Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22620
2026-08-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.42149
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Het beroep is ongegrond. Screeningslocatie. De screening was afgerond voor de vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd. De rechtbank beoordeelt niet of de screening of de screening zorgvuldig is verlopen. De minister hoefde ook niet te volstaan met een lichter middel. De minister mocht aan het grensbewakingsbelang een groot en doorslaggevend gewicht toekennen. Eiser heeft verklaard dat er geen (persoonlijke) feiten en omstandigheden zijn die moeten meewegen in het kader van het opleggen van een lichter middel. Ook heeft eiser niet verklaard over lichamelijke of psychische aandoeningen en deze zijn ook niet geconstateerd.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RVS:2025:2925 Raad van State 01-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5224 Raad van State 30-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:1409 Raad van State 02-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2018:4201 Raad van State 20-12-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19758 Rechtbank Den Haag 17-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:1228 Raad van State 26-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.403 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42149
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van dit besluit in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Shaljan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2008 en heeft de Russische nationaliteit. Hij is op 25 juli 2026 met een geldig paspoort geland op Schiphol en heeft om 17:45 uur aan de buitengrens zijn asielverzoek kenbaar gemaakt. Eiser heeft op diezelfde dag om 20:30 uur de aanwijzing gekregen om zich tot 26 juli 2026 07:00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven. Op 26 juli 2026 heeft eiser zijn asielverzoek ingediend en om 12:10 op diezelfde dag is besloten om een besluit omtrent de toegangsweigering uit te stellen en dat zijn asielaanvraag in de grensprocedure wordt behandeld. Tegelijkertijd is aan eiser met het bestreden besluit de vrijheidsontnemende maatregel (de grensdetentie) opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, waarover dit beroep gaat.
2. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. De strekking van de grensdetentie is dat eiser moet verblijven in het Aanmeldcentrum Schiphol.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
De screening op grond van de Screeningsverordening
4. Eiser voert in de eerste plaats (kort weergegeven) aan dat er geen wettelijke basis is voor een vrijheidsontnemende maatregel op grond artikel 6, derde lid, van de Vw als de screening op grond van de Screeningsverordening nog niet is afgerond. Dat heeft eiser uitgebreid (met verwijzing naar relevante artikelen en documenten) toegelicht. De conclusie moet volgens eiser zijn dat de grensdetentie onrechtmatig is geweest tijdens de screening en dat deze onrechtmatigheid door moet werken in de grensdetentie tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag in de asielgrensprocedure.
5. De minister heeft op de beroepsgronden gereageerd door een reactie in te brengen die hij heeft ingediend in een zaak die bij deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, speelt. In die zaak heeft (de gemachtigde van) eiser dezelfde gronden naar voren gebracht. In reactie hierop heeft (de gemachtigde van) eiser de reactie daarop in die Haarlemse zaak ingebracht in deze zaak.
6. Ter zitting is besproken wanneer de screening ingevolge de Screeningsverordening is afgerond en of die in dit geval überhaupt afgerond is. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de screening afgerond is op het moment dat het screeningsformulier is ingevuld en daarna de vrijheidsontnemende maatregel volgt. Het gehoor in het formulier in het dossier met de naam ‘Screeningsformulier’ is in werkelijkheid geen screeningsformulier, maar een voorbereidend formulier voor de asielprocedure. Hiermee wordt pas een start gemaakt nadat de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Tijdens de screening was volgens de minister dus nog geen sprake van grensdetentie.
7. De rechtbank stelt voorop dat eiser (als asielzoeker die niet onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening valt) in bewaring is gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Mede gelet op artikel 5.5 en 5.6 van het Vb geldt bij deze grondslag niet als voorwaarde dat sprake moet zijn van een onderduikrisico. De maatregel kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang.
8. De rechtbank overweegt vervolgens dat (niet in geschil is dat) eiser aan de buitengrens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.
9. Daarbij is van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) vóór de inwerkingtreding van de Procedureverordening en de herschikte Opvangrichtlijn heeft geoordeeld dat grensdetentie geoorloofd is als de minister in de grensprocedure beslist of een verzoeker het grondgebied van Nederland mag betreden en dat een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw daarmee dus wordt opgelegd ter bescherming van het grensbewakingsbelang. Dit is erkend als een zwaarwegend belang, omdat bij een lichter middel dan grensdetentie eiser feitelijk toegang tot Nederland krijgt.
10. De rechtbank onderschrijft daarbij echter wel het algemene uitgangspunt dat het opleggen van de maatregel van grensdetentie geen automatisme moet zijn, maar juist het resultaat van de toepassing van een bevoegdheid. Dat betekent dat de minister ook moet kunnen besluiten om de maatregel van grensdetentie achterwege te laten. De minister dient steeds te beoordelen of met een lichter middel kan of moet worden volstaan, ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Dat onderschrijft de minister ook. In de maatregel van eiser is ook een beoordeling van een lichter middel opgenomen. De vaststelling dat de grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang te dienen en dat dit belang ook zwaar weegt, betekent dan ook niet dat automatisch de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie is opgelegd of dat er een automatische koppeling is tussen het grensbewakingsbelang en het opleggen van grensdetentie. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, slaagt in zijn geval dan ook niet. De afweging daarover in het geval van eiser bespreekt de rechtbank hierna (onder het kopje ‘lichter middel’).
11. De rechtbank ziet in dit geval verder geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de minister over de afronding van het screeningsonderzoek. Uit het proces-verbaal van bevindingen Screeningsverordening volgt namelijk dat de screening is afgenomen op 26 juli 2026 om 07:00 uur. In dit proces-verbaal staat daarover dat de verbalisant de screening heeft afgenomen, gecontroleerd en heeft uitgereikt aan eiser. Daarbij hoort ook het formulier dat is ingevuld (dat als bijlage achter dit proces-verbaal zit). Bovendien is (pas) daarna besloten dat eisers asielaanvraag in de grensprocedure behandeld wordt, wat er ook op duidt dat – in ieder geval volgens de minister – de screening is afgerond. Er is dus bovendien voldaan aan wat in artikel 43, eerste lid, van de Procedurerichtlijn daarover staat. De discussie over de start van de screening en de verschillende taalversies waarop eiser in dat verband wijst, is hiervoor niet van belang. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de screening nog niet (voldoende) zou zijn afgerond omdat (volgens eiser) nog niet alle stappen zouden zijn doorlopen. Daarbij wijst de rechtbank op artikel 8, vijfde lid, van de Screenings-verordening, waarin staat uit welke elementen de screening moet bestaan (en die vervolgens nog nader worden geconcretiseerd in de artikelen waarnaar daarin wordt verwezen). Uit het proces-verbaal van bevindingen Screeningsverordening (en in het bijzonder het ingevulde formulier) volgt dat deze stappen zijn doorlopen gedurende de screening. Dat eiser vindt dat het screeningsonderzoek onzorgvuldig is, doet daar niet aan af. Dat ligt bovendien niet ter beoordeling van de bewaringsrechter. Van belang is wel dat de minister voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel beoordeelt en voldoende motiveert of eiser in grensdetentie kan worden gesteld (gelet op zijn persoonlijke omstandigheden). Of de minister dat voldoende heeft gedaan, zal de rechtbank als gezegd hierna beoordelen onder het kopje ‘lichter middel’. Dat eiser er ook nog op wijst dat hij op 28 juli 2026 is gehoord ter voorbereiding op de verdere behandeling van zijn asielaanvraag, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan eiser veronderstelt maakt dat gehoor namelijk – zoals de minister heeft toegelicht – geen onderdeel uit van de screeningsprocedure, maar is het een verrichting in het kader van de (daaropvolgende) asielprocedure. Dat het wel bij het screeningsonderzoek hoort dan wel zou moeten horen, kan niet worden afgeleid uit (de tekst van artikel 8, vijfde lid, van) de Screeningsverordening. Ook uit de werkinstructies en de daarin toegelichte werkwijzen – over onder meer (asiel)triage, OVA en VOA – kan de rechtbank niet afleiden dat dit (voorbereidende asiel)gehoor onder die screening valt. Dat het formulier van dit gehoor weliswaar wel de naam ‘screeningsformulier’ heeft is wellicht verwarrend, maar doet daar niet aan af.
12. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de screening in het kader van de Screeningsverordening en de maatregel van grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in dit geval niet samen zijn gegaan. De conclusie is daarom dat de screening op grond van de Screeningsverordening was afgerond op het moment dat die maatregel is opgelegd. Eiser heeft dus niet in grensdetentie verbleven tijdens de screening. De beroepsgrond slaagt al daarom niet. De rechtbank gaat dan ook niet in op de vraag of grensdetentie tijdens de screening op grond van de Screeningsverordening al dan niet een voldoende wettelijke grondslag heeft. Ook zal de rechtbank daarom niet in gaan op de grond over de motivering van het gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid en het risico op onderduiken. Dit zijn immers geen wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw en eiser heeft niet betwist dat er wel een grondslag is voor de grensdetentie na afronding van de screening (waarvan de rechtbank in dit geval dus uitgaat).
De locatie van de screening
13. Eiser heeft (subsidiair) aangevoerd dat de lounge geen geschikte screeningslocatie is en dat daarom sprake is van een gebrek. Dit moet doorwerken in de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel.
14. De rechtbank is van oordeel dat uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018 volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact tot een ander oordeel leidt. Uit de stukken volgt dat eiser op 25 juli 2026 om 17:45 zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt, om 20:30 uur de aanwijzing heeft gekregen zich in de internationale lounge op te houden, waarna aan hem op 26 juli 2026om 12:11 de maatregel van grensdetentie is opgelegd en hij om 13:30 uur is geplaatst in het Justitieel Complex Schiphol. Uit deze tijdstippen volgt dat aannemelijk is dat eisers verblijf op Schiphol minder dan 24 uur heeft geduurd. Gelet op die duur van het verblijf op Schiphol ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat (de internationale lounge op) Schiphol in dit geval niet als toereikende en geschikte screeningslocatie kon worden aangemerkt. Dit betekent dat er ook geen sprake is van een gebrek in het voortraject waardoor de maatregel van bewaring eventueel onrechtmatig zou zijn geworden.
Het lichter middel
15. Eiser voert (samengevat) aan dat bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de grensbewaking in verband met de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure het grensbewakingsbelang niet mag worden betrokken. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026. Bovendien stelt eiser dat in dit specifieke geval onvoldoende is gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel. Eiser heeft voorafgaande aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel verklaard dat hij transgender is. Bovendien is eiser jong. Gesteld noch gebleken is dat de geloofwaardigheid van deze verklaringen in twijfel wordt getrokken. Dit zijn omstandigheden die relevant zijn voor de beoordeling of een lichter middel kan worden toegepast. Uit de Screeningsverordening volgt dat ook tijdens de screening bijzondere aandacht moet worden besteed aan kwetsbare personen. In het proces-verbaal van gehoor zijn daarover slechts standaardoverwegingen opgenomen. Dit proces-verbaal biedt niet de mogelijkheid om in het geval van andere kwetsbare personen, zoals personen die transgender zijn, de toepassing van een lichter middel te beoordelen. Ook in de maatregel zelf zijn de omstandigheden die eiser een kwetsbaar persoon maken ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling van een lichter middel.
16. De rechtbank stelt vast dat in eisers geval de screening heeft plaatsgevonden, dat daarbij ook zijn kwetsbaarheid is betrokken en dat de voorlopige conclusie is dat eiser geen bijzondere behoeften heeft (zie ook wat hierover in rechtsoverweging 11 is overwogen). De rechtbank stelt verder – los van de discussie over de zorgvuldigheid van het screeningsonderzoek naar onder meer zijn kwetsbaarheid – vast dat uit het proces-verbaal van gehoor van 26 juli 2026 (wegens de mogelijke vrijheidsontnemende maatregel) blijkt dat de minister eiser heeft gevraagd naar (persoonlijke) feiten en omstandigheden in het kader van een lichter middel. Zo is gevraagd naar eisers gezondheid en medicijngebruik, familie in Europa en of er andere spoedeisende omstandigheden zijn die aanleiding geven om alsnog toegang te verlenen en hem de gelegenheid te geven zijn asielaanvraag in vrijheid te doorlopen. Eiser heeft hierop geantwoord dat er geen sprake is van een lichamelijke of psychische aandoening, hij geen medicatie gebruikt en dat dergelijke omstandigheden er niet zijn. De verbalisant heeft daarbij overigens ook zelf aandacht gehad voor mogelijke kwetsbaarheden. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij zijn situatie beseft en dat hij geen bezwaren heeft tegen het gesloten centrum. De minister heeft eisers verklaringen betrokken bij de oplegging van de maatregel. Daarbij is ook overwogen dat er voldoende medische voorzieningen beschikbaar zijn. De minister kon zich daarom op het standpunt stellen dat er geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding zijn voor de conclusie dat de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij als zodanig kwetsbaar moet worden beschouwd omdat hij een transgender is dat hij daarom niet in grensdetentie kan worden gesteld omdat dit voor hem onevenredig bezwaren zou zijn. Dat eiser nog jong is leidt ook niet tot die conclusie: eiser is immers meerderjarig. Deze informatie was overigens bekend toen de maatregel werd opgelegd omdat dit in het gehoor aan de orde is geweest, en dat dit niet uitdrukkelijk is genoemd of betrokken bij de afweging maakt niet dat die afweging onvoldoende zorgvuldig is. Eiser heeft bovendien ook niet onderbouwd dat hij (om die redenen) kwetsbaar is en tijdens het gehoor heeft hij ook niet verklaard dat dit een omstandigheid is waarmee rekening moet worden gehouden bij het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Tot slot overweegt de rechtbank voor de volledigheid nog – mede onder verwijzing naar wat daarover in rechtsoverweging 14 is overwogen – dat in het feit dat de screening in de internationale lounge zou hebben plaatsgevonden geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat – in het licht van het grensbewakingsbelang – een lichter middel had moeten worden toegepast.
De ambtshalve toets
17. Naast de door eiser aangevoerde gronden ziet de rechtbank ook (ambtshalve) geen reden voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 augustus 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vb.
Zaaknummer NL26.37585.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2925, r.o. 3.1).
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5224, r.o. 4).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1409).
Eiser wijst op WI 2026/9 (Triage), WI 2026/13 (Bijzondere procedurele waarborgen in de asielprocedure) en WI 2026/23 (Asielgrensprocedure).
ECLI:NL:RVS:2018:4201.
In de aanbiedingsbrief staat 20 juli, de gemachtigde van de minister heeft ter zitting toegelicht dat dit een verschrijving is geweest.
ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1228, r.o. 3.1).
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42149
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van dit besluit in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Shaljan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2008 en heeft de Russische nationaliteit. Hij is op 25 juli 2026 met een geldig paspoort geland op Schiphol en heeft om 17:45 uur aan de buitengrens zijn asielverzoek kenbaar gemaakt. Eiser heeft op diezelfde dag om 20:30 uur de aanwijzing gekregen om zich tot 26 juli 2026 07:00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven. Op 26 juli 2026 heeft eiser zijn asielverzoek ingediend en om 12:10 op diezelfde dag is besloten om een besluit omtrent de toegangsweigering uit te stellen en dat zijn asielaanvraag in de grensprocedure wordt behandeld. Tegelijkertijd is aan eiser met het bestreden besluit de vrijheidsontnemende maatregel (de grensdetentie) opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, waarover dit beroep gaat.
2. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. De strekking van de grensdetentie is dat eiser moet verblijven in het Aanmeldcentrum Schiphol.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
De screening op grond van de Screeningsverordening
4. Eiser voert in de eerste plaats (kort weergegeven) aan dat er geen wettelijke basis is voor een vrijheidsontnemende maatregel op grond artikel 6, derde lid, van de Vw als de screening op grond van de Screeningsverordening nog niet is afgerond. Dat heeft eiser uitgebreid (met verwijzing naar relevante artikelen en documenten) toegelicht. De conclusie moet volgens eiser zijn dat de grensdetentie onrechtmatig is geweest tijdens de screening en dat deze onrechtmatigheid door moet werken in de grensdetentie tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag in de asielgrensprocedure.
5. De minister heeft op de beroepsgronden gereageerd door een reactie in te brengen die hij heeft ingediend in een zaak die bij deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, speelt. In die zaak heeft (de gemachtigde van) eiser dezelfde gronden naar voren gebracht. In reactie hierop heeft (de gemachtigde van) eiser de reactie daarop in die Haarlemse zaak ingebracht in deze zaak.
6. Ter zitting is besproken wanneer de screening ingevolge de Screeningsverordening is afgerond en of die in dit geval überhaupt afgerond is. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de screening afgerond is op het moment dat het screeningsformulier is ingevuld en daarna de vrijheidsontnemende maatregel volgt. Het gehoor in het formulier in het dossier met de naam ‘Screeningsformulier’ is in werkelijkheid geen screeningsformulier, maar een voorbereidend formulier voor de asielprocedure. Hiermee wordt pas een start gemaakt nadat de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Tijdens de screening was volgens de minister dus nog geen sprake van grensdetentie.
7. De rechtbank stelt voorop dat eiser (als asielzoeker die niet onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening valt) in bewaring is gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Mede gelet op artikel 5.5 en 5.6 van het Vb geldt bij deze grondslag niet als voorwaarde dat sprake moet zijn van een onderduikrisico. De maatregel kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang.
8. De rechtbank overweegt vervolgens dat (niet in geschil is dat) eiser aan de buitengrens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.
9. Daarbij is van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) vóór de inwerkingtreding van de Procedureverordening en de herschikte Opvangrichtlijn heeft geoordeeld dat grensdetentie geoorloofd is als de minister in de grensprocedure beslist of een verzoeker het grondgebied van Nederland mag betreden en dat een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw daarmee dus wordt opgelegd ter bescherming van het grensbewakingsbelang. Dit is erkend als een zwaarwegend belang, omdat bij een lichter middel dan grensdetentie eiser feitelijk toegang tot Nederland krijgt.
10. De rechtbank onderschrijft daarbij echter wel het algemene uitgangspunt dat het opleggen van de maatregel van grensdetentie geen automatisme moet zijn, maar juist het resultaat van de toepassing van een bevoegdheid. Dat betekent dat de minister ook moet kunnen besluiten om de maatregel van grensdetentie achterwege te laten. De minister dient steeds te beoordelen of met een lichter middel kan of moet worden volstaan, ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Dat onderschrijft de minister ook. In de maatregel van eiser is ook een beoordeling van een lichter middel opgenomen. De vaststelling dat de grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang te dienen en dat dit belang ook zwaar weegt, betekent dan ook niet dat automatisch de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie is opgelegd of dat er een automatische koppeling is tussen het grensbewakingsbelang en het opleggen van grensdetentie. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, slaagt in zijn geval dan ook niet. De afweging daarover in het geval van eiser bespreekt de rechtbank hierna (onder het kopje ‘lichter middel’).
11. De rechtbank ziet in dit geval verder geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de minister over de afronding van het screeningsonderzoek. Uit het proces-verbaal van bevindingen Screeningsverordening volgt namelijk dat de screening is afgenomen op 26 juli 2026 om 07:00 uur. In dit proces-verbaal staat daarover dat de verbalisant de screening heeft afgenomen, gecontroleerd en heeft uitgereikt aan eiser. Daarbij hoort ook het formulier dat is ingevuld (dat als bijlage achter dit proces-verbaal zit). Bovendien is (pas) daarna besloten dat eisers asielaanvraag in de grensprocedure behandeld wordt, wat er ook op duidt dat – in ieder geval volgens de minister – de screening is afgerond. Er is dus bovendien voldaan aan wat in artikel 43, eerste lid, van de Procedurerichtlijn daarover staat. De discussie over de start van de screening en de verschillende taalversies waarop eiser in dat verband wijst, is hiervoor niet van belang. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de screening nog niet (voldoende) zou zijn afgerond omdat (volgens eiser) nog niet alle stappen zouden zijn doorlopen. Daarbij wijst de rechtbank op artikel 8, vijfde lid, van de Screenings-verordening, waarin staat uit welke elementen de screening moet bestaan (en die vervolgens nog nader worden geconcretiseerd in de artikelen waarnaar daarin wordt verwezen). Uit het proces-verbaal van bevindingen Screeningsverordening (en in het bijzonder het ingevulde formulier) volgt dat deze stappen zijn doorlopen gedurende de screening. Dat eiser vindt dat het screeningsonderzoek onzorgvuldig is, doet daar niet aan af. Dat ligt bovendien niet ter beoordeling van de bewaringsrechter. Van belang is wel dat de minister voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel beoordeelt en voldoende motiveert of eiser in grensdetentie kan worden gesteld (gelet op zijn persoonlijke omstandigheden). Of de minister dat voldoende heeft gedaan, zal de rechtbank als gezegd hierna beoordelen onder het kopje ‘lichter middel’. Dat eiser er ook nog op wijst dat hij op 28 juli 2026 is gehoord ter voorbereiding op de verdere behandeling van zijn asielaanvraag, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan eiser veronderstelt maakt dat gehoor namelijk – zoals de minister heeft toegelicht – geen onderdeel uit van de screeningsprocedure, maar is het een verrichting in het kader van de (daaropvolgende) asielprocedure. Dat het wel bij het screeningsonderzoek hoort dan wel zou moeten horen, kan niet worden afgeleid uit (de tekst van artikel 8, vijfde lid, van) de Screeningsverordening. Ook uit de werkinstructies en de daarin toegelichte werkwijzen – over onder meer (asiel)triage, OVA en VOA – kan de rechtbank niet afleiden dat dit (voorbereidende asiel)gehoor onder die screening valt. Dat het formulier van dit gehoor weliswaar wel de naam ‘screeningsformulier’ heeft is wellicht verwarrend, maar doet daar niet aan af.
12. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de screening in het kader van de Screeningsverordening en de maatregel van grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw in dit geval niet samen zijn gegaan. De conclusie is daarom dat de screening op grond van de Screeningsverordening was afgerond op het moment dat die maatregel is opgelegd. Eiser heeft dus niet in grensdetentie verbleven tijdens de screening. De beroepsgrond slaagt al daarom niet. De rechtbank gaat dan ook niet in op de vraag of grensdetentie tijdens de screening op grond van de Screeningsverordening al dan niet een voldoende wettelijke grondslag heeft. Ook zal de rechtbank daarom niet in gaan op de grond over de motivering van het gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid en het risico op onderduiken. Dit zijn immers geen wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw en eiser heeft niet betwist dat er wel een grondslag is voor de grensdetentie na afronding van de screening (waarvan de rechtbank in dit geval dus uitgaat).
De locatie van de screening
13. Eiser heeft (subsidiair) aangevoerd dat de lounge geen geschikte screeningslocatie is en dat daarom sprake is van een gebrek. Dit moet doorwerken in de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel.
14. De rechtbank is van oordeel dat uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018 volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact tot een ander oordeel leidt. Uit de stukken volgt dat eiser op 25 juli 2026 om 17:45 zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt, om 20:30 uur de aanwijzing heeft gekregen zich in de internationale lounge op te houden, waarna aan hem op 26 juli 2026om 12:11 de maatregel van grensdetentie is opgelegd en hij om 13:30 uur is geplaatst in het Justitieel Complex Schiphol. Uit deze tijdstippen volgt dat aannemelijk is dat eisers verblijf op Schiphol minder dan 24 uur heeft geduurd. Gelet op die duur van het verblijf op Schiphol ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat (de internationale lounge op) Schiphol in dit geval niet als toereikende en geschikte screeningslocatie kon worden aangemerkt. Dit betekent dat er ook geen sprake is van een gebrek in het voortraject waardoor de maatregel van bewaring eventueel onrechtmatig zou zijn geworden.
Het lichter middel
15. Eiser voert (samengevat) aan dat bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de grensbewaking in verband met de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure het grensbewakingsbelang niet mag worden betrokken. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026. Bovendien stelt eiser dat in dit specifieke geval onvoldoende is gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel. Eiser heeft voorafgaande aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel verklaard dat hij transgender is. Bovendien is eiser jong. Gesteld noch gebleken is dat de geloofwaardigheid van deze verklaringen in twijfel wordt getrokken. Dit zijn omstandigheden die relevant zijn voor de beoordeling of een lichter middel kan worden toegepast. Uit de Screeningsverordening volgt dat ook tijdens de screening bijzondere aandacht moet worden besteed aan kwetsbare personen. In het proces-verbaal van gehoor zijn daarover slechts standaardoverwegingen opgenomen. Dit proces-verbaal biedt niet de mogelijkheid om in het geval van andere kwetsbare personen, zoals personen die transgender zijn, de toepassing van een lichter middel te beoordelen. Ook in de maatregel zelf zijn de omstandigheden die eiser een kwetsbaar persoon maken ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling van een lichter middel.
16. De rechtbank stelt vast dat in eisers geval de screening heeft plaatsgevonden, dat daarbij ook zijn kwetsbaarheid is betrokken en dat de voorlopige conclusie is dat eiser geen bijzondere behoeften heeft (zie ook wat hierover in rechtsoverweging 11 is overwogen). De rechtbank stelt verder – los van de discussie over de zorgvuldigheid van het screeningsonderzoek naar onder meer zijn kwetsbaarheid – vast dat uit het proces-verbaal van gehoor van 26 juli 2026 (wegens de mogelijke vrijheidsontnemende maatregel) blijkt dat de minister eiser heeft gevraagd naar (persoonlijke) feiten en omstandigheden in het kader van een lichter middel. Zo is gevraagd naar eisers gezondheid en medicijngebruik, familie in Europa en of er andere spoedeisende omstandigheden zijn die aanleiding geven om alsnog toegang te verlenen en hem de gelegenheid te geven zijn asielaanvraag in vrijheid te doorlopen. Eiser heeft hierop geantwoord dat er geen sprake is van een lichamelijke of psychische aandoening, hij geen medicatie gebruikt en dat dergelijke omstandigheden er niet zijn. De verbalisant heeft daarbij overigens ook zelf aandacht gehad voor mogelijke kwetsbaarheden. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij zijn situatie beseft en dat hij geen bezwaren heeft tegen het gesloten centrum. De minister heeft eisers verklaringen betrokken bij de oplegging van de maatregel. Daarbij is ook overwogen dat er voldoende medische voorzieningen beschikbaar zijn. De minister kon zich daarom op het standpunt stellen dat er geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding zijn voor de conclusie dat de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij als zodanig kwetsbaar moet worden beschouwd omdat hij een transgender is dat hij daarom niet in grensdetentie kan worden gesteld omdat dit voor hem onevenredig bezwaren zou zijn. Dat eiser nog jong is leidt ook niet tot die conclusie: eiser is immers meerderjarig. Deze informatie was overigens bekend toen de maatregel werd opgelegd omdat dit in het gehoor aan de orde is geweest, en dat dit niet uitdrukkelijk is genoemd of betrokken bij de afweging maakt niet dat die afweging onvoldoende zorgvuldig is. Eiser heeft bovendien ook niet onderbouwd dat hij (om die redenen) kwetsbaar is en tijdens het gehoor heeft hij ook niet verklaard dat dit een omstandigheid is waarmee rekening moet worden gehouden bij het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Tot slot overweegt de rechtbank voor de volledigheid nog – mede onder verwijzing naar wat daarover in rechtsoverweging 14 is overwogen – dat in het feit dat de screening in de internationale lounge zou hebben plaatsgevonden geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat – in het licht van het grensbewakingsbelang – een lichter middel had moeten worden toegepast.
De ambtshalve toets
17. Naast de door eiser aangevoerde gronden ziet de rechtbank ook (ambtshalve) geen reden voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 augustus 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vb.
Zaaknummer NL26.37585.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2925, r.o. 3.1).
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5224, r.o. 4).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1409).
Eiser wijst op WI 2026/9 (Triage), WI 2026/13 (Bijzondere procedurele waarborgen in de asielprocedure) en WI 2026/23 (Asielgrensprocedure).
ECLI:NL:RVS:2018:4201.
In de aanbiedingsbrief staat 20 juli, de gemachtigde van de minister heeft ter zitting toegelicht dat dit een verschrijving is geweest.
ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.
Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1228, r.o. 3.1).