Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22548

2026-07-28 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.61477
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.61477
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

asiel Jemen, toepassing eerder beleid, geloofwaardigheidsbeoordeling niet in strijd met Unierecht, geloofwaardigheid problemen, vluchtelingschap, 15c, negatieve belangstelling, ongegrond.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.195 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.61477


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),


en


de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de aanvraag niet hoeven te beoordelen aan de hand van het toen geldende beleid en de geloofwaardigheidsbeoordeling is niet in strijd met het Unierecht. De minister heeft ook de problemen van eiser met de [groep] terecht ongeloofwaardig geacht. Voorts heeft de minister eiser niet hoeven aanmerken als vluchteling omdat hij uit het noorden van Jemen komt en lange tijd in Saoedi-Arabië heeft verbleven. Verder heeft de minister in het beleid, zoals vastgelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20, terecht aangenomen dat zich in [stad] in Jemen niet het hoogste niveau van willekeurig geweld voordoet. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, gelet op zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden in [stad] het slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van [datum] 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.




Beoordeling door de rechtbank



Het asielrelaas


3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij komt uit de stad [stad] in Jemen, waar hij tot eind 2015 heeft gewoond. Vanwege de oorlog heeft hij [stad] verlaten en vervolgens verbleven in Saoedi-Arabië, Maleisië en Soedan. Eiser is in de periode 2015-2019 nog een aantal keer voor korte tijd naar Jemen teruggekeerd. Hij had dan steeds problemen met de [groep] . In 2018 heeft eiser geprobeerd in Jemen weer een leven op te bouwen maar heeft opnieuw moeten vluchten uit [stad] vanwege een conflict met de verantwoordelijke van de [groep] in zijn wijk. Hij heeft toen een korte periode in [stad] verbleven, waarna hij Jemen definitief heeft verlaten. Eiser vreest bij terugkeer dat hij gearresteerd en vermoord zal worden door de [groep] , vanwege een arrestatiebevel tegen hem. Ook vreest eiser vanwege de algemene situatie in Jemen.



Het bestreden besluit


4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met de [groep] .



De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De problemen met de [groep] heeft eiser niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief acht de minister niet alsnog geloofwaardig omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verder heeft de minister gesteld dat eiser geen vluchteling is. Ook loopt eiser bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser afkomstig is uit [stad] , waarvoor een relatief hoog niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. Eiser heeft niet met zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij als individu een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Daarom heeft de minister de aanvraag van eiser ongegrond verklaard.




Had de minister het eerdere beleid moeten toepassen?


5. Eiser betoogt dat de minister bij de beoordeling van zijn aanvraag had moeten uitgaan van het beleid dat gold op het moment waarop hij de aanvraag indiende. Hoewel een asielaanvraag in beginsel in beginsel wordt beoordeeld aan de hand van het beleid dat geldt ten tijde van de besluitvorming kan hiervan in bijzondere gevallen worden afgeweken. In geval van eiser is sprake van zulke omstandigheden. Ten eerste heeft eiser in oktober 2023 asiel aangevraagd en heeft daarmee langer dan 25 maanden moeten wachten op de behandeling van zijn asielaanvraag. Andere Jemenieten die op hetzelfde moment asiel hebben aangevraagd, hebben eerder een positieve beslissing gehad op basis van het oude beleid. Daarnaast worden verblijfsvergunningen van vreemdelingen uit Jemen niet actief ingetrokken omdat de situatie in Jemen nog steeds als fragiel wordt gezien. Tot slot blijkt uit de jurisprudentie dat ernstig wordt getwijfeld aan het beleid ten aanzien van de veiligheidssituatie in Jemen.


5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een asielaanvraag in beginsel moet worden beoordeeld aan de hand van het beleid dat geldt ten tijde van de besluitvorming. Daarvan kan slechts in bijzondere gevallen worden afgeweken. Van bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in geval van eiser geen sprake. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komt, is namelijk onvoldoende om van dat uitgangspunt af te wijken. De rechtbank begrijpt dat, zoals tijdens de zitting naar voren is gebracht, dit onrechtvaardig kan voelen voor eiser, maar dat neemt niet weg dat een asielaanvraag op basis van de actuele situatie beoordeeld dient te worden. Daarnaast volgt niet uit de wet en/of jurisprudentie dat het al dan niet verlopen van de wettelijke beslistermijn dan wel tijdsverloop een verplichting meebrengt voor de minister om een ouder landenbeleid toe te passen. Eiser heeft deze stelling ook niet onderbouwd. De enkele omstandigheid dat volgens eiser twijfels bestaan over het huidige landenbeleid, vormt evenmin aanleiding om van het uitgangspunt af te wijken.



Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?

6. Eiser betoogt dat de huidige geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals ingevoerd per 1 juli 2024, in strijd is met het Unierecht. De bewijslast die op de vreemdeling rust is daarmee namelijk onterecht verzwaard.




6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraken van 25 juni 2025 en 8 september 2025.



Heeft de minister de problemen van eiser met de [groep] terecht ongeloofwaardig geacht?

7. Eiser betoogt dat de minister de problemen met de [groep] ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Volgens eiser zijn de verklaringen namelijk niet onsamenhangend en vormen zij een aannemelijk geheel. Volgens eiser blijkt uit het arrestatiebevel dat hij gezocht wordt vanwege het incident met iemand van de [groep] . Eiser heeft daarnaast uitgelegd waarom niet meteen na de ruzie is gehandeld door deze persoon. Het enkele tijdsverloop maakt niet dat de problemen verdwenen zijn, omdat de [groep] nog steeds aan de macht zijn en geen tegenspraak dulden. Eiser wijst daarbij op een rapport van het VN-panel van deskundigen uit 2025. Verder zijn de verklaringen van eiser over het aanhoudingsbevel wel samenhangend. Eiser heeft namelijk verklaard dat de vader van eiser via het wijkhoofd de kopie hiervan heeft ontvangen. Volgens eiser is dit niet onaannemelijk omdat het wijkhoofd een bemiddelende rol bekleed tussen de bewoners en de [groep] . Door de minister is ook niet uitgelegd waarom dit onaannemelijk of onsamenhangend is. Ook heeft eiser uitgelegd dat de [groep] druk uitoefenen op de familie van eiser. Zijn vader is namelijk twee keer gearresteerd waarbij vragen over eiser zijn gesteld en de broer van eiser is benaderd voor culturele trainingen. Verder is de vader verplicht tot het betalen van belasting en is aan hem een reisverbod en huisarrest opgelegd. Dit toont aan dat de [groep] nog steeds interesse in eiser hebben. Daarnaast heeft eiser verklaard over zijn andere problemen met de [groep] , waardoor hij ook Jemen heeft verlaten. Daarbij wijst eiser op twee vrienden van hem die ook tegen de [groep] zijn die niet direct gearresteerd zijn, maar later wel zijn verdwenen. Hieruit blijkt dat het gevaar dus niet altijd direct aanwezig is.




7.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Dit in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de problemen van eiser met de [groep] niet geloofwaardig zijn. Daarbij heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de [groep] specifiek naar eiser op zoek zijn. Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk niet dat de agenten of degene met wie eiser een conflict heeft gehad, de intentie hadden om eiser te vervolgen vanwege het incident. Met betrekking tot het arrestatiebevel stelt de minister terecht dat hieraan onvoldoende waarde kan worden gehecht. Daarbij heeft de minister meegewogen dat het gaat om een kopie die niet op echtheid onderzocht kan worden. Daarnaast heeft eiser het verkrijgen van het document niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft de verklaringen hierover namelijk niet logisch mogen vinden. Zo heeft de minister onlogisch gevonden dat het wijkhoofd, die tot de [groep] behoort, dit soort gevoelige informatie zou doorgeven aan de vader van eiser. Daarnaast heeft eiser niet kunnen verklaren hoe het wijkhoofd aan het document kwam. Verder heeft eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat de arrestaties van zijn vader en de andere vervolgingen te maken hebben met de problemen van eiser met de [groep] . Volgens eiser is zijn vader namelijk in 2019 en in 2022 gearresteerd, waarover de minister terecht heeft gesteld dat het onlogisch is dat als de [groep] naar eiser op zoek zijn, dat er dan zo lang tussen de twee arrestaties zou zitten. Ook heeft de minister terecht gesteld dat uit de verklaringen van eiser over het in de tussentijd benaderen van zijn broer voor een culturele training en het verplichten van zijn vader tot het betalen van belasting, geen samenhang blijkt met een eventuele zoektocht naar eiser. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.



Had de minister eiser moeten aanmerken als vluchteling?

8. Eiser betoogt dat de minister hem had moeten aanmerken als vluchteling omdat hij vreest voor vervolging. Eiser is in Saoedi-Arabië opgegroeid waardoor hij, als noordeling, vreest voor discriminatie in het zuiden van Jemen. Ook loopt eiser een risico op vervolging omdat hij kritiek heeft geuit op de [groep] en een conflict heeft gehad met een belangrijk lid van de [groep] .




8.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister van eiser niet verwacht dat hij zich zal vestigen in het zuiden van Jemen. De minister heeft geen beschermingsalternatief aangenomen. De stelling van eiser dat hij zich als noordeling niet zou kunnen vestigen in het zuiden van Jemen vanwege discriminatie, behoeft daarom geen bespreking. Verder is de rechtbank van oordeel dat het betoog van eiser over de problemen met de [groep] niet te herleiden zijn tot de gronden uit het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft eiser daarom terecht niet op deze grond aangemerkt als vluchteling.

Loopt eiser bij terugkeer naar Jemen een reëel risico op ernstige schade?

9. Eiser betoogt dat de minister het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 blijkt namelijk dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. In het gewijzigde beleid van 8 oktober 2025 is het standpunt van de minister ongewijzigd gebleven en volgens eiser is nog steeds onvoldoende duidelijk op welke wijze de humanitaire omstandigheden binnen het woongebied van eiser zijn meegewogen. Daarbij wijst eiser erop dat uit het algemeen ambtsbericht over Jemen uit 2025 (ambtsbericht 2025) geen noemenswaardige verbeteringen blijken ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Daarnaast blijkt uit recente nieuwsartikelen dat het geweld weer toeneemt in Jemen, en in [stad] . Verder heeft de minister ten onrechte gesteld dat eiser geen persoonlijke en individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht. Eiser heeft namelijk wel degelijk onderbouwd waarom zijn leven in gevaar zal zijn als hij moet terugkeren naar Jemen. Voor terugkeerders is namelijk sprake van zeer slechte humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van een gewapend conflict. Daarbij komt dat eiser eerder een incident met een [leider] heeft gehad en dat is door de minister geloofwaardig geacht. Tot slot wijst eiser erop dat hij zich in Nederland ook actief uit tegen de [groep] . Hij heeft deelgenomen aan drie demonstraties en hiervan zijn opnames gemaakt. Deze opnames zijn onder andere in Jemen uitgezonden op nieuwszenders waardoor de [groep] hier ook van op de hoogte zijn. Daardoor loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade.




Willekeurig geweld




9.1.
De minister gaat sinds WBV 2024/9 voor geheel Jemen uit van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister in dit beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken en heeft de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het ambtsbericht 2025. De minister heeft vervolgens het beleid met WBV 2025/20 gewijzigd, waarbij hij nog steeds aanneemt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.



9.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van [datum] 2025 toepassing heeft gegeven aan het besluit zoals dat volgt uit WBV 2025/20. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat in [stad] sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daarbij wijst de rechtbank op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026. In deze uitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de minister in het beleid, zoals volgt uit WBV 2025/20, terecht heeft aangenomen dat zich in [stad] niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld voordoet. Daarbij is de rechtbank ook ingegaan op de humanitaire omstandigheden en heeft daarover geoordeeld dat de minister deze voldoende heeft betrokken in het nieuwe landenbeleid. Dat eiser het niet eens is met deze uitspraak en naar voren brengt dat zittingsplaats Den Haag tot een ander oordeel komt over het nieuwe beleid, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat een andere zittingsplaats tot een andere conclusie komt dan deze zittingsplaats, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. Met betrekking tot de nieuwsartikelen heeft de minister tijdens de zitting terecht gesteld dat hoewel hieruit blijkt dat sprake is van een ernstig conflict, zoals ook is aangenomen in het beleid, geen sprake is van een situatie waarin iemand door zijn enkele aanwezigheid risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.



Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld




9.3.
Omdat sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, dient eiser aannemelijk te maken dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister heeft terecht gesteld dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft als individuele omstandigheden naar voren gebracht dat hij vanwege een (geloofwaardig geacht) incident met een [leider] een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Deze individuele omstandigheden zien echter niet op willekeurig geweld, maar op gericht geweld. Daarmee maakt eiser niet aannemelijk dat hij een verhoogd risico op willekeurig geweld loopt. Met betrekking tot het risico op gericht geweld, verwijst de rechtbank naar dat wat is geoordeeld onder 7.1. Verder heeft eiser gesteld dat voor terugkeerders de humanitaire omstandigheden slecht zijn. In dat kader verwijst de rechtbank naar dat wat is geoordeeld onder 9.2. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom hij door de slechte humanitaire omstandigheden persoonlijk een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld.



Negatieve belangstelling [groep]




9.4.
De minister heeft verder niet hoeven volgen dat eiser door zijn activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling staat van de [groep] en daardoor een reëel risico op ernstige schade zou lopen. Eiser heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat de [groep] op de hoogte zouden zijn van de deelname van eiser aan demonstraties. Eiser heeft tijdens de zitting nog naar voren gebracht dat de [groep] bij terugkeer gaan kijken naar de activiteiten van eiser en dat dan de beelden van de demonstraties een rol gaan spelen. De minister heeft terecht gesteld dat het aan eiser is om zijn vrees aannemelijk te maken en dat heeft eiser dat met deze enkele niet onderbouwde stelling niet gedaan.




Conclusie en gevolgen


10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.K.H.M.M. Otten, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026.


ABRvS 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4158 en 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1739.


Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 en 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.


UNSC Considers PoE Report Findings Ahead of Yemen Sanctions Vote, te vinden op: https://sanaacenter.org.


HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.


ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.


Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2066.


Rb. Den Haag, zp. Den Haag, 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.


Dat volgt uit arrest X en Y (ECLI:EU:C:2023:843) en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000.