Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22500

2026-08-10 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.43700
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-10
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.43700
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, van de Vw kan worden opgelegd als het risico bestaat dat eiser zal onderduiken of als eiser de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft niet uitgelegd dat daar sprake van is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is daarom onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (7.673 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.43700


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Arslan),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden, maar ook uit zichzelf, beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, van de Vw kan worden opgelegd als het risico bestaat dat eiser zal onderduiken of als eiser de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft niet uitgelegd dat daar sprake van is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is daarom onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 31 juli 2026 heeft verweerder aan eiser, die stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1985, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, T. Baddouri als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank



Wat er aan het beroep vooraf is gegaan.




3. Op 4 juni 2026 heeft eiser aan de grens aangegeven dat hij asiel wenst. Op diezelfde datum is hem de maatregel van vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. In de uitspraak van 16 juli 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen deze maatregel ongegrond verklaard.



3.1.
Eisers asielaanvraag is in het besluit van 16 juni 2026 afgewezen. Het beroep tegen dit besluit is in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 juli 2026 ongegrond verklaard. Vervolgens is de grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring gewijzigd in artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, van de Vw.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring.




4. Verweerder kan eiser in vreemdelingenbewaring stellen op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In artikel 5.5, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is bepaald dat dit ook geldt voor een maatregel die is opgelegd op grond van artikel 6, zesde lid, van de Vw.




4.1.
De rechtbank stelt ambtshalve vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd dat de maatregel is opgelegd omdat een onderduikrisico bestaat dan wel omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de maatregel niet voldoende gemotiveerd aan eiser heeft opgelegd en dat maakt de maatregel van moment van oplegging onrechtmatig.


4.1.2
Op zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat sinds de inwerkintreding van het Migratiepact de Terugkeerrichtlijn niet meer van toepassing is op besluiten op asielaanvragen die in de grensprocedure zijn genomen. Dit volgt volgens verweerder ook uit de Memorie van Toelichting ‘Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026’, pagina’s 17 en 18 en 253 en 254. Weliswaar is artikel 5.5, derde lid, van het Vb nog niet geschrapt maar daar heeft verweerder wel een spoedverzoek voor ingediend. Dit standpunt brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Op dit moment is artikel 5.5, derde lid, van het Vb nog niet geschrapt. De rechtbank moet toetsen aan de wettelijke bepalingen zoals die op dit moment gelden.



Conclusie en gevolgen




5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.





5.1.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 11 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.320,-.



5.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.320,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.


NL26.36825.


NL26.34812 en NL26.34813.


Dit volgt uit artikel 5.5, eerste lid, van het Vb.


Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008.