Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22549
2026-07-13
Civiel recht
C/09/706550 KG ZA 26-608
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Medewerking verkoop woning.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (41.445 tekens)
Rechtbank den haag
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706550 KG ZA 26-608
Vonnis in kort geding van 13 juli 2026
in de zaak van
[partij A] te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. R.W.S. Nijman,
tegen:
[partij B] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. W. van Leuveren,
waarin zich heeft gevoegd:
PURUS AMNIS B.V. te Alphen aan den Rijn,
eiseres in het incident tot voeging,
advocaat: mr. W. van Leuveren.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’, ‘de man’ en ‘Purus Amnis’.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 juni 2026 met producties 1 tot en met 24;
- de conclusie van antwoord, tevens incidentele vordering tot voeging, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie met producties 1 tot en met 10.
1.2.
Op 29 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2Het incident tot voeging
2.1.
Purus Amnis heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van de man. Ter zitting heeft de vrouw verklaard bezwaar te hebben tegen de voeging. Purus Amnis is vervolgens toegelaten als gevoegde partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft als bedoeld in artikel 217 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Voorts is niet gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.
3De feiten
3.1.
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan [adres] (hierna: de woning).
3.2.
In het taxatierapport van [makelaar] van 1 augustus 2024 is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
3.3.
Per brief van 19 september 2024 heeft [makelaar] een aanvulling op het taxatierapport van 1 augustus 2024 naar de man gestuurd. De brief vermeldt, voor zover relevant:
“Na aanleiding van ons telefonisch contact blijkt dat de 58 zonnepanelen niet toebehoren aan het woningperceel maar gelegen zijn op de bedrijfsloods. Dit is in het taxatierapport met datum 02-08-2024 onjuist vermeld en resulteert in een wijziging van de onderverdeling van de waarde.
Hieronder het overzicht van de waarde rekening houdend met de zonnepanelen die op de bedrijfsloods gelegen zijn in plaats van op het woningperceel.
Marktwaarde
Voor de marktwaarde van het gehele object komt de waarde op € 1.167.000, opgebouwd als volgt:
Woningkavel met woning en opstal € 952.000
Kwekerijgrond € 98.000
Verhardingen € 8.000
Loods met onderheide betonplaat en zonnepanelen € 109.000
Marktwaarde met bijzonder uitgangspunt
Voor de marktwaarde met bijzonder uitgangspunt, waarde van het object exclusief de loods met betonplaat en zonnepanelen, komt de waarde op € 1.058.000, opgebouwd als volgt:
Woningkavel met opstal € 952.000
Kwekerijgrond € 98.000
Verhardingen € 8.000”
3.4.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 29 november 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In de beschikking is voorts, voor zover relevant, als volgt beslist:
“stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de echtelijke woning aan [adres] met de daarop rustende hypothecaire geldlening afgesloten bij ING Bank en de daarop rustende hypothecaire geldlening afgesloten bij Purus Amnis BV:
1) de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende opschortende voorwaarden:
a) de waarde waartegen de man de woning zal overnemen bedraagt € 1.075.000,-;
b) de man dient binnen vijf maanden na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen voormelde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit voormelde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening en de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1b) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan een makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal — als partijen het niet eens zijn — partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
[…]
aan de man worden toegedeeld:
[…]
d) de aandelen in Purus Amnis BV voor een waarde van € 864.278,- onder de verplichting de helft van deze waarde, zijnde een bedrag van € 432.139,- aan de vrouw te voldoen, waarbij de AB-claim geruisloos aan de man wordt doorgeschoven;”
3.5.
Tegen de beschikking van 29 november 2024 is geen hoger beroep ingesteld.
3.6.
Op 2 januari 2025 is de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.
3.7.
Op 12 maart 2025 heeft de vrouw de beschikking van 29 november 2024 laten betekenen aan de man.
3.8.
Per e-mail van 7 mei 2025 heeft de toenmalige advocaat van de man bevestigd dat op 21 mei 2025 een viergesprek zal plaatsvinden, waarin onder meer de overname van de woning door de man besproken zou worden.
3.9.
Per e-mail van 4 juni 2025 heeft de vrouw de man gevraagd om stukken te sturen waaruit volgt dat de man in staat is om de woning over te nemen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldleningen kan worden ontslagen. Op 13 en 27 juni 2025 heeft de vrouw in dit verband een herinnering aan de man gestuurd.
3.10.
Per e-mail van 23 juli 2025 heeft de man te kennen gegeven dat het zijn voorkeur heeft dat de woning wordt verkocht aan een derde. De man heeft verder gemeld dat partijen makelaar Van der Sijs binnen één week opdracht kunnen geven voor de verkoop van de woning, dat de oplevertermijn kort kan zijn en dat het advies van de makelaar ten aanzien van de vraag- en laatprijs kan worden gevolgd dan wel dat de laatprijs gelijk is aan het bedrag dat nodig is om de hypotheken af te lossen en de verkoopkosten te kunnen voldoen.
3.11.
Op 1 augustus 2025 heeft de vrouw de man om een inhoudelijke reactie verzocht ten aanzien van de loods en de zonnepanelen op het perceel van de woning (hierna: de loods).
3.12.
Op 12 augustus 2025 heeft de vrouw beslag laten leggen op de aandelen in Purus Amnis en op de gezamenlijke woning van partijen in [plaats] .
3.13.
Op 14 november 2025 heeft een gesprek tussen partijen, hun advocaten en financieel adviseurs plaatsgevonden.
3.14.
Op 23 december 2025 heeft de vrouw beslag laten leggen op de ING-bankrekeningen van de man. De man heeft vervolgens een betaling van € 53.000 aan de vrouw gedaan.
3.15.
Op 30 december 2025 heeft de vrouw beslag laten leggen onder Purus Amnis, op alle vorderingen die zij op de man heeft.
3.16.
Op 14 januari 2026 is de gezamenlijke woning van partijen in [plaats] overgedragen aan een derde. De verkoopopbrengst bedraagt na aftrek van kosten € 323.620,23 en is geheel aan de vrouw uitgekeerd.
3.17.
In de periode daarna hebben partijen uitvoerig gecorrespondeerd over mogelijke oplossingen. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.
4Het geschil
in conventie
4.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw machtigt om namens de man over te gaan tot alles dat noodzakelijk is voor de opdracht tot verkoop en de verkoop en levering van de onroerende zaak te [adres] ;
II. bepaalt dat het vonnis in de plaats komt van de vereiste toestemming en wilsverklaring van de man tot het in de verkoop doen geven van de woning te [adres] , bij een door de vrouw aangezochte makelaar;
III. bepaalt dat het vonnis in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de woning, gelegen te [adres] , vereiste toestemming en wilsverklaring van de man;
IV. bepaalt dat de vrouw gemachtigd is om uit de verkoopopbrengst van de woning de daaraan verbonden hypothecaire schulden en de met de verkoop en levering van de woning samenhangende kosten te voldoen, alsmede dat de helft van de overwaarde aan de vrouw toekomt, en dat op het aandeel van de man in de overwaarde in mindering gaat het bedrag dat de man aan de vrouw verschuldigd is uit hoofde van de beschikking van 29 november 2024, zijnde een bedrag van € 76.011 plus wettelijke rente vanaf 6 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, althans € 51.760 plus wettelijke rente vanaf 6 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, en de man daartoe te veroordelen;
V. bepaalt dat de lening van partijen aan de zoon door de man aan de vrouw wordt overgedragen;
VI. de man veroordeelt tot ontruiming van de onroerende zaak te [adres] met al het zijne en de zijnen, uiterlijk 4 weken na betekening van dit vonnis;
VII. de man veroordeelt in de kosten van ontruiming voor het geval hij daarmee nalatig blijft;
VIII. de man veroordeelt om:
a. aan de vrouw een sleutel van de woning te verschaffen, zodat zij en de makelaar toegang tot de woning hebben, dan wel de man die aan de makelaar dient af te geven;
b. de woning, als die nog niet ontruimd is, in nette en opgeruimde staat ter beschikking te stellen aan de makelaar, fotograaf, geïnteresseerde kopers en overige activiteiten gericht op verkoop en;
c. het ongehinderd verschaffen van toegang tot de woning aan de makelaar en geïnteresseerde kopers op de momenten dat de makelaar dit noodzakelijk en redelijk acht, althans het niet zonder redelijke grond weigeren van deze toegang alsmede niet aanwezig te zijn bij de bezichtigingen van de woning;
d. ook als hij niet in deze woning verblijft: het zich onthouden van handelingen die de verkoop tegenwerken;
e. al het onder punt VIII gevorderde op straffe van een niet gemaximeerde dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat de man in gebreke blijft met het verlenen van zijn medewerking;
IX. bepaalt dat de man uit hoofde van de beschikking van 29 november 2024 nog een bedrag aan de vrouw verschuldigd is van € 76.011 plus wettelijke rente vanaf 6 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, althans € 51.760 plus wettelijke rente vanaf 6 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, en de man daartoe te veroordelen;
X. bepaalt dat de man de huisraad volgens het overzicht van de vrouw ineens, compleet en onbeschadigd, aan de vrouw moet overhandigen, bij gebreke waarvan de man een (niet gemaximeerde) dwangsom verschuldigd is van € 250 voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke is;
XI. de man veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De beschikking van de rechtbank van 29 november 2024 is onherroepelijk geworden. De vrouw vordert nakoming van deze beschikking. De man was en is niet in staat om de woning zelf over te nemen. Daarnaast zijn de jaarcijfers van de onderneming van de man slechter geworden. De man moet daarom meewerken aan verkoop van de woning aan een derde. De vrouw wil niet langer in een onverdeelde gemeenschap blijven. Zij heeft recent een eigen woning gekocht en heeft een direct financieel belang. Op het aandeel van de man in de verkoopopbrengst van de woning gaat in mindering de vordering die de vrouw op de man heeft. Die vordering bedraagt per 5 juni 2026 € 76.011,76 plus wettelijke rente vanaf 6 juni 2026, althans ten minste € 51.760. Daarnaast dient de huisraad verdeeld te worden, zoals in de beschikking is bepaald.
4.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in voorwaardelijke reconventie
4.4.
De man vordert voorwaardelijk – zakelijk weergegeven – indien en voorzover de vorderingen van de vrouw onder I en/of II en/of III en/of IV worden toegewezen, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw veroordeelt om, ter gelegenheid van de verkoop en levering van de woning aan een derde, haar volledige medewerking te verlenen aan de levering van de aan de man toebedeelde en aan Purus Amnis toebehorende loods inclusief effectuering van de voor het beoogde zakelijke gebruik door Purus Amnis te vestigen erfdienstbaarheden en het daartoe door een notaris doen opstellen van een concept-akte van splitsing met bijbehorende situatietekening, waarin:
(I) het aan de man toebedeelde en aan Purus Amnis toebehorende gedeelte van het perceel Gemeente Hazerswoude, sectie K, nummer 122 (groot 13.010 ca) waarop de loods met de daarbij behorende ondergrond, erf en parkeergelegenheid is gelegen, wordt afgebakend en buiten de aan een derde te verkopen perceel grond met daarop een woning met aanhorigheden wordt gehouden, en
(II) ten behoeve van dat gedeelte van het perceel dat dienstig is aan de loods, daarvoor de voor een doelmatig gebruik noodzakelijke erfdienstbaarheid van weg en leidingen over het bij de woning behorende perceel wordt vastgelegd, overeenkomstig de thans bestaande feitelijke situatie;
II. bepaalt dat indien de vrouw niet binnen acht dagen na daartoe te zijn uitgenodigd door de passerende notaris haar medewerking verleent aan het passeren van de notariële akte van splitsing en alle daarvoor noodzakelijke verklaringen en stukken ondertekent inclusief de akte van levering van de loods c.a. aan Purus Amnis, dit vonnis ingevolge artikel 3:300 BW in de plaats treedt van haar wilsverklaring en medewerking;
III. bepaalt dat de kosten van kadastrale splitsing, uitmeting en notariële vastlegging door partijen bij helfte worden gedragen;
IV. de vrouw veroordeelt in de kosten van het geding in voorwaardelijke reconventie.
4.5.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Het is op dit moment niet duidelijk wat precies moet worden verkocht. De loods met parkeerplaatsen en omliggende grond behoren uitsluitend aan Purus Amnis en de man toe, zodat zij eerst moeten worden (af)gesplitst van het perceel waarop ook de woning staat. De aandelen in Purus Amnis zijn namelijk bij beschikking van 29 november 2024 aan de man toegedeeld. Purus Amnis is eigenaar van de loods die op het perceel is gebouwd. De woning en het perceel kunnen daarom niet inclusief de loods aan een derde worden verkocht en overgedragen. Er dienen zakelijke rechten te worden gevestigd. De loods heeft voor een zelfstandig gebruik en de uitoefening van eigendomsrecht bij splitsing van het perceel erfdienstbaarheden van weg en van het hebben van leidingen nodig, omdat de loods zonder zelfstandige ontsluiting niet doelmatig kan worden gebruikt. Het ten gunste van de loods afgesplitste perceel moet aan de man worden overgedragen voordat het overige aan een derde kan worden verkocht.
4.6.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
5De beoordeling van het geschil
in conventie
Het spoedeisend belang
5.1.
De vrouw heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat haar vorderingen die op de verkoop van de woning zien spoedeisend zijn. Zij heeft daartoe onder meer gesteld dat zij niet in onverdeeldheid wenst blijven dat zij behoefte heeft aan de vermogensrechtelijke afwikkeling, mede omdat de vrouw een woning heeft gekocht.
Uitgangspunt; nakoming beschikking
5.2.
Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 29 november 2024. De beschikking is dan ook in kracht van gewijsde gegaan en heeft gezag van gewijsde tussen partijen. Het uitgangspunt is daarom dat de beschikking door partijen moet worden nagekomen.
De man is niet in staat gebleken om de woning over te nemen; geen nieuwe kans
5.3.
In de beschikking van 29 november 2024 is beslist dat de man binnen vijf maanden na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand moet aantonen dat hij de woning kan overnemen tegen een waarde van € 1.075.000 met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen. De echtscheidingsbeschikking is op 2 januari 2025 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. De termijn van vijf maanden is inmiddels ruimschoots verstreken en de man heeft de overname van de woning niet gerealiseerd binnen deze termijn.
5.4.
De man voert aan dat hij nogmaals in de gelegenheid moet worden gesteld om de woning over te nemen. Volgens de man is momenteel niet duidelijk wat precies moet worden verkocht. De man betoogt dat de loods moet worden afgesplitst van (het perceel van) de woning en dat erfdienstbaarheden moeten worden gevestigd, waarna de waarde van de woning daalt. Vervolgens kan de man financiering aanvragen voor de overname van de woning exclusief het afgesplitste deel. In dat geval is hij mogelijk in staat om de woning over te nemen.
5.5.
De voorzieningenrechter is met de vrouw van oordeel dat uit de beschikking van 29 november 2024 volgt dat de rechtbank bij de vaststelling van de waarde van de woning (€ 1.075.000) rekening heeft gehouden met de waarde van de loods en dat in verband met de loods een korting is toegepast op de waarde van de woning. De voorzieningenrechter volgt de man dan ook niet in zijn betoog dat eerst een splitsing en vestiging van erfdienstbaarheden dienen plaats te vinden. Voldoende aannemelijk is, zoals de rechtbank in r.o. 5.9 – 5.11 zal toelichten, dat de loods door natrekking onderdeel van het perceel van de woning is geworden.
5.6.
De man heeft voorts aangevoerd dat aan hem nog een aanvullende termijn moet worden gegeven om de woning over te nemen, omdat de aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 2.800 per maand naar beneden moet worden bijgesteld tot € 740 per maand. De man zal daartoe een procedure starten, hetgeen een positieve impact zal hebben op zijn vermogenspositie en de mogelijkheid om de benodigde financiering te regelen. De voorzieningenrechter constateert dat de procedure waarin om verlaging van de partneralimentatie wordt verzocht nog niet is gestart en bovendien is niet evident dat de partneralimentatie in een dergelijke procedure naar beneden zal worden bijgesteld en met welk bedrag dit dan zou gebeuren. De man heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de uitkomst van een eventuele procedure hem kan baten. Er bestaat kortom geen gerechtvaardigde reden om de man nog een aanvullende termijn te gunnen om de woning zelf over te nemen.
De woning moet aan een derde worden verkocht
5.7.
Nu er geen grond is om de man in de gelegenheid te stellen om de woning alsnog over te nemen, is op grond van de beschikking van 29 november 2024 de volgende stap de verkoop van de woning aan een derde. Uit de uitlatingen van de man ter zitting is gebleken dat de woning belangrijk is voor hem en Purus Amnis. Gelet hierop en op het tijdsverloop tot op heden acht de voorzieningenrechter het onvoldoende aannemelijk dat de man vrijwillig zijn medewerking zal verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde. Hierin ziet de voorzieningenrechter reden om te bepalen dat dit vonnis ex artikel 3:300 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) bij gebreke aan tijdige medewerking van de man in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de man onder de overeenkomst tot opdracht aan de makelaar, de koopovereenkomst en de notariële leveringsakte. De voorzieningenrechter zal in de beslissing een zogenaamd spoorboekje schetsen voor de verkoop van de woning aan een derde dat in lijn is met de beschikking van 29 november 2024. De beslissing van de voorzieningenrechter is niet zo verstrekkend dat vrouw wordt gemachtigd om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop en overdracht van de woning. Dit betekent dat de vorderingen van de vrouw onder I tot en met III en VIII gedeeltelijk worden toegewezen.
5.8.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd.
Wat moet worden verkocht?
5.9.
Tussen partijen bestaat discussie over de status van de loods. Volgens de vrouw is sprake van natrekking, maar de man betwist dat dit het geval is. Volgens de man is Purus Amnis eigenaar van de loods en dient de loods met omliggende grond afgesplitst te worden van het perceel. Daarbij moeten ook erfdienstbaarheden van weg en van het hebben van leidingen worden gevestigd, omdat de loods zonder zelfstandige ontsluiting niet doelmatig kan worden gebruikt en omdat de loods leidingen in/over het perceel van de woning nodig heeft. Het afgesplitste deel moet niet worden betrokken in de verkoop van de woning aan een derde, maar moet volgens de man aan Purus Amnis worden overgedragen.
5.10.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw terecht gesteld dat de loods in goederenrechtelijke zin door natrekking bij de gezamenlijke woning en het daarbij behorende perceel is gaan horen. Uit hetgeen ter zitting is besproken en de foto’s bij het taxatierapport volgt dat de loods duurzaam met de grond is verenigd en niet op eenvoudige wijze kan worden verplaatst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat sprake is van natrekking. Als gevolg daarvan is voldoende aannemelijk dat partijen in goederenrechtelijke zin tezamen eigenaar van de loods zijn geworden, nu zij gezamenlijk eigenaar van het perceel met de woning zijn. Bij deze stand van zaken bestaat er geen afsplitsingsrecht. De man noch Purus Amnis is eigenaar van (een gedeelte van) de grond waarop de loods is gesticht en daarbij is van enig (ander) recht op afsplitsing en het vestigen van erfdienstbaarheden is niet gebleken.
5.11.
De tussenconclusie is dat de woning inclusief de loods moet worden verkocht.
Vergoedingsrecht
5.12.
Tegelijkertijd is tussen partijen niet in geschil dat Purus Amnis rechthebbende is van de loods (waaronder dus begrepen de zonnepanelen op de loods). Purus Amnis heeft de loods gesticht in het kader van haar bedrijfsvoering, heeft daarvoor betaald en de loods is in de jaarrekening van Purus Amnis opgenomen. Partijen zijn het erover eens dat de aandelen in Purus Amnis aan de man zijn toegedeeld en dat de man de vrouw in verband daarmee heeft uitgekocht.
5.13.
Als gevolg van het voorgaande dient bij de verkoop van de woning aan een derde in verbintenisrechtelijke zin nog tussen partijen te worden verrekend vanwege de loods. Daarbij geldt dat de vordering van Purus Amnis op partijen door de man zal moeten worden voldaan aan Purus Amnis. Indien met het vergoedingsrecht geen rekening wordt gehouden, wordt de vrouw immers (gedeeltelijk) dubbel gecompenseerd voor de loods. Het afbreken en opnieuw opbouwen van de loods, zoals de vrouw heeft betoogd, is immers geen realistische optie nu de loods duurzaam met de grond is verenigd en niet eenvoudig verplaatst kan worden. Aangezien vooraf niet duidelijk is voor welk bedrag de woning aan een derde wordt verkocht, moet het vergoedingsrecht van Purus Amnis worden uitgedrukt in een percentage van de verkoopopbrengst van (het gehele perceel van) de woning.
5.14.
In het taxatierapport van [makelaar] van 1 augustus 2024 is de woning inclusief het gehele perceel en de loods getaxeerd op een marktwaarde van € 1.167.000. De marktwaarde van de woning inclusief het gehele perceel, maar exclusief de loods, is in datzelfde rapport getaxeerd op een marktwaarde van € 1.075.000. In aanvulling hierop heeft [makelaar] per brief van 19 september 2024 aangegeven dat de marktwaarde voor het geheel € 1.167.000 bedraagt, waarbij aan de loods (met onderheide betonplaat en zonnepanelen) een waarde van € 109.000 is toegekend, en dat de marktwaarde exclusief de loods (met onderheide betonplaat en zonnepanelen) € 1.058.000 bedraagt. De voorzieningenrechter neemt daarom tot uitgangspunt dat de loods een marktwaarde van € 109.000 vertegenwoordigt, hetgeen gelijk staat aan 9,34% van de totale waarde. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat Purus Amnis een vorderingsrecht op de man en de vrouw heeft dat gelijk is aan 9,34% van de verkoopopbrengst van de woning, zijnde het bedrag dat resteert na aftrek van de verkoopkosten die door de man en de vrouw gelijkelijk gedeeld moeten worden. Van de verkoopopbrengst (dus na aftrek van de verkoopkosten) moet 9,34% (via de man) aan Purus Amnis worden uitgekeerd. Het restant van de verkoopopbrengst wordt door de man en de vrouw bij helfte gedeeld.
Geen machtiging voor de vrouw in verband met de verkoopopbrengst
5.15.
De vrouw vordert (onder IV) dat zij gemachtigd wordt om uit de verkoopopbrengst de aan de woning verbonden hypothecaire schulden en de verkoopkosten te voldoen. De vrouw heeft echter niet onderbouwd op grond waarvan zij daartoe gemachtigd dient te worden. Bovendien stelt de notaris gebruikelijk een nota van afrekening op en worden de hypothecaire schulden en verkoopkosten door de notaris vanuit de verkoopopbrengst voldaan. Het eerste gedeelte van vordering IV wordt daarom afgewezen.
Geen verklaring voor recht en veroordeling tot betaling van de resterende vordering
5.16.
De vrouw vordert verder (onder IV en onder IX) dat de helft van de overwaarde aan de vrouw toekomt, dat haar vordering op de man € 76.011 plus wettelijke rente dan wel € 51.760 plus wettelijke rente bedraagt, en dat deze vordering op het aandeel van de man in de overwaarde in mindering wordt gebracht en de man hiertoe te veroordelen. De vrouw heeft ter onderbouwing twee (financiële) overzichten en berekeningen overgelegd, waaruit volgt dat haar vordering op de man ten minste € 51.760 bedraagt, doch vanwege door de man verschuldigde wettelijke rente primair € 76.011 bedraagt. De man betwist dat de vordering van de vrouw op de man € 76.011 dan wel € 51.076 bedraagt. Volgens de man heeft hij een aantal vorderingen op de vrouw die in de finale afrekening moeten worden meegenomen. Ter onderbouwing hiervan heeft de man een overzicht met diverse berekeningen en facturen overgelegd. Daarnaast bestrijdt de man de gevorderde rentebedragen. Volgens de man is het vorderen van rente over de nog bestaande onverdeeldheid in strijd met het recht.
5.17.
De vrouw vordert betaling van een geldsom en, zo begrijpt de voorzieningenrechter, een verklaring voor recht. Gelet op het voorlopige karakter van het kort geding, kan de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel geven over de rechtsverhouding tussen partijen. Dit betekent dat in een uitspraak in kort geding geen plaats is voor een verklaring voor recht, zodat dit gedeelte van de vordering wordt afgewezen.
5.18.
Ten aanzien van de geldvorderingen moet de voorzieningenrechter niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van de vrouw op de man voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is hoe dan ook terughoudendheid geboden. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, mocht de bodemrechter anders beslissen.
5.19.
De voorzieningenrechter constateert dat beide partijen een verschillend overzicht van de vorderingen over en weer hebben gepresenteerd en dat zij elkaars vorderingen (deels) betwisten. Daarmee zijn het bestaan en de hoogte van de vordering van de vrouw op de man onvoldoende duidelijk. Verder geldt als uitgangspunt in een kortgedingprocedure dat geen plaats is voor nadere bewijslevering. Tevens ontbreekt enig concreet spoedeisend belang aan de zijde van de vrouw, mede omdat zij recent hoge bedragen uitgekeerd heeft gekregen. Het overige deel van de vordering onder IV en onder IX wordt daarom afgewezen.
Lening
5.20.
De vrouw heeft ter zitting verklaard dat de lening van partijen aan de zoon in verband met de auto is afgewikkeld. Als gevolg hiervan ontbreekt een belang bij de vordering onder V, zodat de voorzieningenrechter deze vordering (onder V) afwijst.
Ontruiming
5.21.
Zodra de woning is verkocht aan een derde, zal de man de woning voorafgaand aan de levering moeten verlaten. In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen bestaan er ook voldoende redenen om de (onder VI) gevorderde ontruiming toe te wijzen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om, ter verduidelijking en mede in het belang van de man, een termijn op te nemen waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden. Deze termijn zal de voorzieningenrechter vaststellen op één week voor de overeengekomen leveringsdatum.
Kosten ontruiming
5.22.
De vrouw vordert (onder VII) dat de man wordt veroordeeld in de ontruimingskosten voor het geval hij daarmee nalatig blijft. De voorzieningenrechter overweegt dat een ontruimingsvonnis een executoriale titel oplevert voor het verhaal van de ontruimingskosten, indien tevens een veroordeling in de nakosten is uitgesproken (artikel 237 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Onder de nakosten vallen namelijk ook de kosten die gepaard gaan met een gedwongen ontruiming (zie artikelen 555 e.v. Rv jo 3:297 BW). Een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 237 lid 1 Rv levert dus voor alle kosten een executoriale titel op. Omdat de ontruimingskosten niet op voorhand zijn te begroten, vallen zij onder artikel 237 lid 4 Rv. Hoewel de voorzieningenrechter de proceskosten zal compenseren, zal de voorzieningenrechter wel een veroordeling in de nakosten uitspreken, die uitsluitend ziet op de ontruimingskosten voor zover daarvan sprake zal zijn indien de man niet vrijwillig tot ontruiming overgaat.
Huisraad
5.23.
De vrouw vordert (onder X) dat de man de huisraad conform een door haar opgesteld overzicht moet overdragen op straffe van een dwangsom. Volgens de vrouw is de huisraad nog niet (volledig) verdeeld. De vrouw heeft aangevoerd dat zij uitsluitend de spullen heeft mogen ophalen die de man niet meer wil hebben, terwijl de man heeft verhinderd dat de vrouw een ander gedeelte van de haar toekomende huisraad heeft opgehaald. De man stelt zich echter op het standpunt dat de huisraad reeds verdeeld is. Ter zitting heeft de man verklaard dat partijen bij Van der Valk hebben afgesproken en aldaar een lijst hebben opgesteld om de huisraad te verdelen. De vrouw is vervolgens meerdere keren in de woning geweest om haar spullen op te halen. Nu partijen tegengestelde verklaringen afleggen en hun standpunten niet nader onderbouwd hebben, is de huidige stand van zaken niet duidelijk voor de voorzieningenrechter. Aangezien in een kortgedingprocedure geen plaats is voor nadere bewijslevering, wordt de vordering tot overdracht van (een gedeelte van) de huisraad afgewezen. In het verlengde hiervan worden ook de gevorderde dwangsommen afgewezen.
Voorwaardelijke reconventie
5.24.
De man heeft, gelet op het belang van Purus Amnis, in reconventie – samengevat – gevorderd dat de vrouw haar volledige medewerking moet verlenen aan de juridische levering van de loods en de vestging van erfdienstbaarheden indien de woning aan een derde moet worden verkocht. De man vordert daarnaast dat het vonnis ingevolge artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van de vrouw en haar medewerking, indien zij dit weigert, alsmede dat de kosten van de kadastrale splitsing, uitmeting en notariële vastlegging door partijen bij helfte worden gedragen.
5.25.
De voorzieningenrechter heeft hiervoor geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat sprake is van natrekking en dat de man en de vrouw in goederenrechtelijke zin gezamenlijk eigenaar van de loods zijn geworden. Van enig recht op afsplitsing van de loods met het onderliggende perceel en op het vestigen van erfdienstbaarheden is niet gebleken. De voorzieningenrechter wijst de voorwaardelijke vorderingen van de man daarom af.
Proceskosten
5.26.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt zowel in conventie als in voorwaardelijke reconventie aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
6De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
6.1.
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan [adres] aan (een) derde(n), waartoe hij in ieder geval:
samen met de vrouw een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met een makelaar onder een NVM-/VBO-/Vastgoed Pro-makelaar gebruikelijke voorwaarden. Daartoe zal de vrouw drie geschikte makelaars voorstellen, waarna de man binnen één week schriftelijk kenbaar moet maken welke van deze drie makelaars opdracht krijgt van de man en de vrouw. Indien de man zijn keuze niet tijdig kenbaar maakt, is de vrouw gerechtigd een keuze te maken uit deze drie makelaars;
de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de vrouw op zal volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;
dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen drie werkdagen nadat de makelaar van partijen hem daartoe heeft verzocht, indien en voor zover:
- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en waarbij
- een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal één maand na de ondertekening van de verkoopovereenkomst, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en
- de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat;
dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag;
50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan gedaagde toekomende aandeel in de overwaarde;
6.2.
bepaalt dat, indien de man niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting tot het verlenen van medewerking als bedoeld in 5.1 onder b. hij een dwangsom is verschuldigd is van € 500 per dag, tot een maximum van € 20.000;
6.3.
bepaalt dat, indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.1 onder a., c en d., dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper;
6.4.
veroordeelt de man tot ontruiming van de woning aan [adres] met al het zijne en de zijnen, uiterlijk één week voor de overeengekomen leveringsdatum;
6.5.
veroordeelt de man in de nakosten, uitsluitend voor zover deze zien op de ontruimingskosten;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in voorwaardelijke reconventie
6.9.
wijst de vorderingen af;
6.10.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
3556
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/706550 KG ZA 26-608
Vonnis in kort geding van 13 juli 2026
in de zaak van
[partij A] te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. R.W.S. Nijman,
tegen:
[partij B] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. W. van Leuveren,
waarin zich heeft gevoegd:
PURUS AMNIS B.V. te Alphen aan den Rijn,
eiseres in het incident tot voeging,
advocaat: mr. W. van Leuveren.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’, ‘de man’ en ‘Purus Amnis’.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 juni 2026 met producties 1 tot en met 24;
- de conclusie van antwoord, tevens incidentele vordering tot voeging, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie met producties 1 tot en met 10.
1.2.
Op 29 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2Het incident tot voeging
2.1.
Purus Amnis heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van de man. Ter zitting heeft de vrouw verklaard bezwaar te hebben tegen de voeging. Purus Amnis is vervolgens toegelaten als gevoegde partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft als bedoeld in artikel 217 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Voorts is niet gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.
3De feiten
3.1.
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan [adres] (hierna: de woning).
3.2.
In het taxatierapport van [makelaar] van 1 augustus 2024 is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
3.3.
Per brief van 19 september 2024 heeft [makelaar] een aanvulling op het taxatierapport van 1 augustus 2024 naar de man gestuurd. De brief vermeldt, voor zover relevant:
“Na aanleiding van ons telefonisch contact blijkt dat de 58 zonnepanelen niet toebehoren aan het woningperceel maar gelegen zijn op de bedrijfsloods. Dit is in het taxatierapport met datum 02-08-2024 onjuist vermeld en resulteert in een wijziging van de onderverdeling van de waarde.
Hieronder het overzicht van de waarde rekening houdend met de zonnepanelen die op de bedrijfsloods gelegen zijn in plaats van op het woningperceel.
Marktwaarde
Voor de marktwaarde van het gehele object komt de waarde op € 1.167.000, opgebouwd als volgt:
Woningkavel met woning en opstal € 952.000
Kwekerijgrond € 98.000
Verhardingen € 8.000
Loods met onderheide betonplaat en zonnepanelen € 109.000
Marktwaarde met bijzonder uitgangspunt
Voor de marktwaarde met bijzonder uitgangspunt, waarde van het object exclusief de loods met betonplaat en zonnepanelen, komt de waarde op € 1.058.000, opgebouwd als volgt:
Woningkavel met opstal € 952.000
Kwekerijgrond € 98.000
Verhardingen € 8.000”
3.4.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 29 november 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In de beschikking is voorts, voor zover relevant, als volgt beslist:
“stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de echtelijke woning aan [adres] met de daarop rustende hypothecaire geldlening afgesloten bij ING Bank en de daarop rustende hypothecaire geldlening afgesloten bij Purus Amnis BV:
1) de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende opschortende voorwaarden:
a) de waarde waartegen de man de woning zal overnemen bedraagt € 1.075.000,-;
b) de man dient binnen vijf maanden na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen voormelde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit voormelde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening en de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1b) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan een makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal — als partijen het niet eens zijn — partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
[…]
aan de man worden toegedeeld:
[…]
d) de aandelen in Purus Amnis BV voor een waarde van € 864.278,- onder de verplichting de helft van deze waarde, zijnde een bedrag van € 432.139,- aan de vrouw te voldoen, waarbij de AB-claim geruisloos aan de man wordt doorgeschoven;”
3.5.
Tegen de beschikking van 29 november 2024 is geen hoger beroep ingesteld.
3.6.
Op 2 januari 2025 is de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.
3.7.
Op 12 maart 2025 heeft de vrouw de beschikking van 29 november 2024 laten betekenen aan de man.
3.8.
Per e-mail van 7 mei 2025 heeft de toenmalige advocaat van de man bevestigd dat op 21 mei 2025 een viergesprek zal plaatsvinden, waarin onder meer de overname van de woning door de man besproken zou worden.
3.9.
Per e-mail van 4 juni 2025 heeft de vrouw de man gevraagd om stukken te sturen waaruit volgt dat de man in staat is om de woning over te nemen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldleningen kan worden ontslagen. Op 13 en 27 juni 2025 heeft de vrouw in dit verband een herinnering aan de man gestuurd.
3.10.
Per e-mail van 23 juli 2025 heeft de man te kennen gegeven dat het zijn voorkeur heeft dat de woning wordt verkocht aan een derde. De man heeft verder gemeld dat partijen makelaar Van der Sijs binnen één week opdracht kunnen geven voor de verkoop van de woning, dat de oplevertermijn kort kan zijn en dat het advies van de makelaar ten aanzien van de vraag- en laatprijs kan worden gevolgd dan wel dat de laatprijs gelijk is aan het bedrag dat nodig is om de hypotheken af te lossen en de verkoopkosten te kunnen voldoen.
3.11.
Op 1 augustus 2025 heeft de vrouw de man om een inhoudelijke reactie verzocht ten aanzien van de loods en de zonnepanelen op het perceel van de woning (hierna: de loods).
3.12.
Op 12 augustus 2025 heeft de vrouw beslag laten leggen op de aandelen in Purus Amnis en op de gezamenlijke woning van partijen in [plaats] .
3.13.
Op 14 november 2025 heeft een gesprek tussen partijen, hun advocaten en financieel adviseurs plaatsgevonden.
3.14.
Op 23 december 2025 heeft de vrouw beslag laten leggen op de ING-bankrekeningen van de man. De man heeft vervolgens een betaling van € 53.000 aan de vrouw gedaan.
3.15.
Op 30 december 2025 heeft de vrouw beslag laten leggen onder Purus Amnis, op alle vorderingen die zij op de man heeft.
3.16.
Op 14 januari 2026 is de gezamenlijke woning van partijen in [plaats] overgedragen aan een derde. De verkoopopbrengst bedraagt na aftrek van kosten € 323.620,23 en is geheel aan de vrouw uitgekeerd.
3.17.
In de periode daarna hebben partijen uitvoerig gecorrespondeerd over mogelijke oplossingen. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.
4Het geschil
in conventie
4.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw machtigt om namens de man over te gaan tot alles dat noodzakelijk is voor de opdracht tot verkoop en de verkoop en levering van de onroerende zaak te [adres] ;
II. bepaalt dat het vonnis in de plaats komt van de vereiste toestemming en wilsverklaring van de man tot het in de verkoop doen geven van de woning te [adres] , bij een door de vrouw aangezochte makelaar;
III. bepaalt dat het vonnis in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de woning, gelegen te [adres] , vereiste toestemming en wilsverklaring van de man;
IV. bepaalt dat de vrouw gemachtigd is om uit de verkoopopbrengst van de woning de daaraan verbonden hypothecaire schulden en de met de verkoop en levering van de woning samenhangende kosten te voldoen, alsmede dat de helft van de overwaarde aan de vrouw toekomt, en dat op het aandeel van de man in de overwaarde in mindering gaat het bedrag dat de man aan de vrouw verschuldigd is uit hoofde van de beschikking van 29 november 2024, zijnde een bedrag van € 76.011 plus wettelijke rente vanaf 6 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, althans € 51.760 plus wettelijke rente vanaf 6 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, en de man daartoe te veroordelen;
V. bepaalt dat de lening van partijen aan de zoon door de man aan de vrouw wordt overgedragen;
VI. de man veroordeelt tot ontruiming van de onroerende zaak te [adres] met al het zijne en de zijnen, uiterlijk 4 weken na betekening van dit vonnis;
VII. de man veroordeelt in de kosten van ontruiming voor het geval hij daarmee nalatig blijft;
VIII. de man veroordeelt om:
a. aan de vrouw een sleutel van de woning te verschaffen, zodat zij en de makelaar toegang tot de woning hebben, dan wel de man die aan de makelaar dient af te geven;
b. de woning, als die nog niet ontruimd is, in nette en opgeruimde staat ter beschikking te stellen aan de makelaar, fotograaf, geïnteresseerde kopers en overige activiteiten gericht op verkoop en;
c. het ongehinderd verschaffen van toegang tot de woning aan de makelaar en geïnteresseerde kopers op de momenten dat de makelaar dit noodzakelijk en redelijk acht, althans het niet zonder redelijke grond weigeren van deze toegang alsmede niet aanwezig te zijn bij de bezichtigingen van de woning;
d. ook als hij niet in deze woning verblijft: het zich onthouden van handelingen die de verkoop tegenwerken;
e. al het onder punt VIII gevorderde op straffe van een niet gemaximeerde dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat de man in gebreke blijft met het verlenen van zijn medewerking;
IX. bepaalt dat de man uit hoofde van de beschikking van 29 november 2024 nog een bedrag aan de vrouw verschuldigd is van € 76.011 plus wettelijke rente vanaf 6 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, althans € 51.760 plus wettelijke rente vanaf 6 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, en de man daartoe te veroordelen;
X. bepaalt dat de man de huisraad volgens het overzicht van de vrouw ineens, compleet en onbeschadigd, aan de vrouw moet overhandigen, bij gebreke waarvan de man een (niet gemaximeerde) dwangsom verschuldigd is van € 250 voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke is;
XI. de man veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De beschikking van de rechtbank van 29 november 2024 is onherroepelijk geworden. De vrouw vordert nakoming van deze beschikking. De man was en is niet in staat om de woning zelf over te nemen. Daarnaast zijn de jaarcijfers van de onderneming van de man slechter geworden. De man moet daarom meewerken aan verkoop van de woning aan een derde. De vrouw wil niet langer in een onverdeelde gemeenschap blijven. Zij heeft recent een eigen woning gekocht en heeft een direct financieel belang. Op het aandeel van de man in de verkoopopbrengst van de woning gaat in mindering de vordering die de vrouw op de man heeft. Die vordering bedraagt per 5 juni 2026 € 76.011,76 plus wettelijke rente vanaf 6 juni 2026, althans ten minste € 51.760. Daarnaast dient de huisraad verdeeld te worden, zoals in de beschikking is bepaald.
4.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in voorwaardelijke reconventie
4.4.
De man vordert voorwaardelijk – zakelijk weergegeven – indien en voorzover de vorderingen van de vrouw onder I en/of II en/of III en/of IV worden toegewezen, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw veroordeelt om, ter gelegenheid van de verkoop en levering van de woning aan een derde, haar volledige medewerking te verlenen aan de levering van de aan de man toebedeelde en aan Purus Amnis toebehorende loods inclusief effectuering van de voor het beoogde zakelijke gebruik door Purus Amnis te vestigen erfdienstbaarheden en het daartoe door een notaris doen opstellen van een concept-akte van splitsing met bijbehorende situatietekening, waarin:
(I) het aan de man toebedeelde en aan Purus Amnis toebehorende gedeelte van het perceel Gemeente Hazerswoude, sectie K, nummer 122 (groot 13.010 ca) waarop de loods met de daarbij behorende ondergrond, erf en parkeergelegenheid is gelegen, wordt afgebakend en buiten de aan een derde te verkopen perceel grond met daarop een woning met aanhorigheden wordt gehouden, en
(II) ten behoeve van dat gedeelte van het perceel dat dienstig is aan de loods, daarvoor de voor een doelmatig gebruik noodzakelijke erfdienstbaarheid van weg en leidingen over het bij de woning behorende perceel wordt vastgelegd, overeenkomstig de thans bestaande feitelijke situatie;
II. bepaalt dat indien de vrouw niet binnen acht dagen na daartoe te zijn uitgenodigd door de passerende notaris haar medewerking verleent aan het passeren van de notariële akte van splitsing en alle daarvoor noodzakelijke verklaringen en stukken ondertekent inclusief de akte van levering van de loods c.a. aan Purus Amnis, dit vonnis ingevolge artikel 3:300 BW in de plaats treedt van haar wilsverklaring en medewerking;
III. bepaalt dat de kosten van kadastrale splitsing, uitmeting en notariële vastlegging door partijen bij helfte worden gedragen;
IV. de vrouw veroordeelt in de kosten van het geding in voorwaardelijke reconventie.
4.5.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Het is op dit moment niet duidelijk wat precies moet worden verkocht. De loods met parkeerplaatsen en omliggende grond behoren uitsluitend aan Purus Amnis en de man toe, zodat zij eerst moeten worden (af)gesplitst van het perceel waarop ook de woning staat. De aandelen in Purus Amnis zijn namelijk bij beschikking van 29 november 2024 aan de man toegedeeld. Purus Amnis is eigenaar van de loods die op het perceel is gebouwd. De woning en het perceel kunnen daarom niet inclusief de loods aan een derde worden verkocht en overgedragen. Er dienen zakelijke rechten te worden gevestigd. De loods heeft voor een zelfstandig gebruik en de uitoefening van eigendomsrecht bij splitsing van het perceel erfdienstbaarheden van weg en van het hebben van leidingen nodig, omdat de loods zonder zelfstandige ontsluiting niet doelmatig kan worden gebruikt. Het ten gunste van de loods afgesplitste perceel moet aan de man worden overgedragen voordat het overige aan een derde kan worden verkocht.
4.6.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
5De beoordeling van het geschil
in conventie
Het spoedeisend belang
5.1.
De vrouw heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat haar vorderingen die op de verkoop van de woning zien spoedeisend zijn. Zij heeft daartoe onder meer gesteld dat zij niet in onverdeeldheid wenst blijven dat zij behoefte heeft aan de vermogensrechtelijke afwikkeling, mede omdat de vrouw een woning heeft gekocht.
Uitgangspunt; nakoming beschikking
5.2.
Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 29 november 2024. De beschikking is dan ook in kracht van gewijsde gegaan en heeft gezag van gewijsde tussen partijen. Het uitgangspunt is daarom dat de beschikking door partijen moet worden nagekomen.
De man is niet in staat gebleken om de woning over te nemen; geen nieuwe kans
5.3.
In de beschikking van 29 november 2024 is beslist dat de man binnen vijf maanden na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand moet aantonen dat hij de woning kan overnemen tegen een waarde van € 1.075.000 met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen. De echtscheidingsbeschikking is op 2 januari 2025 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. De termijn van vijf maanden is inmiddels ruimschoots verstreken en de man heeft de overname van de woning niet gerealiseerd binnen deze termijn.
5.4.
De man voert aan dat hij nogmaals in de gelegenheid moet worden gesteld om de woning over te nemen. Volgens de man is momenteel niet duidelijk wat precies moet worden verkocht. De man betoogt dat de loods moet worden afgesplitst van (het perceel van) de woning en dat erfdienstbaarheden moeten worden gevestigd, waarna de waarde van de woning daalt. Vervolgens kan de man financiering aanvragen voor de overname van de woning exclusief het afgesplitste deel. In dat geval is hij mogelijk in staat om de woning over te nemen.
5.5.
De voorzieningenrechter is met de vrouw van oordeel dat uit de beschikking van 29 november 2024 volgt dat de rechtbank bij de vaststelling van de waarde van de woning (€ 1.075.000) rekening heeft gehouden met de waarde van de loods en dat in verband met de loods een korting is toegepast op de waarde van de woning. De voorzieningenrechter volgt de man dan ook niet in zijn betoog dat eerst een splitsing en vestiging van erfdienstbaarheden dienen plaats te vinden. Voldoende aannemelijk is, zoals de rechtbank in r.o. 5.9 – 5.11 zal toelichten, dat de loods door natrekking onderdeel van het perceel van de woning is geworden.
5.6.
De man heeft voorts aangevoerd dat aan hem nog een aanvullende termijn moet worden gegeven om de woning over te nemen, omdat de aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 2.800 per maand naar beneden moet worden bijgesteld tot € 740 per maand. De man zal daartoe een procedure starten, hetgeen een positieve impact zal hebben op zijn vermogenspositie en de mogelijkheid om de benodigde financiering te regelen. De voorzieningenrechter constateert dat de procedure waarin om verlaging van de partneralimentatie wordt verzocht nog niet is gestart en bovendien is niet evident dat de partneralimentatie in een dergelijke procedure naar beneden zal worden bijgesteld en met welk bedrag dit dan zou gebeuren. De man heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de uitkomst van een eventuele procedure hem kan baten. Er bestaat kortom geen gerechtvaardigde reden om de man nog een aanvullende termijn te gunnen om de woning zelf over te nemen.
De woning moet aan een derde worden verkocht
5.7.
Nu er geen grond is om de man in de gelegenheid te stellen om de woning alsnog over te nemen, is op grond van de beschikking van 29 november 2024 de volgende stap de verkoop van de woning aan een derde. Uit de uitlatingen van de man ter zitting is gebleken dat de woning belangrijk is voor hem en Purus Amnis. Gelet hierop en op het tijdsverloop tot op heden acht de voorzieningenrechter het onvoldoende aannemelijk dat de man vrijwillig zijn medewerking zal verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde. Hierin ziet de voorzieningenrechter reden om te bepalen dat dit vonnis ex artikel 3:300 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) bij gebreke aan tijdige medewerking van de man in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de man onder de overeenkomst tot opdracht aan de makelaar, de koopovereenkomst en de notariële leveringsakte. De voorzieningenrechter zal in de beslissing een zogenaamd spoorboekje schetsen voor de verkoop van de woning aan een derde dat in lijn is met de beschikking van 29 november 2024. De beslissing van de voorzieningenrechter is niet zo verstrekkend dat vrouw wordt gemachtigd om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop en overdracht van de woning. Dit betekent dat de vorderingen van de vrouw onder I tot en met III en VIII gedeeltelijk worden toegewezen.
5.8.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd.
Wat moet worden verkocht?
5.9.
Tussen partijen bestaat discussie over de status van de loods. Volgens de vrouw is sprake van natrekking, maar de man betwist dat dit het geval is. Volgens de man is Purus Amnis eigenaar van de loods en dient de loods met omliggende grond afgesplitst te worden van het perceel. Daarbij moeten ook erfdienstbaarheden van weg en van het hebben van leidingen worden gevestigd, omdat de loods zonder zelfstandige ontsluiting niet doelmatig kan worden gebruikt en omdat de loods leidingen in/over het perceel van de woning nodig heeft. Het afgesplitste deel moet niet worden betrokken in de verkoop van de woning aan een derde, maar moet volgens de man aan Purus Amnis worden overgedragen.
5.10.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw terecht gesteld dat de loods in goederenrechtelijke zin door natrekking bij de gezamenlijke woning en het daarbij behorende perceel is gaan horen. Uit hetgeen ter zitting is besproken en de foto’s bij het taxatierapport volgt dat de loods duurzaam met de grond is verenigd en niet op eenvoudige wijze kan worden verplaatst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat sprake is van natrekking. Als gevolg daarvan is voldoende aannemelijk dat partijen in goederenrechtelijke zin tezamen eigenaar van de loods zijn geworden, nu zij gezamenlijk eigenaar van het perceel met de woning zijn. Bij deze stand van zaken bestaat er geen afsplitsingsrecht. De man noch Purus Amnis is eigenaar van (een gedeelte van) de grond waarop de loods is gesticht en daarbij is van enig (ander) recht op afsplitsing en het vestigen van erfdienstbaarheden is niet gebleken.
5.11.
De tussenconclusie is dat de woning inclusief de loods moet worden verkocht.
Vergoedingsrecht
5.12.
Tegelijkertijd is tussen partijen niet in geschil dat Purus Amnis rechthebbende is van de loods (waaronder dus begrepen de zonnepanelen op de loods). Purus Amnis heeft de loods gesticht in het kader van haar bedrijfsvoering, heeft daarvoor betaald en de loods is in de jaarrekening van Purus Amnis opgenomen. Partijen zijn het erover eens dat de aandelen in Purus Amnis aan de man zijn toegedeeld en dat de man de vrouw in verband daarmee heeft uitgekocht.
5.13.
Als gevolg van het voorgaande dient bij de verkoop van de woning aan een derde in verbintenisrechtelijke zin nog tussen partijen te worden verrekend vanwege de loods. Daarbij geldt dat de vordering van Purus Amnis op partijen door de man zal moeten worden voldaan aan Purus Amnis. Indien met het vergoedingsrecht geen rekening wordt gehouden, wordt de vrouw immers (gedeeltelijk) dubbel gecompenseerd voor de loods. Het afbreken en opnieuw opbouwen van de loods, zoals de vrouw heeft betoogd, is immers geen realistische optie nu de loods duurzaam met de grond is verenigd en niet eenvoudig verplaatst kan worden. Aangezien vooraf niet duidelijk is voor welk bedrag de woning aan een derde wordt verkocht, moet het vergoedingsrecht van Purus Amnis worden uitgedrukt in een percentage van de verkoopopbrengst van (het gehele perceel van) de woning.
5.14.
In het taxatierapport van [makelaar] van 1 augustus 2024 is de woning inclusief het gehele perceel en de loods getaxeerd op een marktwaarde van € 1.167.000. De marktwaarde van de woning inclusief het gehele perceel, maar exclusief de loods, is in datzelfde rapport getaxeerd op een marktwaarde van € 1.075.000. In aanvulling hierop heeft [makelaar] per brief van 19 september 2024 aangegeven dat de marktwaarde voor het geheel € 1.167.000 bedraagt, waarbij aan de loods (met onderheide betonplaat en zonnepanelen) een waarde van € 109.000 is toegekend, en dat de marktwaarde exclusief de loods (met onderheide betonplaat en zonnepanelen) € 1.058.000 bedraagt. De voorzieningenrechter neemt daarom tot uitgangspunt dat de loods een marktwaarde van € 109.000 vertegenwoordigt, hetgeen gelijk staat aan 9,34% van de totale waarde. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat Purus Amnis een vorderingsrecht op de man en de vrouw heeft dat gelijk is aan 9,34% van de verkoopopbrengst van de woning, zijnde het bedrag dat resteert na aftrek van de verkoopkosten die door de man en de vrouw gelijkelijk gedeeld moeten worden. Van de verkoopopbrengst (dus na aftrek van de verkoopkosten) moet 9,34% (via de man) aan Purus Amnis worden uitgekeerd. Het restant van de verkoopopbrengst wordt door de man en de vrouw bij helfte gedeeld.
Geen machtiging voor de vrouw in verband met de verkoopopbrengst
5.15.
De vrouw vordert (onder IV) dat zij gemachtigd wordt om uit de verkoopopbrengst de aan de woning verbonden hypothecaire schulden en de verkoopkosten te voldoen. De vrouw heeft echter niet onderbouwd op grond waarvan zij daartoe gemachtigd dient te worden. Bovendien stelt de notaris gebruikelijk een nota van afrekening op en worden de hypothecaire schulden en verkoopkosten door de notaris vanuit de verkoopopbrengst voldaan. Het eerste gedeelte van vordering IV wordt daarom afgewezen.
Geen verklaring voor recht en veroordeling tot betaling van de resterende vordering
5.16.
De vrouw vordert verder (onder IV en onder IX) dat de helft van de overwaarde aan de vrouw toekomt, dat haar vordering op de man € 76.011 plus wettelijke rente dan wel € 51.760 plus wettelijke rente bedraagt, en dat deze vordering op het aandeel van de man in de overwaarde in mindering wordt gebracht en de man hiertoe te veroordelen. De vrouw heeft ter onderbouwing twee (financiële) overzichten en berekeningen overgelegd, waaruit volgt dat haar vordering op de man ten minste € 51.760 bedraagt, doch vanwege door de man verschuldigde wettelijke rente primair € 76.011 bedraagt. De man betwist dat de vordering van de vrouw op de man € 76.011 dan wel € 51.076 bedraagt. Volgens de man heeft hij een aantal vorderingen op de vrouw die in de finale afrekening moeten worden meegenomen. Ter onderbouwing hiervan heeft de man een overzicht met diverse berekeningen en facturen overgelegd. Daarnaast bestrijdt de man de gevorderde rentebedragen. Volgens de man is het vorderen van rente over de nog bestaande onverdeeldheid in strijd met het recht.
5.17.
De vrouw vordert betaling van een geldsom en, zo begrijpt de voorzieningenrechter, een verklaring voor recht. Gelet op het voorlopige karakter van het kort geding, kan de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel geven over de rechtsverhouding tussen partijen. Dit betekent dat in een uitspraak in kort geding geen plaats is voor een verklaring voor recht, zodat dit gedeelte van de vordering wordt afgewezen.
5.18.
Ten aanzien van de geldvorderingen moet de voorzieningenrechter niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van de vrouw op de man voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is hoe dan ook terughoudendheid geboden. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, mocht de bodemrechter anders beslissen.
5.19.
De voorzieningenrechter constateert dat beide partijen een verschillend overzicht van de vorderingen over en weer hebben gepresenteerd en dat zij elkaars vorderingen (deels) betwisten. Daarmee zijn het bestaan en de hoogte van de vordering van de vrouw op de man onvoldoende duidelijk. Verder geldt als uitgangspunt in een kortgedingprocedure dat geen plaats is voor nadere bewijslevering. Tevens ontbreekt enig concreet spoedeisend belang aan de zijde van de vrouw, mede omdat zij recent hoge bedragen uitgekeerd heeft gekregen. Het overige deel van de vordering onder IV en onder IX wordt daarom afgewezen.
Lening
5.20.
De vrouw heeft ter zitting verklaard dat de lening van partijen aan de zoon in verband met de auto is afgewikkeld. Als gevolg hiervan ontbreekt een belang bij de vordering onder V, zodat de voorzieningenrechter deze vordering (onder V) afwijst.
Ontruiming
5.21.
Zodra de woning is verkocht aan een derde, zal de man de woning voorafgaand aan de levering moeten verlaten. In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen bestaan er ook voldoende redenen om de (onder VI) gevorderde ontruiming toe te wijzen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om, ter verduidelijking en mede in het belang van de man, een termijn op te nemen waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden. Deze termijn zal de voorzieningenrechter vaststellen op één week voor de overeengekomen leveringsdatum.
Kosten ontruiming
5.22.
De vrouw vordert (onder VII) dat de man wordt veroordeeld in de ontruimingskosten voor het geval hij daarmee nalatig blijft. De voorzieningenrechter overweegt dat een ontruimingsvonnis een executoriale titel oplevert voor het verhaal van de ontruimingskosten, indien tevens een veroordeling in de nakosten is uitgesproken (artikel 237 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Onder de nakosten vallen namelijk ook de kosten die gepaard gaan met een gedwongen ontruiming (zie artikelen 555 e.v. Rv jo 3:297 BW). Een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 237 lid 1 Rv levert dus voor alle kosten een executoriale titel op. Omdat de ontruimingskosten niet op voorhand zijn te begroten, vallen zij onder artikel 237 lid 4 Rv. Hoewel de voorzieningenrechter de proceskosten zal compenseren, zal de voorzieningenrechter wel een veroordeling in de nakosten uitspreken, die uitsluitend ziet op de ontruimingskosten voor zover daarvan sprake zal zijn indien de man niet vrijwillig tot ontruiming overgaat.
Huisraad
5.23.
De vrouw vordert (onder X) dat de man de huisraad conform een door haar opgesteld overzicht moet overdragen op straffe van een dwangsom. Volgens de vrouw is de huisraad nog niet (volledig) verdeeld. De vrouw heeft aangevoerd dat zij uitsluitend de spullen heeft mogen ophalen die de man niet meer wil hebben, terwijl de man heeft verhinderd dat de vrouw een ander gedeelte van de haar toekomende huisraad heeft opgehaald. De man stelt zich echter op het standpunt dat de huisraad reeds verdeeld is. Ter zitting heeft de man verklaard dat partijen bij Van der Valk hebben afgesproken en aldaar een lijst hebben opgesteld om de huisraad te verdelen. De vrouw is vervolgens meerdere keren in de woning geweest om haar spullen op te halen. Nu partijen tegengestelde verklaringen afleggen en hun standpunten niet nader onderbouwd hebben, is de huidige stand van zaken niet duidelijk voor de voorzieningenrechter. Aangezien in een kortgedingprocedure geen plaats is voor nadere bewijslevering, wordt de vordering tot overdracht van (een gedeelte van) de huisraad afgewezen. In het verlengde hiervan worden ook de gevorderde dwangsommen afgewezen.
Voorwaardelijke reconventie
5.24.
De man heeft, gelet op het belang van Purus Amnis, in reconventie – samengevat – gevorderd dat de vrouw haar volledige medewerking moet verlenen aan de juridische levering van de loods en de vestging van erfdienstbaarheden indien de woning aan een derde moet worden verkocht. De man vordert daarnaast dat het vonnis ingevolge artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van de vrouw en haar medewerking, indien zij dit weigert, alsmede dat de kosten van de kadastrale splitsing, uitmeting en notariële vastlegging door partijen bij helfte worden gedragen.
5.25.
De voorzieningenrechter heeft hiervoor geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat sprake is van natrekking en dat de man en de vrouw in goederenrechtelijke zin gezamenlijk eigenaar van de loods zijn geworden. Van enig recht op afsplitsing van de loods met het onderliggende perceel en op het vestigen van erfdienstbaarheden is niet gebleken. De voorzieningenrechter wijst de voorwaardelijke vorderingen van de man daarom af.
Proceskosten
5.26.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt zowel in conventie als in voorwaardelijke reconventie aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
6De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
6.1.
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan [adres] aan (een) derde(n), waartoe hij in ieder geval:
samen met de vrouw een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met een makelaar onder een NVM-/VBO-/Vastgoed Pro-makelaar gebruikelijke voorwaarden. Daartoe zal de vrouw drie geschikte makelaars voorstellen, waarna de man binnen één week schriftelijk kenbaar moet maken welke van deze drie makelaars opdracht krijgt van de man en de vrouw. Indien de man zijn keuze niet tijdig kenbaar maakt, is de vrouw gerechtigd een keuze te maken uit deze drie makelaars;
de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de vrouw op zal volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;
dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen drie werkdagen nadat de makelaar van partijen hem daartoe heeft verzocht, indien en voor zover:
- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en waarbij
- een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal één maand na de ondertekening van de verkoopovereenkomst, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en
- de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat;
dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag;
50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan gedaagde toekomende aandeel in de overwaarde;
6.2.
bepaalt dat, indien de man niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting tot het verlenen van medewerking als bedoeld in 5.1 onder b. hij een dwangsom is verschuldigd is van € 500 per dag, tot een maximum van € 20.000;
6.3.
bepaalt dat, indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.1 onder a., c en d., dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper;
6.4.
veroordeelt de man tot ontruiming van de woning aan [adres] met al het zijne en de zijnen, uiterlijk één week voor de overeengekomen leveringsdatum;
6.5.
veroordeelt de man in de nakosten, uitsluitend voor zover deze zien op de ontruimingskosten;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in voorwaardelijke reconventie
6.9.
wijst de vorderingen af;
6.10.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
3556