Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22541
2026-07-28
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.31989
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel (Dublin Duitsland); vreemdeling met onbekende bestemming vertrokken naar het buitenland; geen goede reden voor vertrek; niet-ontvankelijk.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:2662 Raad van State 01-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.517 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31989
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. Y. Izgi),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Procesverloop
1. Eiser heeft op [datum] 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van [datum] 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.31990 (verzoek om een voorlopige voorziening), op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser nog belang bij de beoordeling van zijn beroep?
2. De minister heeft de rechtbank met zijn brief van [datum] 2026 laten weten dat eiser op [datum] 2026 met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken en de rechtbank daarom verzocht om te beoordelen of eiser nog procesbelang heeft.
2.1.
Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft. Dat is (bijvoorbeeld) het geval als de vreemdeling in het buitenland verblijft zonder dat hij daar een goede reden voor heeft.
2.2.
Uit de toelichting van de gemachtigde van eiser bij brief van 17 juli 2026 en de toelichting op zitting blijkt dat hij op dit moment nog contact met eiser onderhoudt, maar dat eiser is teruggekeerd naar Duitsland. Dit is volgens de gemachtigde van eiser een impulsieve handeling van eiser onder spanning en paniek, omdat hij zich op de opvanglocatie in Nederland bedreigd voelde en hij vond dat hij in Nederland niet snel genoeg werd behandeld voor zijn psychische klachten. De rechtbank vindt echter dat uit deze toelichting niet blijkt van een goede reden voor een vertrek van eiser naar het buitenland. Uit de toelichting van gemachtigde blijkt namelijk niet wat precies de concrete reden was dat eiser zich op de opvanglocatie bedreigd voelde en waarom hij (al dan niet onder spanning en paniek) de noodzaak voelde om te vertrekken, zodat niet kan worden nagegaan of dat gevoel gegrond was en of eiser (dus) een goede reden had om naar het buitenland te vertrekken. Daarnaast valt niet in te zien waarom eiser naar Duitsland, het land dat volgens de minister verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van eiser, zou vertrekken als hij vindt dat een behandeling in Nederland te lang duurt, omdat hij in de zienswijze en in beroep uitdrukkelijk heeft betoogd dat hij in Duitsland van medische behandeling verstoken zou blijven en de benodigde medische zorg in Duitsland niet aanwezig zou zijn. De rechtbank concludeert daarom dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland, zodat de rechtbank van oordeel is dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, r.o. 2.2-2.7.
Zie de zienswijze van [datum] 2026, p. 2 en 4.
Zie de beroepsgronden van [datum] 2026, p. 3.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31989
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. Y. Izgi),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Procesverloop
1. Eiser heeft op [datum] 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van [datum] 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.31990 (verzoek om een voorlopige voorziening), op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser nog belang bij de beoordeling van zijn beroep?
2. De minister heeft de rechtbank met zijn brief van [datum] 2026 laten weten dat eiser op [datum] 2026 met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken en de rechtbank daarom verzocht om te beoordelen of eiser nog procesbelang heeft.
2.1.
Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft. Dat is (bijvoorbeeld) het geval als de vreemdeling in het buitenland verblijft zonder dat hij daar een goede reden voor heeft.
2.2.
Uit de toelichting van de gemachtigde van eiser bij brief van 17 juli 2026 en de toelichting op zitting blijkt dat hij op dit moment nog contact met eiser onderhoudt, maar dat eiser is teruggekeerd naar Duitsland. Dit is volgens de gemachtigde van eiser een impulsieve handeling van eiser onder spanning en paniek, omdat hij zich op de opvanglocatie in Nederland bedreigd voelde en hij vond dat hij in Nederland niet snel genoeg werd behandeld voor zijn psychische klachten. De rechtbank vindt echter dat uit deze toelichting niet blijkt van een goede reden voor een vertrek van eiser naar het buitenland. Uit de toelichting van gemachtigde blijkt namelijk niet wat precies de concrete reden was dat eiser zich op de opvanglocatie bedreigd voelde en waarom hij (al dan niet onder spanning en paniek) de noodzaak voelde om te vertrekken, zodat niet kan worden nagegaan of dat gevoel gegrond was en of eiser (dus) een goede reden had om naar het buitenland te vertrekken. Daarnaast valt niet in te zien waarom eiser naar Duitsland, het land dat volgens de minister verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van eiser, zou vertrekken als hij vindt dat een behandeling in Nederland te lang duurt, omdat hij in de zienswijze en in beroep uitdrukkelijk heeft betoogd dat hij in Duitsland van medische behandeling verstoken zou blijven en de benodigde medische zorg in Duitsland niet aanwezig zou zijn. De rechtbank concludeert daarom dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland, zodat de rechtbank van oordeel is dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, r.o. 2.2-2.7.
Zie de zienswijze van [datum] 2026, p. 2 en 4.
Zie de beroepsgronden van [datum] 2026, p. 3.