Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22515
2026-08-12
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.43559
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
bewaring, eerste beroep, 59b, eerste lid, aanhef en onder b Vw, gronden maatregel niet betwist, geen lichter middel, de minister heeft voldoende voortvarend gewerkt aan de asielaanvraag, zicht op uitzetting is geen voorwaarde voor bewaring op grond van 59b, beroep ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2018:4011 Raad van State 06-12-2018
- ECLI:NL:RVS:2016:1552 Raad van State 06-06-2016
- ECLI:EU:C:2026:148
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.717 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43559
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 31 juli 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Hij heeft zich op de rechtbank Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De bewaring is gebaseerd op de b-grond van artikel 59b, eerste lid. De b-grond is aanwezig als door de bewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen. Voor de b-grond geldt dat zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb moeten voordoen.
3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. In het besluit tot bewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de bewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. In de maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
4.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Voortraject
5. Eiser voert aan dat hij niet binnen 24 uur is overgedragen naar het detentiecentrum in Rotterdam.
5.1.
Uit de HV21 “Formulier bijzonderheden zaak” van 3 augustus 2026 blijkt dat eiser op 31 juli 2026 om 16:18 uur - en dus binnen 24 uur na zijn ophouding op 31 juli 2026 om 08:59 uur - is overgeplaatst naar detentiecentrum Rotterdam. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. Als goed gemotiveerd is dat een onderduikrisico bestaat, vloeit daaruit voort dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Anders zouden die gegevens immers niet verkregen kunnen worden. De rechtbank oordeelt hierna, onder 7, dat sprake is van een onderduikrisico.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gronden, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat sprake is van een onderduikrisico en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en dan met name de gronden waaruit blijkt dat eiser meerdere keren met onbekende bestemming is vertrokken en hij geen medewerking heeft verleend aan zijn vertrek via het IOM, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Zoals hierboven genoemd is de rechtbank van oordeel dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico vaststaat.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De rechtbank stelt voorop dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn klachten. De minister heeft er terecht op gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig maken voor eiser is niet gebleken.
Voortvarendheid
9. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De handelingen die de minister wel moet verrichten zien op de afhandeling van de asielaanvraag. De minister heeft ter zitting medegedeeld dat op 5 augustus 2026 een asielgehoor heeft plaatsgevonden, dat eiser tot 10 augustus 2026 de tijd heeft voor het indienen van correcties en aanvullingen en dat op 12 of 13 augustus 2026 een asielbesluit zal worden genomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in onderhavige procedure onvoldoende voortvarend werkt aan de asielaanvraag van eiser.
Zicht op uitzetting
10. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Hierna: bewaring.
Vreemdelingenwet 2000.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Zie artikel 5.6, tweede en derde lid, van het Vb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2016:1552.
Zie het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2016, ECLI:EU:C:2026:148.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43559
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 31 juli 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Hij heeft zich op de rechtbank Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De bewaring is gebaseerd op de b-grond van artikel 59b, eerste lid. De b-grond is aanwezig als door de bewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen. Voor de b-grond geldt dat zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb moeten voordoen.
3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. In het besluit tot bewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de bewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. In de maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
4.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Voortraject
5. Eiser voert aan dat hij niet binnen 24 uur is overgedragen naar het detentiecentrum in Rotterdam.
5.1.
Uit de HV21 “Formulier bijzonderheden zaak” van 3 augustus 2026 blijkt dat eiser op 31 juli 2026 om 16:18 uur - en dus binnen 24 uur na zijn ophouding op 31 juli 2026 om 08:59 uur - is overgeplaatst naar detentiecentrum Rotterdam. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. Als goed gemotiveerd is dat een onderduikrisico bestaat, vloeit daaruit voort dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Anders zouden die gegevens immers niet verkregen kunnen worden. De rechtbank oordeelt hierna, onder 7, dat sprake is van een onderduikrisico.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gronden, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat sprake is van een onderduikrisico en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en dan met name de gronden waaruit blijkt dat eiser meerdere keren met onbekende bestemming is vertrokken en hij geen medewerking heeft verleend aan zijn vertrek via het IOM, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Zoals hierboven genoemd is de rechtbank van oordeel dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico vaststaat.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. De rechtbank stelt voorop dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn klachten. De minister heeft er terecht op gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is, die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig maken voor eiser is niet gebleken.
Voortvarendheid
9. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De handelingen die de minister wel moet verrichten zien op de afhandeling van de asielaanvraag. De minister heeft ter zitting medegedeeld dat op 5 augustus 2026 een asielgehoor heeft plaatsgevonden, dat eiser tot 10 augustus 2026 de tijd heeft voor het indienen van correcties en aanvullingen en dat op 12 of 13 augustus 2026 een asielbesluit zal worden genomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in onderhavige procedure onvoldoende voortvarend werkt aan de asielaanvraag van eiser.
Zicht op uitzetting
10. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Hierna: bewaring.
Vreemdelingenwet 2000.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Zie artikel 5.6, tweede en derde lid, van het Vb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2016:1552.
Zie het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2016, ECLI:EU:C:2026:148.