026 tussen 02:00 uur en 03:00 uur heeft de beveiliging via camerabeelden geconstateerd dat zich een opvallend groot aantal bewoners op de derde verdieping bevonden. Dit trok de aandacht van de beveiliging, waarna direct werd besloten om ter plaatse te gaan. Bij aankomt op de derde verdieping trof de beveiliging meerdere personen aan bij kamer 41-44 en heeft geconstateerd dat er bloed aanwezig was op de vloer in de kamer en dat meerdere bewoners gewond waren. Bewoner B heeft verklaard dat eiser in de kamer een joint aan het roken was en dat hij eiser heeft verzocht om hiermee te stoppen en zijn rommel op te ruimen. Volgens bewoner B was eiser onder invloed van harddrugs en pillen en heeft eiser agressief op het verzoek van bewoner B gereageerd. Volgens getuigen C en D begon eiser te schreeuwen en heeft hij bewoner B met een scherp voorwerp, namelijk een grinder-pijp-combinatie, geslagen, waarbij eiser het pijpgedeelte tussen zijn vingers hield en in de richting van bewoner B heeft gehanteerd. Getuige C heeft verklaard dat hij tussenbeide probeerde te komen en dat hij daarbij gewond is geraakt aan zijn linkerhand. Bewoner B is vervolgens per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis en daar zijn de verwondingen aan zijn gezicht, schouder en achter het oor gehecht. Bewoner B heeft aangifte gedaan van het incident. Naar aanleiding hiervan is eiser aangehouden en in hechtenis genomen.

4. De rechtbank acht op basis van de feitelijke verslaglegging van het incident voldoende aannemelijk dat de gedragingen, zoals deze door het COa zijn omschreven, zich hebben voorgedaan. De rechtbank acht hierbij van belang dat de verslaglegging concreet is beschreven en is gebaseerd op verklaringen van meerdere medebewoners. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om aan te nemen dat hij een ander aandeel heeft gehad dan zoals omschreven in de verslaglegging en is van oordeel dat het COa op basis van deze feitelijke verslaglegging deugdelijk heeft gemotiveerd dat er sprake is van een incident met een zeer grote impact. De enkele stelling van eiser dat hij niet de agressor is geweest en uit zelfverdediging heeft gehandeld, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.



De impact van het incident



5. De rechtbank is verder van oordeel dat het COa, zich op juiste wijze baserend op het Maatregelenbeleid, het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, nu het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen. Uit de feitelijke verslaglegging van het COa volgt immers dat eiser doelgericht heeft gehandeld door fysiek geweld te gebruiken tegen een bewoner. Eiser heeft bewoner B met het pijpgedeelte van een grinder-pijp-combinatie meerdere keren verwond, waardoor bewoner B diepe snijwonden aan zijn gezicht, schouder en achter het oor heeft opgelopen. Daarbij is ook bewoner C gewond geraakt aan zijn linkerhand. Dit alles maakt dat het gedrag van eiser een zeer grote impact heeft gehad op de betreffende bewoners, omstanders en ook het COa-personeel.



Belangenafweging



6. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot oplegging van het plaatsingsbesluit. Zo heeft het COa overwogen dat de aard van eisers geweld maakt dat medebewoners en medewerkers bij eisers terugkeer op een reguliere locatie of bij plaatsing op een time-outplek zouden worden blootgesteld aan een bewoner die heeft aangetoond bereid en in staat te zijn ernstig fysiek geweld te plegen met een voorwerp als wapen. Het veiligheidsbelang van medebewoners en medewerkers weegt in onderhavige geval zwaarder dan het belang van eiser bij een verblijf op een reguliere locatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het COa dan ook geen aanleiding hoeven zien om een lichtere maatregel op te leggen.


6.1.
De rechtbank overweegt dat de plaatsing van eiser in de HTL niet disproportioneel is geweest en dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen contra-indicatie vormen voor het opleggen van het plaatsingsbesluit. Anders dan eiser meent stelt de rechtbank vast dat een (op 2 juni 2026 gedateerde) GZA-akkoord in het dossier aanwezig is.



Onbevoegd geweld en schending van artikel 8 EVRM




7. De rechtbank stelt vast dat in het geval van eiser niet is aangevoerd en niet is vastgesteld dat er bij zijn binnenkomst dwangmiddelen zijn toegepast door COa-medewerkers of boa’s. De rechtbank ziet zich om die reden niet genoodzaakt een oordeel te vellen over de mogelijke toepassing van dwangmiddelen door boa’s bij binnenkomst in de HTL en ziet hierin ook geen reden om de plaatsing in de HTL in het geval van eiser onrechtmatig te achten.



7.1.
Verder overweegt de rechtbank dat zij al eerder geoordeeld heeft dat op basis van het Inspectierapport van 12 oktober 2022 en de beleidsreactie hierop van 13 oktober 2022, niet kan worden geconcludeerd dat de leefbaarheid en veiligheid in de HTL zodanig is dat de opvang die wordt geboden in strijd is met artikel 3 of artikel 8 van het EVRM. Op 16 februari 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak daaraan toegevoegd geen aanleiding te zien om hier, in het licht van het Inspectierapport van 27 maart 2023 en de hierop volgende beleidsreactie van 5 april 2023, anders over te oordelen. Alhoewel het mogelijk is dat plaatsing in specifieke gevallen onrechtmatig kan zijn, is dat in het onderhavige geval en bij gebrek aan onderbouwing zeker niet het geval. De rechtbank weegt daarbij ook nadrukkelijk de jurisprudentie van de Afdeling mee. In de verwijzing naar een andere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

8. Het betoog van eiser dat HTL-plaatsing een onvoldoende wettelijke grondslag heeft, volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2024 en tal van uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats.

9. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.



Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel



10. Eiser heeft in dit kader geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.



10.1.
Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is, de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit en de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden vaststelt, zal de rechtbank het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ook ongegrond verklaren.




Conclusie en gevolgen


11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.



11.1
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.





Beslissing


De rechtbank:




verklaart de beroepen ongegrond;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, op 13 augustus 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.













griffier


de rechter is buiten staat te tekenen































Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.



Handhaving- en Toezichtlocatie.


Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.


Vreemdelingenwet 2000.


Maatregelenbeleid COa, 10 maart 2026, paragraaf 4.1.


Rechtbank Den Haag, 3 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1079.


De brief van de staatssecretaris betreffende de beleidsreactie op het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid naar de leefomstandigheden en de veiligheid op de HTL van 13 oktober 2022.


ECLI:NL:RBDHA:2024:1889.


De brief van de staatssecretaris betreffende de beleidsreactie op het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid naar de leefomstandigheden en de veiligheid op de HTL van 5 april 2023.


Uitspraak van 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3564.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Rechtbank Den Haag, 19 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5603.


ECLI:NL:RVS:2024:3564.