Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22530

2026-08-12 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.59860
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.59860
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Regulier - Vergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden - artikel 8 EVRM - Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser mogelijk zal terugvallen op publieke middelen en dat dit daarom in zijn nadeel moet worden gewogen - Beroep gegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.742 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht


zaaknummer: NL25.59860


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),



en




de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. D. Post).



Samenvatting


1. Eiser heeft op 31 december 2021 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. De minister heeft deze aanvraag eerst met het besluit van 12 mei 2022 afgewezen. De minister heeft het bezwaarschrift van eiser met het besluit van 5 februari 2025 ongegrond verklaard en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De rechtbank heeft op 27 augustus 2025 het hiertegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De minister heeft een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van de uitspraak. De minister heeft daarom op 25 november 2025 het bestreden besluit genomen. De minister is wederom bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De door de minister verrichte belangenafweging is op het punt van het economisch belang niet deugdelijk gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.





Beoordeling door de rechtbank



Eerdere uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 27 augustus 2025 het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van 5 februari 2025 vernietigd. De rechtbank heeft allereerst een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek geconstateerd, omdat de minister de ambtshalve verkregen informatie van DT&V waarop zijn standpunt is gebaseerd niet bij het besluit heeft gevoegd en de minister niet nader heeft gemotiveerd hoe uit de informatie van DT&V volgt dat eiser niet meewerkt aan zijn vertrek. Omdat de vertrekgesprekken in beroep alsnog zijn overgelegd en de minister alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek, zijn deze gebreken door de minister hersteld. De minister heeft dan ook kunnen concluderen dat eiser niet heeft meegewerkt aan zijn daadwerkelijk vertrek.



2.1.
Ten aanzien van de openbare orde heeft de rechtbank geoordeeld dat het in het geval van eiser ging om een eerste toelating en de minister daarom niet gehouden was aan de Boultif en Üner criteria te toetsen. Wel moet sprake zijn van een fair balance waarin alle belangen zijn meegewogen. De minister heeft onvoldoende kenbaar gemotiveerd waarom de strafrechtelijke veroordeling van eiser in het nadeel van eiser moet worden meegewogen. Eiser heeft immers aangevoerd dat hij spijt heeft van de strafbare feiten, hij heeft zijn excuses aangeboden aan de slachtoffers en de door hem verstuurde brief aan de slachtoffers overgelegd. Verder heeft eiser beschreven dat hij nadien is veranderd door zijn geloof in God en het vrijwilligerswerk dat hij is gaan doen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de enkele stelling van de minister dat de veroordeling niet doorslaggevend is, onvoldoende is voor een ander oordeel.



2.2.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het economisch belang in het geding is en in het nadeel van eiser moet worden gewogen. De minister heeft in dit kader niet nader onderbouwd dat eiser in het verleden illegale arbeid heeft verricht. Eiser heeft onbetwist gesteld dat het ging om vrijwilligerswerk. Daardoor is niet gebleken dat eiser een arbeidsplek bezet heeft gehouden of houdt van iemand die wel rechtmatig in Nederland verblijft. De minister heeft verder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser ten laste komt of zal komen van de openbare kas. De enkele stelling dat eiser een beroep zal gaan doen op woonvoorzieningen, medische voorzieningen of onderwijs is daarvoor te algemeen. De stelling dat eiser op dit moment een beroep doet op opvang is daarbij feitelijk onjuist. Eiser verblijft sinds december 2024 bij vrienden en kennissen. Daarbij is onduidelijk waarom het gegeven dat eiser in het verleden opvang heeft genoten vanwege procedureel rechtmatig verblijf in zijn nadeel moet worden gewogen als het gaat om het economisch belang van de Nederlandse staat. Dit zegt namelijk niet iets over de huidige situatie van eiser of over de toekomst. Verder is het volgens de rechtbank niet onredelijk om aan te nemen dat eiser snel een arbeidscontract zal krijgen als hem een verblijfsvergunning wordt verleend. Het standpunt van de minister dat dit een toekomstige onzekere gebeurtenis is volgt de rechtbank niet. De mate van waarschijnlijkheid dat eiser in de toekomst een beroep zal doen op een participatiewet uitkering hangt namelijk samen met de vraag of eiser werk zal krijgen en lijkt daarmee ook als toekomstige onzekere gebeurtenis te moeten worden bestempeld.



Heeft de minister eiser mogen tegenwerpen dat hij niet heeft meegewerkt aan terugkeer?



3. Zoals volgt uit 2. heeft de rechtbank in de vorige uitspraak geoordeeld dat de minister eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij niet heeft meegewerkt aan zijn terugkeer. Dit oordeel staat in rechte vast. Voor zover eiser stelt dat hij sinds de uitspraak heeft meegewerkt aan zijn terugkeer of dat er sprake is van een veranderde situatie, heeft eiser dat niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel.



Belangenafweging 8 EVRM






Opgebouwd privéleven



4. Eiser stelt dat hem een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM toekomt, onder meer gelet op zijn langdurig verblijf onder moeilijke omstandigheden in de Nederlandse samenleving. Eiser doet verder vrijwilligerswerk, is geworteld en verankerd in de Nederlandse samenleving en heeft hier een hechte vriendenkring en een uitgebreid sociaal netwerk opgebouwd. Daarnaast heeft eiser verschillende diploma’s behaald.
5. De rechtbank stelt voorop dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden een schending van het recht op privéleven bestaat, omdat het privéleven in het geval van eiser is opgebouwd gedurende illegaal of onzeker verblijf. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat het privéleven in eisers geval minder zwaar in zijn voordeel wordt meegewogen. De minister heeft hierbij betrokken dat eiser een uitgebreid privéleven heeft opgebouwd in Nederland en verankerd is in de Nederlandse samenleving. In eisers voordeel is dan ook gewogen dat hij, in vergelijking met andere vreemdelingen die langdurig illegaal in Nederland hebben verbleven, een uitgebreider sociaal netwerk heeft opgebouwd. Nu het privéleven echter gedurende illegaal verblijf is opgebouwd, heeft de minister dit opgebouwde privéleven minder zwaar in het voordeel van eiser kunnen meewegen. De rechtbank acht hierbij eveneens van belang hetgeen hieronder zal worden overwogen.



Belang van de openbare orde



6. Zoals beschreven onder 2.1. heeft de rechtbank in de vorige uitspraak geoordeeld dat de minister onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom de veroordeling in het nadeel van eiser moet worden meegewogen, gelet op de door eiser aangevoerde omstandigheden.
7. Eiser stelt dat hij enorme spijt heeft van de strafrechtelijke veroordelingen. Bedacht moet worden dat eiser zich toen in moeilijke en voor hem psychisch zware omstandigheden bevond. Desondanks betreurt eiser dit zeer en sindsdien heeft hij zijn leven in goede banen weten te leiden. De excuses die hij aan de slachtoffers heeft gemaakt zijn oprecht. De minister heeft ten onrechte alleen betrokken dat eiser in de vorige beroepsprocedure een excuusbrief heeft overgelegd. Eiser heeft ook in persoon spijt betuigt. Eiser doet verder vrijwilligerswerk en is actief Christen in een Christelijke gemeenschap, waaruit volgt dat eiser zijn leven in goede banen leidt.

8. De minister weegt in het nadeel van eiser mee dat hij op 13 april 2023 is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voor het plegen van diefstal in vereniging en insluiping van een woning op 12 juli 2021 en een poging daartoe op 27 juni 2021. De minister betrekt verder in de belangenafweging ook dat eiser in 2002 en 2005 is veroordeeld voor een winkeldiefstal.

9. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het tijdsverloop tussen de gepleegde misdrijven in 2021 en het heden niet zo groot is dat de gepleegde misdrijven niet in zijn nadeel kunnen worden meegewogen. Daarnaast heeft de minister ook aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij weliswaar een spijtbetuiging heeft overgelegd, maar dat dit vier en een half jaar na dato is gedaan, waarin ook het verzoek is gelegen om een positieve brief naar de IND te sturen. De minister heeft kunnen concluderen dat hieruit geen oprechte spijtbetuiging blijkt en heeft dit in het nadeel van eiser mogen wegen. De stelling van eiser dat hij direct na het strafbare feit in persoon is langs geweest bij de slachtoffers is niet onderbouwd en maakt het voorgaande niet anders. De minister heeft ook terecht in het nadeel van eiser gewogen dat eiser ten tijde van het strafbare feit in 2021 al sociale contacten had opgebouwd, was bekeerd en vrijwilligerswerk deed. De minister heeft in deze omstandigheden dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel hoeven zien. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet maken dat de openbare orde niet in eisers nadeel kan worden gewogen.Belemmeringen om het leven in Algerije voort te zetten

10. Eiser stelt dat in zijn voordeel moet worden gewogen dat hij als gevolg van zijn bekering in Algerije een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van een schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser stelt verder dat hij verwesterd is geraakt. Los daarvan zal eiser geen steun en opvang krijgen in Algerije. Eiser dreigt in Algerije op straat en in zeer schrijnende omstandigheden terecht te komen. Niet kan worden verwacht dat zijn sociale netwerk in Nederland zijn huisvesting daar voor hem kan bekostigen. Tot slot zullen ook de medische klachten van eiser de situatie in Algerije nog schrijnender maken.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht overwogen dat de asielgerelateerde gronden van eiser, te weten dat hij vanwege zijn bekering en verwestering een reëel risico op ernstige schade loopt, in de asielprocedure nader dienen te worden beoordeeld. Verder heeft de minister kunnen overwegen dat er, gelet op eisers leeftijd, sociale vaardigheden, opleidingsniveau en het feit dat eiser vijf talen spreekt, geen reden is om aan te nemen dat eiser in Algerije niet snel een baan zal kunnen vinden en zich in Algerije staande zal kunnen houden. Verder heeft de minister eisers stelling dat hij gewend is geraakt aan de Nederlandse samenleving onvoldoende kunnen vinden om aan te nemen dat eiser niet meer kan aarden in Algerije. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij een zus heeft in Algerije en is door eiser niet nader onderbouwd dat hij geen steun zou kunnen krijgen. De minister heeft verder terecht overwogen dat uit het BMA-advies van 6 december 2024 volgt dat bij terugkeer geen medische noodsituatie te verwachten valt binnen een termijn van 3 tot 6 maanden.




Economisch belang




12. Zoals beschreven onder 2.2. heeft de rechtbank in de vorige uitspraak geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het economisch belang in het geding is en in het nadeel van eiser moet worden gewogen.
12. Eiser stelt dat hij verschillende diploma’s heeft behaald waarmee hij direct aan het werk kan wanneer hij een verblijfsvergunning krijgt. Het feit dat eiser hier is geïntegreerd, een uitgebreid netwerk heeft, verschillende diploma’s heeft en er een grote vraag naar arbeidskrachten is, maakt dan ook dat het economisch belang niet aan eiser kan worden tegengeworpen. Het enkele feit dat eiser mogelijk huisvesting nodig zou hebben, maakt evenmin dat het economisch belang in het nadeel van eiser kan worden gewogen. Eiser heeft in dit kader aangegeven dat hij gebruik maakt van een woning die hem via kennissen ter beschikking is gesteld en dat hij hiervan altijd gebruik kan blijven maken.


14. De minister weegt in het bestreden besluit in het nadeel van eiser dat niet is gebleken dat hij in Nederland een arbeidscarrière heeft opgebouwd, maar dat hij in het verleden in de bouw en visserij heeft gewerkt. De minister concludeert dat eiser illegale arbeid heeft verricht, omdat hij nimmer een verblijfsvergunning heeft gehad. De minister werpt eiser tegen dat dit economisch delict in strijd is met het economisch belang van de Nederlandse overheid. De minister weegt verder in het nadeel van eiser dat hij in de toekomst een beroep zou kunnen doen op de woningmarkt, nu eiser bij vrienden verblijft, waardoor de druk op de woningmarkt toeneemt. De minister weegt ten slotte in het nadeel van eiser dat hij, ondanks dat het redelijk is om ervan uit te gaan dat eiser snel een arbeidscontract kan krijgen zodra hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning, mogelijk een korte tijd aanspraak zal maken op publieke middelen in de periode tussen het verkrijgen van een verblijfsvergunning en het verkrijgen van een baan.

15. De rechtbank stelt vast dat de minister op de zitting de tegenwerping dat eiser een opvang plek bezet heeft gehouden, heeft laten vallen.



15.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de illegale arbeid in het nadeel van eiser wordt gewogen. De rechtbank overweegt dat deze illegale arbeid in 2011 zou hebben plaatsgevonden, dat dit van korte duur is geweest en dat eiser is gestopt zodra hij ontdekte dat hij geen tewerkstellingsvergunning kreeg. Eiser heeft in dit kader aangegeven dat hij niet wilde zwart werken. De minister heeft dan ook onvoldoende onderbouwd waarom dit nu nog in het nadeel van eiser wordt gewogen, gelet op de gegeven omstandigheden, en in welke mate dit dan nog zou moeten meewegen, gelet op het lange tijdsverloop en de korte duur van de verrichte werkzaamheden. De stelling van de minister dat uit het beleid volgt dat illegale arbeid op enig moment in het nadeel kan worden gewogen, maakt het voorgaande niet anders. De minister dient immers alle relevante omstandigheden te betrekken bij de beoordeling. Dat er geen tijdsverloop is opgenomen in het beleid maakt evenmin dat de minister hiermee geen rekening heeft hoeven houden.



15.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij een eigen woonruimte tot zijn beschikking heeft. Voor zover eiser stelt dat hem een woning ter beschikking is gesteld door kennissen, heeft de minister terecht tegengeworpen dat dit niet is onderbouwd. De rechtbank overweegt verder dat de minister terecht heeft overwogen dat eiser mogelijk in de toekomst een beroep zal doen op de woningmarkt, nu eiser niet heeft onderbouwd dat hij in de toekomst altijd gebruik mag maken van deze woning. De enkele stelling van eiser dat dit het geval is, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. De rechtbank is echter van oordeel dat onduidelijk is welk gewicht de minister hieraan toekent, mede gelet op het volgende.



15.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser mogelijk zal terugvallen op publieke middelen en dat dit daarom in zijn nadeel moet worden gewogen. De minister onderkent in het bestreden besluit de persoonlijke omstandigheden van eiser, te weten het hebben van een groot sociaal netwerk, afgeronde opleidingen, en toezeggingen tot begeleiding naar werk. De minister overweegt in dit kader dat het niet onredelijk is om ervan uit te gaan dat, wanneer eiser in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning, hij snel een arbeidscontract zal krijgen gelet op zijn sociale contacten en vaardigheden. Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder nadere motivering dan ook niet in te zien waarom desondanks in het nadeel van eiser wordt gewogen dat hij mogelijk een korte periode zal terugvallen op publieke middelen en hoe deze periode zich verhoudt tot de erkenning van de minister dat eiser snel een arbeidscontract zal verkrijgen. Daarbij is onvoldoende gebleken welk gewicht er toekomt aan laatstgenoemde verwachting. Voor zover de minister stelt dat eiser geen arbeidscontract of intentieverklaring van een werkgever heeft overgelegd, zodat de korte periode waarin eiser mogelijk een beroep zou doen op publieke middelen kan worden tegengeworpen, volgt de rechtbank dit niet. De minister dient immers te kijken naar alle specifieke omstandigheden van het geval en dient in dit kader eveneens de verwachting te betrekken dat, zelfs zonder arbeidscontract of intentieverklaring, eiser op korte termijn een baan zal kunnen krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de mogelijkheid dat eiser gedurende korte tijd een beroep op publieke middelen zou kunnen doen, gelet op de overige omstandigheden van het geval, in het nadeel van eiser zou moeten worden gewogen.



15.4.
De rechtbank concludeert gelet op het voorgaande dan ook dat de minister de belangenafweging onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd op het punt van het economisch belang. De beroepsgrond slaagt.




Conclusie en gevolgen


16. Het beroep is gegrond en dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en de minister zal de belangenafweging opnieuw moeten uitvoeren en motiveren met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.



16.1.
De rechtbank wijst erop dat eiser wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat de minister niet op grond van artikel 8:74 van de Awb griffierecht hoeft te vergoeden.



16.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister een vergoeding voor de gemaakte proceskosten betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. De gemachtigde van eiser heeft namelijk een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.



Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.





Dienst terugkeer en vertrek.


EHRM, 2 augustus 2001, Boultif t. Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300), p. 48 en EHRM, 18 oktober 2006, Üner t. Nederland (ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099), p. 57 en 58.


Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1532.


Immigratie en Naturalisatie Dienst.


Bureau Medische Advisering.


Algemene wet bestuursrecht.


Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.