Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22544
2026-07-29
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.39831
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
grensdetentie 6, derde lid. Folder niet in taal die hij verstaat. Gebrek. Belangenafweging in voordeel minister. Lichter middel. Feitelijke toegang. Svo. Uitspraken A'dam 17 juli 2026 niet gevolgd. Werkwijze in werkinstructie 2026/23 niet in strijd met nieuw Unierecht. Geen bijz. indiv. omstandigheden. Ongegrond.
Citeert (7)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19758 Rechtbank Den Haag 17-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2016:1451 Raad van State 03-06-2016
- ECLI:NL:RVS:2012:BW6799 Raad van State 22-05-2012
- ECLI:NL:RVS:2025:5224 Raad van State 30-10-2025
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:NL:RVS:2026:1650 Raad van State 26-03-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24343 Rechtbank Den Haag 27-08-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (19.018 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39831
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en
de ambtenaar belast met de grensbewaking (ambtenaar),
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister van Asiel en Migratie (de minister) heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Had de minister eiser schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte moeten brengen van de redenen van grensdetentie?
3. Eiser voert aan dat de minister in strijd met artikel 5.10 van het Vb 2000 heeft gehandeld. Eiser is niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte gebracht van de redenen van grensdetentie. Eiser leest geen Hindi, alleen Tibetaans. De taal van de brochure is dan ook niet juist. Verder heeft het gehoor plaatsgevonden in het Hindi, terwijl eiser die taal niet machtig is.
3.1.
De minister heeft zich primair op het standpunt gesteld dat wel voldaan is artikel 5.10 van het Vb 2000, omdat aan eiser een folder in de Engelse taal is uitgereikt en hij die taal redelijk machtig was. Dit volgt uit het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026. Ook in het nader gehoor van 22 juli 2026 heeft eiser aangegeven dat hij een folder in het Engels wel zal begrijpen. Subsidiair moet het gebrek volgens de minister leiden tot een belangenafweging die in het voordeel van de minister moet uitvallen. Aan eiser zijn immers in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel door een tolk in de taal Hindi de gronden van de maatregel meegedeeld. Dat hij deze taal voldoende begreep volgt ook uit het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026 en het nader gehoor.
3.2.
In artikel 5.10 van het Vb 2000 staat dat de vreemdeling schriftelijk in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, op de hoogte wordt gebracht van de redenen van de maatregel en van de rechtsmiddelen die daartegen openstaan, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen.
3.3.
Eiser stelt terecht dat aan dit artikel niet is voldaan. Aan eiser is een informatiefolder in de Engelse taal uitgereikt. Uit de stukken volgt niet dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die taal verstaat. Dat in het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026 staat dat de verbalisant eiser in het Engels heeft gevraagd of hij het goed vond om een tolk Hindi te gebruiken waarop eiser bevestigend antwoordde acht de rechtbank daarvoor niet voldoende. Hetzelfde geldt voor wat eiser tijdens het asielgehoor heeft verklaard, nog daargelaten dat dit dateert van na het opleggen van de maatregel. Tijdens dat gehoor is eiser gevraagd of hij nog vragen heeft over de folders met informatie over de asielprocedure. Daarop heeft eiser aangegeven, voor zover hier van belang, dat die informatie allemaal in het Nederlands is, ‘als het in het Engels zou zijn, misschien, maar het is allemaal in het Nederlands’. Daaruit begrijpt de rechtbank dat eiser heeft aangegeven dat hij een folder in het Engels misschien zou begrijpen. Dat is onvoldoende om te zeggen dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die taal verstaat. Dat betekent dat sprake is van een schending van de informatieplicht uit artikel 5.10 van het Vb 2000 en dat aan de maatregel een gebrek kleeft.
3.4.
Dat betekent echter niet dat de maatregel daarmee onrechtmatig is. Dit is pas het geval als de met de grensdetentie gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Die belangenafweging valt in het voordeel van de minister uit. Daarvoor is van belang dat tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel met behulp van een tolk in de taal Hindi aan eiser de redenen van de maatregel zijn meegedeeld alsook dat de rechtbank in kennis wordt gesteld van de maatregel en dat die kennisgeving geldt als een beroep tegen de maatregel. Dat eiser de taal Hindi niet machtig zou zijn, volgt de rechtbank niet. In het proces-verbaal van gehoor staat namelijk dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Het tegendeel blijkt ook niet uit de inhoud van dat proces-verbaal. De verbalisant die het gehoor heeft afgenomen heeft in het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026 ook verklaard dat het gehoor soepel verliep en hij op geen enkel moment de indruk had dat eiser de tolk niet kon verstaan. Bovendien heeft eiser in het nader gehoor ook aangegeven dat hij afkomstig is uit India en Hindi spreekt. Verder is eiser van kosteloze professionele rechtsbijstand voorzien. Ondanks de schending van de informatieplicht is eiser dus wel in staat gesteld tegen de vrijheidsontneming rechtsmiddelen effectief uit te oefenen en is niet gebleken dat hij door het ontbreken van de vertaling in zijn belangen is geschaad.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Als eerste betoogt hij daartoe het volgende. Eiser is op de hoogte van de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat het grensbewakingsbelang in beginsel alleen kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel en dat minder dwingende maatregelen tot gevolg hebben dat feitelijk toegang tot Nederland wordt gekregen. Het is echter niet zo dat eiser door toepassing van een lichter middel toegang krijgt tot Nederland. Volgens eiser valt uit de Screeningsverordening af te leiden dat toepassing van een lichter middel niet leidt tot toegang omdat nog steeds niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 en 14 van de Schengengrenscode. Eiser wijst in dit verband ook naar punt 11 van de preambule van de Screeningsverordening en naar artikel 10 en punt 28 van de preambule van de hernieuwde Opvangrichtlijn.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het opleggen van een lichter middel heeft tot gevolg dat eiser feitelijk (onderstreping door de rechtbank) toegang tot Nederland verkrijgt, omdat toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Dat eiser bij het eventueel opleggen van een lichter middel in afwachting van de behandeling van zijn asielaanvraag formeel nog geen toegang tot Schengengebied zou hebben maakt dat niet anders. Feitelijk zou eiser dan immers wel toegang verkrijgen tot het grondgebied en juist in zulke gevallen mag de minister in beginsel voorrang geven aan het grensbewakingsbelang. Punt 11 van de preambule van de Screeningsverordening en artikel 10 van de hernieuwde Opvangrichtlijn doen hieraan niet af.
5. Als tweede verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026. Hij verzoekt om wat daarin staat als herhaald en ingelast te beschouwen.
5.1.
In de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026 heeft de rechtbank in het kader van de vraag of met een lichter middel had kunnen worden volstaan, geoordeeld dat de maatregel van grensdetentie onrechtmatig is opgelegd. Daartoe is, voor zover hier relevant, het volgende overwogen. Volgens de rechtbank zit die onrechtmatigheid verweven in de manier waarop de minister de toetsing van aan de buitengrens ingediende asielverzoeken vorm geeft. Allereerst trekt de minister volgens de rechtbank een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. In de Werkinstructie Asielgrensprocedure 2026/23 (werkinstructie) staat dat uitgangspunt is dat iedere vreemdeling vanaf de buitengrens die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen, uitzonderingen daargelaten. De noodzaak tot het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, ziet de minister in het grensbewakingsbelang. Maar de Procedureverordening verplicht alleen om de grensprocedure toe te passen in de gevallen genoemd in artikel 45, eerste lid, van die verordening. Als de minister onverplicht overgaat tot toepassing van de grensprocedure dan creëert de minister feitelijk zelf de situatie waarin hij zegt dat het noodzakelijk is om ook over te gaan tot grensdetentie. Zo’n zelf gecreëerde noodzaak is volgens de rechtbank dan ook op zichzelf onvoldoende om als rechtvaardiging voor detentie te worden gezien. Detentie is namelijk ultimum remedium. Ten tweede legt de minister volgens de rechtbank een niet door het Unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang aan de ene kant en het opleggen van grensdetentie aan de andere kant. Juist omdat de minister niet verplicht is om het asielverzoek in de grensprocedure te behandelen, is het enkele grensbewakingsbelang onvoldoende om de noodzaak van de maatregel van grensdetentie te motiveren. Er moeten ook andere belangen zijn die daartoe nopen en die zwaarwegend genoeg zijn, zoals bijvoorbeeld het risico op onttrekking. Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister door de wijze van bevraging categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit, aldus zittingsplaats Amsterdam.
5.2.
De rechtbank volgt dit oordeel niet. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat in de werkinstructie inderdaad staat vermeld dat uitgangspunt is dat iedere vreemdeling die vanaf de buitengrens een asielaanvraag doet en die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen, uitzonderingen daargelaten. Verder staat ook vermeld dat in Nederland de asielgrensprocedure altijd is gekoppeld aan een vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is in een noot toegelicht dat het grensbewakingsbelang in beginsel enkel kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel en dat minder dwingende maatregelen tot gevolg hebben dat feitelijk toegang tot Nederland wordt verkregen. In de werkinstructie staat echter ook opgenomen welke aanvragen zijn uitgezonderd van de asielgrensprocedure. Eén van die uitzonderingen is dat grensdetentie voor een vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is. Daarbij wordt verwezen naar artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000 (inmiddels artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000), waarin dit ook zo staat. De werkwijze van de minister is dus, voor zover hier van belang, dat de vreemdeling die aan de buitengrens een asielaanvraag doet maar niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen en dat daarbij in beginsel de maatregel van grensdetentie wordt opgelegd, tenzij sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor grensdetentie onevenredig bezwarend is (verdere uitzonderingen daargelaten).
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de werkwijze niet in strijd met het (ver)nieuw(d)e Unierecht. De minister heeft er terecht op gewezen dat op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening, voor zover hier van belang, de bevoegdheid bestaat om een asielverzoek te behandelen in een grensprocedure als dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van de Schengengrenscode. Verder heeft de minister terecht gewezen op artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de hernieuwde Opvangrichtlijn, waarin staat dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van de Procedureverordening een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat een grondslag voor grensdetentie ook kan worden gevonden in artikel 5 en 6 van de Screeningsverordening waarin, samengevat, staat dat de lidstaten bepalingen vastleggen in hun nationale recht om ervoor te zorgen dat personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening om elk risico op onderduiken te voorkomen. Uit overweging 11 en 12 van de preambule behorende bij de Screeningsverordening volgt dat hier onder meer wordt gedoeld op detentie om onbevoegd toetreden tot het grondgebied te voorkomen. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. Verder geldt dat de werkwijze niet in strijd is met het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de herziene Opvangrichtlijn.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de (destijds geldende) Procedurerichtlijn zich er niet tegen verzet om in beginsel alle aan de buitengrens geuite asielverzoeken in de grensprocedure te behandelen. Het is ook vaste rechtspraak dat veel gewicht toekomt aan het grensbewakingsbelang omdat toepassing van een lichter middel dan grensdetentie in de regel tot toegangsverlening zal leiden. Daarmee is de noodzaak van de maatregel van grensdetentie in beginsel gegeven. Nu de werkwijze vervolgens inhoudt dat steeds wordt bezien of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die er toe nopen dat een lichter middel wordt opgelegd, kan niet worden gezegd dat het opleggen van een lichter middel categorisch wordt uitgesloten. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de Procedureverordening in een aantal gevallen de grensprocedure verplicht stelt, geen aanleiding om aan te nemen dat deze vaste rechtspraak thans niet meer geldt.
5.4.
Eiser heeft verder voorafgaand aan het opleggen van de maatregel geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat grensdetentie onevenredig bezwarend voor hem is en om die reden een lichter middel had moeten worden toegepast. In het asielgehoor, net als op zitting, heeft hij wel aangegeven dat hij mentaal erg gestrest is. Daarin heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. In het Justitieel Complex Schiphol zijn voldoende medische voorzieningen aanwezig. Eiser heeft ter zitting ook verklaard dat zijn bloeddruk is opgemeten waaruit volgt dat hij door de medische dienst is gezien. Daaruit volgt dat hij ook daadwerkelijk toegang heeft tot medische zorg. De minister heeft daarom het grensbewakingsbelang van groter gewicht kunnen achten en heeft geen lichter middel hoeven toepassen.
5.5.
Uit het voorgaande volgt dat de maatregel die is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, rechtmatig is opgelegd. Dat betekent dat het standpunt van eiser dat zijn screening niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 en 12 van de Screeningsverordening, dat daarom de asielgrensprocedure niet kon worden toegepast en dus ook de maatregel niet kon worden opgelegd, geen bespreking behoeft.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het in 3.3 geconstateerde gebrek biedt hiervoor ook geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) 2024/1356.
Verordening (EU) 2016/399.
Verordening (EU) 2024/1346.
ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.
Paragraaf 2.1.1.
Paragraaf 1.1.
Paragraaf 2.1.2.
Verordening (EU) 2016/399.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799 en bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5224.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1650.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39831
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en
de ambtenaar belast met de grensbewaking (ambtenaar),
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister van Asiel en Migratie (de minister) heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Had de minister eiser schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte moeten brengen van de redenen van grensdetentie?
3. Eiser voert aan dat de minister in strijd met artikel 5.10 van het Vb 2000 heeft gehandeld. Eiser is niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte gebracht van de redenen van grensdetentie. Eiser leest geen Hindi, alleen Tibetaans. De taal van de brochure is dan ook niet juist. Verder heeft het gehoor plaatsgevonden in het Hindi, terwijl eiser die taal niet machtig is.
3.1.
De minister heeft zich primair op het standpunt gesteld dat wel voldaan is artikel 5.10 van het Vb 2000, omdat aan eiser een folder in de Engelse taal is uitgereikt en hij die taal redelijk machtig was. Dit volgt uit het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026. Ook in het nader gehoor van 22 juli 2026 heeft eiser aangegeven dat hij een folder in het Engels wel zal begrijpen. Subsidiair moet het gebrek volgens de minister leiden tot een belangenafweging die in het voordeel van de minister moet uitvallen. Aan eiser zijn immers in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel door een tolk in de taal Hindi de gronden van de maatregel meegedeeld. Dat hij deze taal voldoende begreep volgt ook uit het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026 en het nader gehoor.
3.2.
In artikel 5.10 van het Vb 2000 staat dat de vreemdeling schriftelijk in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, op de hoogte wordt gebracht van de redenen van de maatregel en van de rechtsmiddelen die daartegen openstaan, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen.
3.3.
Eiser stelt terecht dat aan dit artikel niet is voldaan. Aan eiser is een informatiefolder in de Engelse taal uitgereikt. Uit de stukken volgt niet dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die taal verstaat. Dat in het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026 staat dat de verbalisant eiser in het Engels heeft gevraagd of hij het goed vond om een tolk Hindi te gebruiken waarop eiser bevestigend antwoordde acht de rechtbank daarvoor niet voldoende. Hetzelfde geldt voor wat eiser tijdens het asielgehoor heeft verklaard, nog daargelaten dat dit dateert van na het opleggen van de maatregel. Tijdens dat gehoor is eiser gevraagd of hij nog vragen heeft over de folders met informatie over de asielprocedure. Daarop heeft eiser aangegeven, voor zover hier van belang, dat die informatie allemaal in het Nederlands is, ‘als het in het Engels zou zijn, misschien, maar het is allemaal in het Nederlands’. Daaruit begrijpt de rechtbank dat eiser heeft aangegeven dat hij een folder in het Engels misschien zou begrijpen. Dat is onvoldoende om te zeggen dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die taal verstaat. Dat betekent dat sprake is van een schending van de informatieplicht uit artikel 5.10 van het Vb 2000 en dat aan de maatregel een gebrek kleeft.
3.4.
Dat betekent echter niet dat de maatregel daarmee onrechtmatig is. Dit is pas het geval als de met de grensdetentie gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Die belangenafweging valt in het voordeel van de minister uit. Daarvoor is van belang dat tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel met behulp van een tolk in de taal Hindi aan eiser de redenen van de maatregel zijn meegedeeld alsook dat de rechtbank in kennis wordt gesteld van de maatregel en dat die kennisgeving geldt als een beroep tegen de maatregel. Dat eiser de taal Hindi niet machtig zou zijn, volgt de rechtbank niet. In het proces-verbaal van gehoor staat namelijk dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Het tegendeel blijkt ook niet uit de inhoud van dat proces-verbaal. De verbalisant die het gehoor heeft afgenomen heeft in het aanvullend proces-verbaal van 22 juli 2026 ook verklaard dat het gehoor soepel verliep en hij op geen enkel moment de indruk had dat eiser de tolk niet kon verstaan. Bovendien heeft eiser in het nader gehoor ook aangegeven dat hij afkomstig is uit India en Hindi spreekt. Verder is eiser van kosteloze professionele rechtsbijstand voorzien. Ondanks de schending van de informatieplicht is eiser dus wel in staat gesteld tegen de vrijheidsontneming rechtsmiddelen effectief uit te oefenen en is niet gebleken dat hij door het ontbreken van de vertaling in zijn belangen is geschaad.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Als eerste betoogt hij daartoe het volgende. Eiser is op de hoogte van de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat het grensbewakingsbelang in beginsel alleen kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel en dat minder dwingende maatregelen tot gevolg hebben dat feitelijk toegang tot Nederland wordt gekregen. Het is echter niet zo dat eiser door toepassing van een lichter middel toegang krijgt tot Nederland. Volgens eiser valt uit de Screeningsverordening af te leiden dat toepassing van een lichter middel niet leidt tot toegang omdat nog steeds niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 en 14 van de Schengengrenscode. Eiser wijst in dit verband ook naar punt 11 van de preambule van de Screeningsverordening en naar artikel 10 en punt 28 van de preambule van de hernieuwde Opvangrichtlijn.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het opleggen van een lichter middel heeft tot gevolg dat eiser feitelijk (onderstreping door de rechtbank) toegang tot Nederland verkrijgt, omdat toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Dat eiser bij het eventueel opleggen van een lichter middel in afwachting van de behandeling van zijn asielaanvraag formeel nog geen toegang tot Schengengebied zou hebben maakt dat niet anders. Feitelijk zou eiser dan immers wel toegang verkrijgen tot het grondgebied en juist in zulke gevallen mag de minister in beginsel voorrang geven aan het grensbewakingsbelang. Punt 11 van de preambule van de Screeningsverordening en artikel 10 van de hernieuwde Opvangrichtlijn doen hieraan niet af.
5. Als tweede verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026. Hij verzoekt om wat daarin staat als herhaald en ingelast te beschouwen.
5.1.
In de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026 heeft de rechtbank in het kader van de vraag of met een lichter middel had kunnen worden volstaan, geoordeeld dat de maatregel van grensdetentie onrechtmatig is opgelegd. Daartoe is, voor zover hier relevant, het volgende overwogen. Volgens de rechtbank zit die onrechtmatigheid verweven in de manier waarop de minister de toetsing van aan de buitengrens ingediende asielverzoeken vorm geeft. Allereerst trekt de minister volgens de rechtbank een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. In de Werkinstructie Asielgrensprocedure 2026/23 (werkinstructie) staat dat uitgangspunt is dat iedere vreemdeling vanaf de buitengrens die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen, uitzonderingen daargelaten. De noodzaak tot het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, ziet de minister in het grensbewakingsbelang. Maar de Procedureverordening verplicht alleen om de grensprocedure toe te passen in de gevallen genoemd in artikel 45, eerste lid, van die verordening. Als de minister onverplicht overgaat tot toepassing van de grensprocedure dan creëert de minister feitelijk zelf de situatie waarin hij zegt dat het noodzakelijk is om ook over te gaan tot grensdetentie. Zo’n zelf gecreëerde noodzaak is volgens de rechtbank dan ook op zichzelf onvoldoende om als rechtvaardiging voor detentie te worden gezien. Detentie is namelijk ultimum remedium. Ten tweede legt de minister volgens de rechtbank een niet door het Unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang aan de ene kant en het opleggen van grensdetentie aan de andere kant. Juist omdat de minister niet verplicht is om het asielverzoek in de grensprocedure te behandelen, is het enkele grensbewakingsbelang onvoldoende om de noodzaak van de maatregel van grensdetentie te motiveren. Er moeten ook andere belangen zijn die daartoe nopen en die zwaarwegend genoeg zijn, zoals bijvoorbeeld het risico op onttrekking. Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister door de wijze van bevraging categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit, aldus zittingsplaats Amsterdam.
5.2.
De rechtbank volgt dit oordeel niet. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat in de werkinstructie inderdaad staat vermeld dat uitgangspunt is dat iedere vreemdeling die vanaf de buitengrens een asielaanvraag doet en die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen, uitzonderingen daargelaten. Verder staat ook vermeld dat in Nederland de asielgrensprocedure altijd is gekoppeld aan een vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is in een noot toegelicht dat het grensbewakingsbelang in beginsel enkel kan worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel en dat minder dwingende maatregelen tot gevolg hebben dat feitelijk toegang tot Nederland wordt verkregen. In de werkinstructie staat echter ook opgenomen welke aanvragen zijn uitgezonderd van de asielgrensprocedure. Eén van die uitzonderingen is dat grensdetentie voor een vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is. Daarbij wordt verwezen naar artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000 (inmiddels artikel 5.5, tweede lid, van het Vb 2000), waarin dit ook zo staat. De werkwijze van de minister is dus, voor zover hier van belang, dat de vreemdeling die aan de buitengrens een asielaanvraag doet maar niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen en dat daarbij in beginsel de maatregel van grensdetentie wordt opgelegd, tenzij sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor grensdetentie onevenredig bezwarend is (verdere uitzonderingen daargelaten).
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de werkwijze niet in strijd met het (ver)nieuw(d)e Unierecht. De minister heeft er terecht op gewezen dat op grond van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening, voor zover hier van belang, de bevoegdheid bestaat om een asielverzoek te behandelen in een grensprocedure als dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van de Schengengrenscode. Verder heeft de minister terecht gewezen op artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de hernieuwde Opvangrichtlijn, waarin staat dat een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van de Procedureverordening een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat een grondslag voor grensdetentie ook kan worden gevonden in artikel 5 en 6 van de Screeningsverordening waarin, samengevat, staat dat de lidstaten bepalingen vastleggen in hun nationale recht om ervoor te zorgen dat personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening om elk risico op onderduiken te voorkomen. Uit overweging 11 en 12 van de preambule behorende bij de Screeningsverordening volgt dat hier onder meer wordt gedoeld op detentie om onbevoegd toetreden tot het grondgebied te voorkomen. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. Verder geldt dat de werkwijze niet in strijd is met het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de herziene Opvangrichtlijn.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de (destijds geldende) Procedurerichtlijn zich er niet tegen verzet om in beginsel alle aan de buitengrens geuite asielverzoeken in de grensprocedure te behandelen. Het is ook vaste rechtspraak dat veel gewicht toekomt aan het grensbewakingsbelang omdat toepassing van een lichter middel dan grensdetentie in de regel tot toegangsverlening zal leiden. Daarmee is de noodzaak van de maatregel van grensdetentie in beginsel gegeven. Nu de werkwijze vervolgens inhoudt dat steeds wordt bezien of sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die er toe nopen dat een lichter middel wordt opgelegd, kan niet worden gezegd dat het opleggen van een lichter middel categorisch wordt uitgesloten. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de Procedureverordening in een aantal gevallen de grensprocedure verplicht stelt, geen aanleiding om aan te nemen dat deze vaste rechtspraak thans niet meer geldt.
5.4.
Eiser heeft verder voorafgaand aan het opleggen van de maatregel geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat grensdetentie onevenredig bezwarend voor hem is en om die reden een lichter middel had moeten worden toegepast. In het asielgehoor, net als op zitting, heeft hij wel aangegeven dat hij mentaal erg gestrest is. Daarin heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. In het Justitieel Complex Schiphol zijn voldoende medische voorzieningen aanwezig. Eiser heeft ter zitting ook verklaard dat zijn bloeddruk is opgemeten waaruit volgt dat hij door de medische dienst is gezien. Daaruit volgt dat hij ook daadwerkelijk toegang heeft tot medische zorg. De minister heeft daarom het grensbewakingsbelang van groter gewicht kunnen achten en heeft geen lichter middel hoeven toepassen.
5.5.
Uit het voorgaande volgt dat de maatregel die is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, rechtmatig is opgelegd. Dat betekent dat het standpunt van eiser dat zijn screening niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 en 12 van de Screeningsverordening, dat daarom de asielgrensprocedure niet kon worden toegepast en dus ook de maatregel niet kon worden opgelegd, geen bespreking behoeft.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het in 3.3 geconstateerde gebrek biedt hiervoor ook geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) 2024/1356.
Verordening (EU) 2016/399.
Verordening (EU) 2024/1346.
ECLI:NL:RBDHA:2026:19758.
Paragraaf 2.1.1.
Paragraaf 1.1.
Paragraaf 2.1.2.
Verordening (EU) 2016/399.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799 en bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5224.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1650.