Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22552

2026-07-28 Civiel recht C/09/708871 KG ZA 26-784
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/708871 KG ZA 26-784
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiser vordert uitvoering van een uitspraak van de rechtbank waarin is beslist dat een in beslag genomen hond moet worden teruggegeven. Tegen de uitspraak is cassatieberoep ingesteld. Vordering wordt afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.662 tekens)
Rechtbank den haag


Team handel - voorzieningenrechter



zaak- / rolnummer: C/09/708871 KG ZA 26-784




Vonnis in kort geding van 28 juli 2026




in de zaak van





[eiser] te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. J. Biemond,



tegen:




DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. M.N. Schouten.



Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 juli 2026 met producties 1 tot en met 7;
- de namens de Staat overgelegde producties 1 tot en met 6;
- de namens [eiser] overgelegde producties 8 en 9;
- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.




1.2.
Op 14 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.





2De feiten


2.1.

[eiser] is de eigenaar van een hond genaamd [naam hond] (hierna: de hond). De hond is van het ras Mechelse herder en is ongeveer 8 maanden oud.



2.2.
Op 28 mei 2026 heeft een ernstig bijtincident plaatsgevonden, waarbij de hond is losgebroken van [eiser] en vervolgens een kind van 6 jaar oud in het achterhoofd dan wel de nek heeft gebeten. De politie heeft de hond vervolgens in beslag genomen.



2.3.
Op 1 juni 2026 heeft [eiser] een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend tegen de inbeslagname van de hond.



2.4.
In opdracht van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft het riskassessmentteam van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht (hierna: het riskassessmentteam) een risicoanalyse van de hond gemaakt. Met de risicoanalyse is onderzocht hoe groot de kans is op nieuwe bijtincidenten en in hoeverre de hond hertrainbaar is. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 juni 2026. Het rapport vermeldt, voor zover relevant:



Conclusie met betrekking tot risico:


Op 28 mei 2026 bijt de RA-hond een kind onder de tien jaar oud. De hond zou ontsnapt zijn aan/bij de eigenaar door een gebroken halsband onderdeel. De hond zou naar spelende kinderen zijn toegegaan, het haar van het slachtoffer hebben gelikt en hebben ingebeten; sprake van vasthouden van het slachtoffer en de eigenaar van de RA-hond verklaart op het slachtoffer te zijn gaan zitten om te voorkomen dat ze het veld werd over gesleept.





Naar personen toe toont de hond bij het bijten van het kind op 28 mei 2026 zodanige bijtschade te maken in de kwetsbare hoofdregio dat aan het achterhoofd van het kind los vel operatief verwijderd moet worden. In de opvang toont de hond bijtgedrag naar belijning en kleding, met gaten in de kleding als gevolg. Als de hond iets vast heeft, laat deze niet los. Tijdens gedragsobservatie van de hond toont deze zich sociaal-vriendelijk naar een onbekende persoon, zowel als de hond in verblijf is, als bij kennismaking op onbekend terrein, laat zich dan ook aanhalen (zonder bijtgedrag naar kunsthand/arm). Een snel bewegende volwassene gaat de hond na en bij bedreiging van de verzorger blaft de hond de onbekende persoon aan. Naar een kleuterpop toont de hond een kort moment sociaal-vriendelijk gedrag, maar schakelt dan naar opwinding en bijten. Naar een peuterpop toont de hond direct opwindingselementen, aanblaffen en wordt het observatieonderdeel afgebroken om geen ongewenst leereffect toe te voegen, mocht voor de hond nog mogelijkheid zijn tot training op politiewerk. Op basis van deze bronnen wordt het risico van deze hond naar kinderen ingeschat als zeer hoog en naar volwassenen ingeschat als hoog.





Naar honden toe toont de hond vanuit het verblijf aanblaffen en sterke opwindingselementen. Een vergelijkbaar beeld wordt gezien in de gedragsobservatie van 19 juni 2026, waarbij zowel de kleine als grote stimulushond met veel opwindingselementen aangeblaft wordt, de RA-hond is dan deels afleidbaar. Op basis van deze bronnen wordt het risico van deze hond naar andere honden ingeschat als hoog.





M.b.t. de huidige eigenaarssituatie is enkel bekend dat de hond aan de controle van de eigenaar kon ontkomen doordat een halsbandonderdeel brak. Eerdere bijtincidenten met de hond zijn niet bekend in de politiesystemen. De eigenaar spreekt over ‘spelen’ in het licht van het bijtincident, zegt dat zijn hond niemand kwaad doet en doet een uitspraak over beambten die ‘niet de moeite nemen om boven te gaan kijken bij zijn hond’. Dergelijke uitspraken wijzen op onvoldoende risico inzicht m.b.t. een hond die zojuist een beet in het achterhoofd van een kind heeft geplaatst en schijnbaar niet direct loste, waardoor het risico van de eigenaar wordt ingeschat als bijtrisico verhogend.





[…]





Advisering m.b.t. risico mitigerende maatregelen


Terug naar de eigenaar kan de hond niet, als deze eigenaar de hond als gezelschapshond houdt, dat wil zeggen in een huishouden, niet als werkhond in een ontsnapproof hondenverblijf met strikt trainings- en werkregime voor de invulling van de noodzakelijke activiteitsbehoefte van de hond. Deze hond toont zich duidelijk een werklijn herder en kan enkel gehouden worden als werkhond, onder kundig management, begeleiding en training van een werkhondengeleider die werkzaam is bij een professionele organisatie, zoals de politie. Bij dat management horen het toepassen van ontsnappreventie en inzet van een muilkorf in risicosituaties, buiten het werk en het nadrukkelijk niet houden van de hond (na)bij kinderen, dus niet in een huishouden en leefomgeving waarin zich kinderen kunnen bevinden.





[…]





Samengevat:


☒ Retour eigenaar NIET adviseerbaar, indien deze de hond in een huishouden in een woonwijk houdt, niet als werkhond bij een professionele organisatie zoals de politie en niet in een ontsnapproof hondenverblijf met strikt trainings- en werkregime voor de invulling van de noodzakelijke activiteitsbehoefte van de hond. Deze hond toont zich duidelijk een werklijn herder en kan enkel gehouden worden als werkhond, onder kundig management, begeleiding en training van een werkhondengeleider die is werkzaam is bij een professionele organisatie, zoals de politie. Indien aankeuring en training niet (meer) kan voor de hond, rest enkel euthanasie als dierenwelzijnsvriendelijke optie.”





2.5.
Op 26 juni 2026 heeft het OM een vordering tot onttrekking van de hond aan het verkeer ingesteld.



2.6.
Het klaagschrift van [eiser] en de vordering tot onttrekking van de hond zijn tegelijkertijd door de rechtbank Rotterdam behandeld op 1 juli 2026. Het OM heeft voorafgaand aan de zitting een schriftelijk standpunt kenbaar gemaakt, waarin onder meer is verklaard dat [eiser] niet zal worden vervolgd voor het bijtincident. De rechtbank Rotterdam heeft vervolgens een tweetal uitspraken gedaan:


2.6.1.
De beschikking met raadkamernummer 26-019315, waarin voor zover relevant als volgt is overwogen:



“In deze zaak ontbreekt echter de relatie met een strafbaar feit. De klager werd aanvankelijk verdacht van het overtreden van artikel 425 Sr. In het schriftelijk standpunt heeft het Openbaar Ministerie opgenomen dat tegen de klager geen strafrechtelijke vervolging zal plaatsvinden. De officier van justitie in raadkamer heeft dit bevestigd, maar wel een vordering tot onttrekking van de hond aan het verkeer ingediend. Deze vordering is gelijktijdig met het klaagschrift behandeld en afgewezen. Onder deze omstandigheden is er geen strafvorderlijk belang dat zich verzet tegen teruggave van de hond. De rechtbank is dan ook van oordeel het beklag gegrond dient te worden verklaard en dat de hond aan de klager dient te worden teruggegeven.





[…]





De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan de klager van de hond”





2.6.2.
De beslissing met raadkamernummer: 26-015989, waarin voor zover relevant als volgt is overwogen:



“De in beslag genomen hond is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer indien het ongecontroleerde bezit van de hond in strijd is met het algemeen belang. De hond is in beslag genomen naar aanleiding van een ernstig bijtincident op 28 mei 2026. In deze zaak ontbreekt echter de relatie met een strafbaar feit. De klager werd aanvankelijk verdacht van het overtreden van artikel 425 lid 2 Sr. In het schriftelijk standpunt heeft het Openbaar Ministerie opgenomen dat tegen de klager geen strafrechtelijke vervolging zal plaatsvinden. De officier van justitie in raadkamer heeft dit bevestigd, maar wel een vordering tot onttrekking van de hond aan het verkeer ingediend. De officier van justitie baseert die vordering op artikel 36b lid 1 onder 4 Sr. Dit artikel moet in verbinding worden gelezen met artikel 552f Sr. Voor de toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer is een relatie tot een begaan strafbaar feit vereist. Het enkele vermoeden van een strafbaar feit is onvoldoende reden voor een onttrekking. Nu in het onderhavige geval niet kan worden vastgesteld dat de inbeslaggenomen hond in verband staat met een strafbaar feit, zal de vordering al om die reden niet kunnen worden toegewezen.





Daarnaast is de rechtbank ook van oordeel dat de door de Universiteit Utrecht uitgevoerde risicoanalyse onvoldoende is om te concluderen dat het in beslag genomen voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat het een jonge hond betreft en dat de klager actief met de hond traint. De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen.”






2.7.

[eiser] heeft het OM vervolgens verzocht om over te gaan tot teruggave van de hond. Het OM heeft [eiser] op 7 juli 2026 laten weten dat zij overweegt om cassatie in te stellen en dat cassatie niet succesvol kan worden ingesteld als de hond al is teruggegeven. Het OM heeft hierom geweigerd om tot teruggave van de hond over te gaan.



2.8.
Op 9 juli 2026 heeft het OM beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2026 met betrekking tot de gegrondverklaring van het beklag, de teruggave van de hond en de vordering tot onttrekking aan het verkeer.





3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat veroordeelt tot uitvoering van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2026 en feitelijk overgaat tot teruggave van hond [naam hond] aan [eiser] , met veroordeling van de Staat in de proceskosten.



3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Het OM is terecht tot sepot overgegaan, aangezien niet eerder een bijtincident met de hond heeft plaatsgevonden. Daarnaast is geen sprake van een overtreding van artikel 425 Sr en dus geen sprake van een strafbaar feit. De rechtbank Rotterdam heeft, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, de vordering tot onttrekking terecht afgewezen en beslist dat het OM moet overgaan tot teruggave van de hond. Ook uit het rapport van het riskassessmentteam volgt niet dat sprake is van een gevaarlijke hond. Er is daarom ook geen inhoudelijke grond voor een verbeurdverklaring. Gelet op dit alles moet het OM uitvoering geven aan de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2026 en overgaan tot teruggave van de hond.



3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.





4De beoordeling van het geschil


4.1.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.



4.2.
Met de uitspraken van 1 juli 2026 heeft de rechtbank Rotterdam de vordering tot onttrekking aan het verkeer ten aanzien van de hond afgewezen, het beklag van [eiser] gegrond verklaard en de teruggave van de hond aan [eiser] gelast. Het OM heeft vervolgens op 9 juli 2026 cassatieberoep ingesteld tegen deze uitspraken van de rechtbank Rotterdam. Als gevolg hiervan mogen de uitspraken van 1 juli 2026 niet ten uitvoer worden gelegd totdat op het beroep in cassatie is beslist. Het cassatieberoep heeft namelijk schorsende werking (artikel 6:1:16 lid 1 Sv). Dat betekent dat de Staat op dit moment niet gehouden is om uitvoering te geven aan de uitspraken van 1 juli 2026. Dat kan slechts anders zijn als de Staat hangende het cassatieberoep misbruik van bevoegdheid maakt of anderszins in redelijkheid niet tot de beslissing kan komen om niet tot teruggave over te gaan. Dit moet door [eiser] aannemelijk worden gemaakt.



Niet aannemelijk dat sprake is van misbruik van recht





4.3.
De Staat heeft cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam, omdat zij volgens de Staat onvoldoende gemotiveerd zijn. De Staat kan zich niet verenigen met het oordeel dat de hond niet in relatie staat tot een strafbaar feit en dat de hond niet gevaarlijk is. Volgens [eiser] heeft het cassatieberoep geen kans van slagen en maakt de Staat misbruik van recht door de hond in beslag te houden. De voorzieningenrechter volgt [eiser] daarin niet.



i. Relatie tot een strafbaar feit?





4.4.
De Staat heeft een vordering tot onttrekking aan het verkeer ingesteld op grond van artikel 36b lid 1 aanhef en onder 4° Sr. Deze procedure is niet mogelijk tijdens de vervolging van een verdachte, maar is juist bedoeld voor situaties waarin vaststaat dat er geen vervolging (meer) plaatsvindt. Voor de toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer wordt – anders dan in de onderdelen 1°, 2° en 3° van artikel 36b lid 1 Sr – niet met zoveel woorden verlangd dat vast moet staan dat een strafbaar feit is begaan. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat ook voor de toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer een relatie tot een begaan strafbaar feit is vereist.



4.5.
De Staat betoogt dat de hond in verband met een strafbaar feit staat, omdat [eiser] de delictsomschrijvingen van artikel 425 lid 1 en lid 2 Sr heeft vervuld. Tegelijkertijd is tussen partijen niet in geschil dat [eiser] niet (verder) zal worden vervolgd voor overtreding van artikel 425 Sr. In het verlengde daarvan betoogt [eiser] dat hierdoor vaststaat dat – nu hij niet wordt vervolgd en er geen andere verdachte in beeld is – geen sprake is van een strafbaar feit en om die reden ook geen onttrekking aan het verkeer kan volgen. Daarmee miskent [eiser] dat de afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer juist is bedoeld voor situaties als deze, waarin vaststaat dat er geen vervolging (meer) plaatsvindt. Dit laatste betekent niet automatisch dat er geen relatie bestaat tot een strafbaar feit.



4.6.
Tussen partijen bestaat discussie over de reden voor het niet-vervolgen van [eiser] . Volgens [eiser] heeft de Staat verklaard dat [eiser] niet wordt vervolgd wegens een gebrek aan bewijs. Dit is door de Staat betwist. De Staat heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij niet tot vervolging overgaat omdat geen sprake was van eerdere bijtincidenten en omdat de Staat op herstel wilde inzetten. Dat [eiser] niet is vervolgd en veroordeeld voor overtreding van artikelen 425 lid 1 en 2 Sr, laat volgens de Staat onverlet dat van een strafbaar feit sprake is geweest nu de delictsomschrijvingen van artikel 425 lid 1 en lid 2 Sr zijn vervuld.



4.7.
De voorzieningenrechter kan niet vaststellen wat de reden is geweest dat de Staat niet tot vervolging is overgegaan. Uit de uitspraken van de rechtbank Rotterdam volgt enkel dat de Staat in het schriftelijk standpunt heeft opgenomen dat tegen [eiser] geen strafrechtelijke vervolging zal plaatsvinden en dat de officier van justitie dit heeft bevestigd in de raadkamer. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de officier van justitie heeft verklaard of erkend dat er gebrek aan bewijs was en daarom van vervolging is afgezien. Dat van vervolging is afgezien, sluit niet uit dat een strafbaar feit is begaan in de zin van artikel 36b Sr.



ii. Gevaarlijke hond?





4.8.
De rechtbank Rotterdam heeft verder geoordeeld dat het rapport van het riskassessmentteam onvoldoende is om te concluderen dat de hond van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat het een jonge hond betreft en dat [eiser] actief met de hond traint. [eiser] meent dat dit een juist oordeel is, omdat geen sprake is van eerdere bijtincidenten en omdat het ras van de hond niet bepalend is voor de vraag of een hond gevaarlijk is. Volgens de Staat is het oordeel van de rechtbank Rotterdam ook op dit punt onbegrijpelijk en is sprake van andere feiten en omstandigheden op grond waarvan de hond als gevaarlijk kan worden aangemerkt. In het rapport van het riskassessmentteam is namelijk geconcludeerd dat het risico op een nieuw bijtincident ten aanzien van kinderen 'zeer hoog' is en ten aanzien van mensen en honden 'hoog'. Ook is geconcludeerd dat de hond niet terug kan naar [eiser] , maar enkel mogelijk gehouden zou kunnen worden als werkhond bij een professionele organisatie, zoals de politie. Daarnaast heeft de Staat benadrukt dat het voorval moet worden gekwalificeerd als een ernstig bijtincident, en de norm van artikel 425 Sr voor gevallen als dit geschreven is. Nadat de hond (om welke reden dan ook) los is gekomen van [eiser] , heeft de hond een meisje van 6 jaar oud gebeten en letsel toegebracht. Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat de hond in het cassatieberoep alsnog als gevaarlijk in de zin van artikel 425 Sr wordt aangemerkt, zodat het ongecontroleerde bezit van de hond mogelijk in strijd is met de wet of met het algemeen belang.



Conclusie





4.9.

[eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het door de Staat ingestelde cassatieberoep geen enkele kans van slagen heeft. Dit betekent dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid, zodat de uitkomst het cassatieberoep moet worden afgewacht. Als gevolg hiervan zal de hond nog zeker enkele maanden in de opslag moeten verblijven. Hoewel de hond hier niet bij is gebaat en dit ook vanuit kostenperspectief niet de voorkeur heeft, maakt dit niet dat de Staat in redelijkheid niet tot de beslissing heeft kunnen komen om niet tot teruggave over te gaan.



Proceskosten





4.10.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)
Totaal € 2.101




4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De voorzieningenrechter:



5.1.
wijst de vorderingen af;



5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat, begroot op € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;



5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.



Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.




3556