Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22539

2026-08-12 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.37789
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.37789
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel - Libië - motiveringsgebrek omdat het AAB Libië 2025 niet bij beoordeling is betrokken - in verweerschrift een actueel en gemotiveerd standpunt over veiligheidssituatie - beroep gegrond - besluit vernietigd - rechtsgevolgen blijven in stand - pkv.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.127 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL25.37789


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]
van Libische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 25 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft daarbij ook verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, eerst op 6 november 2025 op zitting behandeld. Op de zitting bleek dat er geen tolk was verschenen. Hierop heeft de rechtbank besloten de behandeling van het beroep te schorsen.



2.3.
De rechtbank heeft vervolgens het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



Het asielrelaas


3. Eiser heeft verklaard dat hij in Benghazi werkzaam was als een leverancier voor brandstof voor schepen en het aftanken van schepen. Eiser werd op een dag benaderd door een militie om bepaalde schepen af te tanken, zonder dat hiervoor een opdracht was vanuit zijn werkgever. Eiser heeft dit geweigerd. De militanten reageerden vervolgens dat ze machtig zijn en dat eiser geen opdracht nodig heeft om dit schip af te tanken. Eiser weigerde wederom medewerking. Vervolgens werden de militanten boos, hebben ze hem geslagen, beschoten en meegenomen in een auto. Hierbij reikte eiser gewond. Na tien minuten rondrijden werd eiser in een vrachtwagen in het kamp van de milities opgesloten. De volgende dag kwamen dezelfde mannen naar hem toe, bedreigden ze hem en scholden ze hem uit. Na drie en een halve dag opsluiting is eiser ermee akkoord gegaan om voor de milities te gaan werken, waarop eiser is vrijgelaten. Eiser is naar huis gegaan en moest van zijn vader onderduiken totdat hij een uitreis had geregeld. De vader van eiser heeft een visum voor hem geregeld naar Tunesië. Terwijl hij vluchtte en ondergedoken zat bleef de militie op zijn werk en bij zijn huis langskomen en naar hem vragen. Eiser vreest bij terugkeer te worden vermoord door de militie omdat hij zich niet aan de afspraak heeft gehouden.



Het bestreden besluit


4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:


Identiteit, nationaliteit en herkomst;


Problemen met milities vanwege werk.




4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen met milities vanwege werk acht de minister ongeloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten. Daar komt bij dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft daarnaast zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend. De minister acht verder dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.



4.2.
De minister verwacht niet dat eiser bij terugkeer naar Libië een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister verwijst in het bestreden besluit ten aanzien van de situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn naar het beleid. Hieruit volgt dat er ten aanzien van Libië geen sprake is van systematische blootstelling. De minister volgt eiser niet in de stelling dat ten onrechte niet is beoordeeld of hij op grond van zijn persoonlijke omstandigheden in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, omdat eiser deze persoonlijke omstandigheden niet heeft onderbouwd. De aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond.



Toepasselijk recht


5. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026.



Heeft de minister een goede geloofwaardigheidsbeoordeling verricht?


6. Met de publicatie van de WI 2024/6 heeft de minister een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling geïntroduceerd voor asielzaken. De oude WI 2014/10 is hiermee vervangen. De minister heeft deze nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling ook vastgesteld in beleid. In de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling worden drie stappen onderscheiden. In stap 1 gaat het om het verzamelen van informatie. De vreemdeling dient hierbij alle relevante elementen ter onderbouwing van zijn asielaanvraag in te dienen. Bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden bestaat er een samenwerkingsverplichting tussen de vreemdeling en de minister. De minister stelt in stap 1 uiteindelijk de asielmotieven vast. In stap 2 toetst de minister deze asielmotieven op geloofwaardigheid. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen stap 2a en stap 2b. In stap 2a beoordeelt de minister of een vreemdeling voldoende objectief bewijsmateriaal heeft overgelegd om het betreffende asielmotief aannemelijk te maken. Als er niet is voldaan aan stap 2a gaat de minister over naar stap 2b. In die stap beoordeelt de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan de hand van een aantal voorwaarden.



6.1.
In WI 2024/6 is toegelicht dat als aan één of meer van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw niet wordt voldaan de minister dit tegenwerpt en motiveert waarom hier niet aan wordt voldaan. In dit geval zijn aan eiser voorwaarde c, d en e van artikel 31, zesde lid, van de Vw tegengeworpen. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de overige voorwaarden die niet worden genoemd, niet worden tegengeworpen omdat eiser daaraan voldoet. Volgens de minister is een adequate geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.



6.2.
Ondanks dat de minister geen afzonderlijke overweging heeft opgenomen over de ‘integrale beoordeling’ is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de minister niet aan alle, cumulatieve, voorwaarden heeft getoetst. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Net als bij de beoordeling van de geloofwaardigheid onder WI 2014/10 is de minister uitgebreid ingegaan op de verklaringen van eiser, waarbij is uitgelegd waarom de minister het asielmotief van eiser over de problemen met de militie vanwege zijn werk niet geloofwaardig acht. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. De rechtbank legt dit hierna uit.



Heeft de minister eisers problemen met milities vanwege werk ongeloofwaardig kunnen vinden?





Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel


7. De rechtbank is van oordeel dat de minister, op basis van de negen gegeven redenen in de besluitvorming, mocht tegenwerpen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.



7.1.
De minister heeft terecht tegengeworpen dat hij tegenstrijdig verklaart over de schotwonden. Zo verklaart eiser dat er richting zijn voeten werd geschoten en dat daarbij zijn tenen en zijn enkel zijn geraakt, maar is gebleken dat eiser is behandeld voor het restant van een kogel in zijn rug.


7.2.
De minister heeft eiser ook mogen tegenwerpen dat hij inconsistent heeft verklaard over de plaats waar hij werd opgesloten. Zo heeft eiser verklaard dat het ging om een vrachtwagen, een trailer en een stacaravan. De stelling van eiser dat er sprake is van een vertaalfout en dat hij in een woonunit werd vastgehouden volgt de rechtbank niet. Uit die stelling volgt namelijk weer een andere beschrijving van de plaats waar hij werd vastgehouden. Uit de afgelegde verklaringen van eiser kan daarom niet eenduidig worden opgemaakt waar eiser werd vastgehouden.


7.3.
Ook de verklaringen over de duur van de opsluiting heeft de minister inconsistent kunnen vinden. Zo heeft eiser verklaard dat hij drie en een halve dag opgesloten heeft gezeten, vervolgens dat hij vier tot vijf dagen opgesloten heeft gezeten en in de zienswijze verklaart eiser dat hij vier dagen opgesloten heeft gezeten.


7.4.
De minister heeft ook de verklaringen van eiser over hoeveel militanten aanwezig waren bij het incident inconsistent kunnen vinden. Zo verklaart eiser eerst dat er drie personen aanwezig waren, daarna dat er twee personen in de ene auto zaten en twee personen in de andere auto, waarna eiser vervolgens verklaart dat het toch om drie personen gaat.



7.5.
De rechtbank heeft op de zitting met partijen vastgesteld dat de overgelegde getuigenverklaring van zijn broer en collega neutraal zijn beoordeeld door Bureau Documenten. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen rondom de getuigenverklaringen ongerijmd en niet logisch zijn. Zo heeft de minister het bevreemdend kunnen vinden dat eiser geen aangifte heeft gedaan, maar dat er wel een getuigenverklaring is overgelegd ten overstaan van de rechtbank. Daarnaast heeft de minister het ook bevreemdend kunnen vinden dat eisers broer getuige was bij de rechtbank, omdat hij geen getuige was van het incident. Ook het feit dat eisers collega ten overstaan van de rechtbank een getuigenverklaring heeft afgelegd wekt bevreemding, omdat uit eisers verklaringen een schrikbeeld van de milities voortvloeit. Verder heeft eisers broer enkel beaamt wat de collega van eiser heeft verklaard.


7.6.
Daarnaast heeft de minister kunnen tegenwerpen dat de verklaring van de collega van eiser en zijn eigen verklaringen niet met elkaar overeenkomen. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat de collega heeft gezien hoe hij werd meegenomen door de militie, maar blijkt uit de verklaring van de collega niet dat eiser is meegenomen. Eisers stelling dat zijn collega niet heeft verklaard over de ontvoering omdat die al voorbij was, maken niet dat de minister niet tegen heeft kunnen werpen dat de verklaringen van eiser en zijn collega niet met elkaar overeenkomen. De minister heeft dan ook aan eiser kunnen tegenwerpen dat het voorgaande ernstig afbreuk doet aan de waarde van de getuigenverklaringen. De minister heeft zich op de zitting op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser in beroep overgelegde e-mail van zijn broer het voorgaande niet anders maakt. De e-mail is namelijk niet ondertekend en niet afkomstig van een objectieve bron.



7.7.
De rechtbank overweegt verder dat de minister eiser heeft mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen over het schip vaag en summier zijn. Eiser kan niet verklaren hoe het schip eruitzag, van wie het schip was en wat het schip vervoerde. Dat eiser stelt dat hij het schip niet heeft gezien, maakt dat niet anders. De minister heeft namelijk van eiser mogen verwachten dat hij meer over dit schip kon verklaren omdat het schip een essentieel onderdeel is in het asielrelaas van eiser.



7.8.
De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat eisers verklaringen over de dreigementen van de militie ongerijmd en niet logisch zijn. Zo verklaart eiser dat de milities machtig zijn, maar dat zij niet bij hem thuis zijn geweest om naar hem te vragen, alleen dat ze in de buurt zijn geweest, op straat en in de wijk. De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de militie hem daadwerkelijk heeft bedreigd.



7.9.

De minister heeft tot slot eiser mogen tegenwerpen dat de verklaringen over zijn uitreis inconsistent en ongerijmd zijn. Zo heeft eiser eerst verklaard dat hij zelf een visum heeft aangevraagd en verkregen in Benghazi, maar vervolgens verklaart eiser dat zijn vader het visum voor hem heeft aangevraagd. Ook de verklaring van eiser dat het vliegveld enerzijds onder controle van de militie staat en anderzijds dat eiser probleemloos heeft kunnen uitreizen, heeft de minister ongerijmd kunnen vinden. Eisers stelling dat zijn vader mensen kende op de luchthaven en dat hij tot aan zijn vertrek ondergedoken heeft gezeten maken deze verklaringen niet minder ongerijmd en inconsistent.


Eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd


8. De rechtbank is van oordeel dat de minister, op basis van de zeven gegeven redenen in de besluitvorming, mocht tegenwerpen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.



8.1.
De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het dragen van wapens. Zo verklaart eiser enerzijds dat hij nooit wapens heeft gedragen en nooit in contact is geweest met gewapende groeperingen, maar wanneer de hoormedewerker aan eiser foto’s voorlegt waarop eiser te zien is met wapens en in een militair uniform, bevestigd eiser dat hij degene op de foto is. Eisers stelling dat hij alleen maar stoer heeft willen doen met de wapens en het uniform en het als tijdverdrijf moet worden gezien maakt het oordeel niet anders. Deze stelling maakt namelijk niet dat de minister niet aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het dragen van de wapens en het uniform.


8.2.
De minister werpt eiser verder terecht tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de betrokkenheid van zijn vrienden bij de milities. Zo verklaart eiser enerzijds dat zijn vrienden geen lid waren van milities en nooit zijn benaderd door milities, maar anderzijds is op foto’s gebleken dat eisers buurjongen, waarvan eiser heeft verklaard dat hij hem beschouwt als een vriend, wel degelijk betrokken was bij milities.



8.3.
De minister werpt eiser ook terecht tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn verblijf in Turkije. Eiser heeft eerst verklaard in 2017 in Turkije te zijn geweest. Nadat de hoormedewerker eiser confronteert met foto’s van eiser in Turkije, verklaart eiser dat hij in 2018 in Turkije is geweest. Vervolgens is eiser voorgehouden of dit niet later moet zijn geweest, gelet op de mondkapjes. Eiser bleef vervolgens bij zijn verklaring dat dit in 2018 is geweest en hij hield van het vernieuwen van foto’s. In de correcties en aanvullingen stelt eiser dat hij in 2021 wel in Turkije is geweest, maar hij dat is vergeten vanwege trauma’s. Deze verklaringen heeft de minister tegenstrijdig mogen vinden. Eiser is tijdens het gehoor geconfronteerd en verklaart pas in de correcties en aanvullingen dat de foto’s tijdens de Coronapandemie zijn genomen. Dat eiser dit niet tijdens het gehoor had kunnen verklaren is de rechtbank niet gebleken. Eisers stelling in beroep dat het verblijf in Turkije van weinig belang is voor zijn asielprocedure volgt de rechtbank ook niet. De minister heeft dit tegengeworpen in het licht van de geloofwaardigheid van eiser in grote lijnen. De tegenstrijdigheid in de verklaringen over het verblijf in Turkije heeft de minister dan ook mogen betrekken en relevant kunnen achten voor de asielaanvraag van eiser.



8.4.
De minister werpt eiser ook terecht tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wanneer hij studeerde. Zo heeft eiser verklaart dat hij van 2012/2013 tot 2018 geen onderwijs heeft gevolgd. Later verklaart eiser dat hij alleen een onderbreking van twee jaar heeft gehad in 2014 en 2015. De minister heeft eiser niet hoeven volgen in de stelling dat hij dingen door elkaar haalt. Daarbij heeft de minister terecht gesteld dat een periode van vijf of zes jaar significant anders is dan een periode van één of twee jaar.



8.5.
De minister werpt eiser ook terecht tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over wat hij deed toen hij niet studeerde. Zo heeft eiser verklaard dat hij niets deed en niet naar buiten durfde. De minister heeft foto’s aan eiser voorgehouden waaruit blijkt dat hij in deze periode camouflagekleding en geweren droeg. Eiser verklaart hierop dat hij niet betrokken was bij de milities, dat de kleding en de geweren van zijn vrienden waren, dat hij er soms bij stond, maar geen beveiligingstaken uitvoerde. De minister heeft deze verklaring terecht tegenstrijdig geacht, omdat eiser enerzijds heeft verklaard niet naar buiten te durven, maar wel met een wapen over straat heeft gelopen en bij zijn vrienden stond.



8.6.
De minister werpt eiser ook terecht tegen dat hij tegenstrijdig verklaart over de foto’s in het ziekenhuis. Eisers verklaring dat de foto die de hoormedewerker als bijlage 8 tijdens het gehoor heeft overgelegd in 2013 is genomen is tegenstrijdig met de vaststelling dat de foto in 2018 door eiser is gepost met als bijschrift dat zijn operatie succesvol is verlopen. Eisers stelling dat hij meerdere keren in het ziekenhuis heeft gelegen en moeite heeft met het onthouden van data heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Dit neemt namelijk niet weg dat de jaartallen sterk van elkaar afwijken.



8.7.
De minister heeft eiser verder kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen over 204 Tank Bataljon ongerijmd zijn. Zo heeft eiser verklaard dat 204 Tank Bataljon een bekende eenheid is, maar op het moment dat de hoormedewerker hem een foto van een tank met het logo van deze eenheid voorlegde, herkende hij het logo niet. Eisers stelling dat hij het logo niet kende, maar wel had gehoord over de eenheid maken het oordeel niet anders, omdat uit foto’s is gebleken dat hij een uniform met het logo van 204 Tank Bataljon heeft gedragen. Dat dit volgens eiser was om stoer te doen maakt het oordeel niet anders.

9. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank - anders dan eiser betoogt - geen aanleiding voor het oordeel dat voldaan is aan, het op dat moment geldende, artikel 31, vijfde lid van de Vw.



Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn?


10. De rechtbank stelt voorop dat de minister de individuele omstandigheden van een vreemdeling moet betrekken als er sprake is van willekeurig geweld en dit geweld plaatsvindt binnen een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Alleen in de meest uitzonderlijke situatie, waarin de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat een vreemdeling door zijn enkele aanwezigheid al een risico loopt, wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden.



10.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister van Buitenlandse Zaken op 25 juli 2025 een nieuw Algemeen Ambtsbericht over Libië heeft gedeeld over onder andere de veiligheidssituatie in Benghazi. Naar aanleiding van dit ambtsbericht is op 27 oktober 2025 het landenbeleid ten aanzien van het noordwesten van Libië en Benghazi gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat de minister de situatie in Benghazi kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. De rechtbank stelt verder vast dat het bestreden besluit is genomen op 6 augustus 2025 en dat de minister het Algemeen Ambtsbericht Libië juli 2025 niet heeft betrokken in haar beoordeling. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. Alleen al daarom is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen.



10.2.
De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De minister heeft in het verweerschrift van 4 november 2025 een actueel en gemotiveerd standpunt ingenomen over de veiligheidssituatie in Benghazi. Verder heeft de minister geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, ondanks de lage mate van willekeurig geweld in Benghazi, wegens zijn individuele persoonlijke omstandigheden het risico zou lopen om specifiek te worden geraakt door willekeurig geweld. Eiser stelt zich daarentegen op het standpunt dat weliswaar van de laagste gradatie van willekeurig geweld kan worden uitgegaan, maar dat eiser vanwege zijn individuele omstandigheden een groter risico loopt op willekeurig geweld. Zo heeft hij langdurig in het buitenland verbleven en heeft hij voormalige vrienden die behoren tot de burgerwacht.



10.3.
De rechtbank overweegt dat de minister in het verweerschrift is ingegaan op de veiligheidssituatie in Benghazi en dat eiser in beroep hierop heeft kunnen reageren. De rechtbank ziet - anders dan eiser betoogt - geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtsgevolgen niet in stand kunnen blijven omdat eiser hierover niet nader is gehoord. De minister heeft namelijk de (aangevoerde) individuele omstandigheden in zijn beoordeling betrokken. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt wat een aanvullend gehoor zou toevoegen.



10.4.
De minister heeft zich verder op het standpunten kunnen stellen dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij, vanwege zijn verblijf in het buitenland en voormalige vrienden die behoorden tot de burgerwacht, een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld bij terugkeer. Eisers betoog, dat vanwege de eerdere onmenselijke behandeling door de milities hij het risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, slaagt niet. De minister heeft namelijk niet ten onrechte de problemen met de milities ongeloofwaardig geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dus terecht gesteld dat eiser met de aangevoerde individuele omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.



Loopt eiser bij terugkeer naar Libië een risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM?

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat een verblijf in het buitenland nog niet betekent dat eiser bij terugkeer ook daadwerkelijk een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit het Algemeen Ambtsbericht Libië 2025 volgt dat er weinig informatie beschikbaar is over mogelijke terugkeer naar Libië. De rechtbank merkt hierbij op dat de weergegeven informatie met name betrekking heeft op illegaal in- en uitreizen en gedwongen terugkeer. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze informatie op hem van toepassing is. Zo is eiser legaal met zijn paspoort uitgereisd. Daarbij heeft de minister er op mogen wijzen dat volgens het Algemeen Ambtsbericht 2025 de geschetste problemen bij terugkeer zich specifiek voordoen op de luchthaven van Mitiga in Tripoli dat in handen is van de ISA. Het vliegveld Benina in Benghazi is daarentegen in handen van de LAAF, meer specifiek de TBZ-brigade. Voor zover eiser betoogt dat de ISA ook actief is op de luchthaven van Benghazi of sprake is van mensenrechtenschending omdat ISA verbonden is aan de LAAF, zijn daar geen concrete aanknopingspunten voor. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende nader onderbouwd, dat hij op grond van zijn langdurig verblijf in het buitenland problemen zal ondervinden bij terugkeer. Bovendien heeft de minister de problemen van eiser met de militie waar eiser voor vreest, de TBZ-brigade, niet geloofwaardig kunnen achten. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 maart 2026 gaat dan ook niet op. De beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen


12. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, zoals overwogen onder 10.4., wel aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten.



12.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,-.





Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.







Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.







Vreemdelingenwet 2000.


Zaak NL25.37790.


Artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw.


Artikel 31, zesde lid, onder d van de Vw.


Artikel 31, zesde lid, onder e van de Vw.


De minister verwijst naar paragraaf C9/22.4.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000.


Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en h Vw.


Artikel 31, zesde lid, onder c Vw.


Nader gehoor, p. 9 en 19.


Gehoor 1F, p. 15.


Nader gehoor, p. 9.


Correcties en aanvullingen, p. 2.


Nader gehoor, p. 20.


Nader gehoor, p. 9.


Nader gehoor, p. 20.


Nader gehoor, p. 9.


Nader gehoor, p. 17.


Nader gehoor, p. 17.


Nader gehoor, p. 18.


Nader gehoor, p. 18.


Nader gehoor, p. 12.


Nader gehoor, p. 23.


Aanmeldgehoor, p. 11.


Nader gehoor p. 10.


Nader gehoor, p. 23.


Artikel 31, zesde lid, onder e Vw (zoals gold ten tijde van het bestreden besluit/sluiting onderzoek).


Nader gehoor, p. 6


Gehoor 1F, p. 6.


Gehoor 1F, p. 5 en 6.


Gehoor 1F, p. 6.


Aanmeldgehoor, p. 9 en gehoor 1F, p. 17.


Gehoor 1F, p. 17.


Nader gehoor, p. 3-4.


Gehoor 1F, p. 5.


Gehoor 1F, p. 5.


Gehoor 1F, p. 12.


Gehoor 1F, p. 14-15.


Gehoor 1F, p. 10.


WBV 2025/21.


Algemeen Ambtsbericht Libië 2025, p. 131 en 132.


Algemeen Ambtsbericht Libië 2025, p. 54 en 132.


Algemeen Ambtsbericht Libië 2025, p. 55.


Algemeen Ambtsbericht Libië 2025, p. 28-29.


Nader gehoor, p. 12.


Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 31 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7309.


Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.