Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22481

2026-08-11 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.18055 en NL25.18056
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.18055 en NL25.18056
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag. Eiser heeft geen contra-expertise laten verrichten en ook geen andere aanknopingspunten naar voren gebracht die doen twijfelen aan de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid of concludentie van het onderzoek van Bureau Documenten Beroep ongegrond.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.060 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht


Zaaknummers: NL25.18055 (beroep)
NL25.18056 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser]
, geboren op [geboortedatum] 1997, van Gambiaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. V. Tielemans).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.



1.1.
Eiser heeft op 8 maart 2023 een herhaalde aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 april 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.



1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



1.3.
De minister heeft op 27 april 2025 een aanvullend besluit ter correctie genomen. Daarin is opgenomen dat de minister geen (rechterlijke) dwangsom aan eiser verschuldigd is, dat het op 28 juni 2021 opgelegde terugkeerbesluit onverkort van kracht blijft en dat de aanvraag uitsluitend kennelijk ongegrond wordt verklaard en het zaaknummer van het opgelegde inreisverbod opgenomen. Voor zover de motivering van het bestreden besluit is aangevuld of gewijzigd, is het besluit niet gericht op rechtsgevolg. Voor zover is beslist over de verschuldigdheid van de rechterlijke dwangsom, is geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling waartegen eiser bij de bestuursrechter in beroep kan gaan. De rechtbank merkt het aanvullend besluit daarom niet aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is O. Jobe als tolk in de taal Madinka, en [persoon 1] van [organisatie] verschenen. Het onderzoek is op de zitting gesloten.




Beoordeling door de rechtbank


2. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (hierna: de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.



2.1
Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer is de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.



Eerdere aanvragen



3. Eiser heeft eerder op 4 april 2018 asiel aangevraagd. Deze aanvraag heeft de minister niet in behandeling genomen omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 10 augustus 2018. Omdat eiser niet vóór de uiterste overdrachtsdatum aan Italië is overgedragen, is hij in de gelegenheid gesteld een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen in Nederland. Eiser heeft op 23 mei 2019 opnieuw asiel aangevraagd. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij als gevolg daarvan problemen heeft ondervonden in Gambia. Deze aanvraag is op 28 juni 2021 afgewezen. De rechtbank heeft het door eiser hiertegen ingestelde beroep op 7 juni 2022 ongegrond verklaard. Het hoger beroep hiertegen is op 6 juli 2022 door de Afdeling ongegrond verklaard. Daarmee is het besluit in rechte vast komen te staan.



Huidige aanvraag


4. Eiser heeft op 8 maart 2023 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Dit is zijn tweede inhoudelijke asielaanvraag. Eiser heeft aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd dat hij door de Gambiaanse politie wordt gezocht, waarvoor hij een arrestatiebevel heeft overgelegd en dat hij in Nederland een relatie heeft (gehad) met [persoon 2] .



Het bestreden besluit



5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. seksuele geaardheid.



5.1

De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers seksuele geaardheid acht de minister niet geloofwaardig.
Eiser heeft wederom asiel aangevraagd vanwege gestelde homoseksualiteit. De minister heeft aan de hand van de nieuwe elementen beoordeeld of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is niet het geval. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser over een relatie met [persoon 2] geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zijn verklaringen over de gestelde relatie zijn summier en bieden opnieuw geen inzicht in zijn gevoelsleven en de gevoelens die hij voor de man heeft gehad. Daarnaast kan eiser volgens de minister in grote lijnen ook niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat door Bureau Documenten is geconcludeerd dat het Gambiaanse arrestatiebevel dat eiser heeft ingebracht met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en eisers verklaringen geen aanknopingspunt bieden om aan te nemen dat het wél echt is. Ten aanzien van de overgelegde verklaring van [organisatie] merkt de minister op dat de verklaring niet objectief verifieerbaar is, waardoor de door eiser toegekende waarde aan het document niet wordt toegekend. De minister heeft de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard.


6. Eiser kan zich hier niet mee verenigen. De rechtbank gaat hierna in op wat namens hem is aangevoerd.



Het referentiekader



7. Eiser betoogt dat hij moeite heeft om zijn gevoelens onder woorden te brengen. Hij heeft geen scholing genoten en beschikt over een beperkt begripsvermogen. Hij verblijft al tien jaar in verschillende asielzoekerscentra, waardoor zijn leven gedurende lange tijd heeft stilgestaan en hij geen stabiele basis heeft kunnen opbouwen waarin hij heeft kunnen aarden en zich heeft kunnen ontwikkelen. Ook culturele factoren maken het moeilijk om openhartig en gedetailleerd te verklaren. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met deze persoonlijke omstandigheden. Het enkele feit dat eiser langere tijd in Nederland is en hier, anders dan in Gambia, zijn seksualiteit vrij mag uiten, betekent niet dat van eiser mag worden verwacht dat hij in staat is meer inzicht te geven in zijn gevoelens en gedachtes.



7.1.
De rechtbank ziet in de enkele stelling dat eiser het moeilijk vindt om te verklaren over zijn gevoelens en emoties geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. De gemachtigde van de minister heeft zich op zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser wellicht niet makkelijk over zijn gevoelens praat, maar dat er desondanks van hem mag worden verwacht dat hij zijn asielrelaas aannemelijk maakt en inzicht geeft in zijn persoonlijk verhaal. Daarbij heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser, gelet op de eerdere asielprocedure waarin zijn verklaringen over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid wegens hun summiere en algemene karakter ongeloofwaardig zijn geacht, wist of had moeten weten dat van hem meer inzichtelijke en concrete verklaringen worden verwacht. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser zelf heeft gekozen voor het moment waarop hij de onderhavige herhaalde aanvraag heeft ingediend, dat hij daarbij werd bijgestaan door een gemachtigde die bekend was met de eerdere procedure en dat eiser inmiddels al zeven jaar in Nederland verblijft, waar hij vrij is om uiting te geven aan zijn gestelde geaardheid en daarover te spreken. Dat eiser een beperkte referentie heeft, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit ook in de eerdere procedure, die in rechte vaststaat, aan de orde is gekomen en toen evenmin aanleiding heeft gegeven om aan te nemen dat de minister te veel van eiser verlangde. Het voorgaande brengt met zich mee dat van eiser mocht worden verwacht dat hij in het kader van zijn herhaalde asielaanvraag nader en concreter zou verklaren over de gestelde relatie met [persoon 2] en de daarmee samenhangende persoonlijke ervaringen.



7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.



Geloofwaardigheid seksuele geaardheid




8. Eiser stelt dat hij, gezien de vraagstelling van de minister, in voldoende mate inzicht heeft verschaft in zijn belevingen en ervaringen en daarom meer dan summier en algemeen heeft verklaard over de relatie met [persoon 2] . Indien de minister van mening was dat de verklaringen van eiser onvoldoende duidelijk of concreet waren, had het op de weg van de minister gelegen om door te vragen en meer gerichte vragen te stellen. Daarnaast heeft eiser ter onderbouwing van zijn gestelde seksuele geaardheid een verklaring van de voorzitter van [organisatie] ingebracht, waarin eveneens vier foto’s van eiser zijn bijgevoegd. Ten aanzien van deze verklaring stelt eiser zich op het standpunt dat de minister deze ten onrechte terzijde heeft geschoven.




8.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op de arresten van 4 juni 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Ebilum en Quotal, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen niet terughoudend zal beoordelen. Het Hof heeft geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen.


8.1.1.
Het voorgaand in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister de seksuele geaardheid van eiser terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft hierbij terecht overwogen dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over de relatie met [persoon 2] . De rechtbank stelt voorop dat eiser heeft verklaard dat hij sinds zijn vorige asielaanvraag gedurende drie jaar een relatie met [persoon 2] heeft gehad, waarbij zij elkaar dagelijks zagen omdat zij in hetzelfde azc woonden. In dat kader mocht de minister van eiser verwachten dat hij meer inzicht zou geven in de relatie en het verloop daarvan.



8.1.2.
Eiser heeft onder meer verklaard dat hij en [persoon 2] eerst goed bevriend waren voordat zij een relatie kregen en dat die relatie zich geleidelijk heeft ontwikkeld. Wanneer hierover wordt doorgevraagd, blijven de verklaringen van eiser echter oppervlakkig en weinig inzichtelijk. Ook de toelichting en aanvullende verklaringen die eiser in beroep heeft gegeven, leiden niet tot een ander oordeel, nu deze eveneens summier en oppervlakkig blijven en eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens en de ontwikkeling van de gestelde relatie. Eiser heeft ook geen enkel verifieerbaar stuk overgelegd ter onderbouwing van de gestelde relatie met [persoon 2] . De rechtbank gaat ervan uit dat ook van een heimelijke relatie in Nederland wel een foto, briefje of ander bericht kan worden geproduceerd als die relatie drie jaar heeft geduurd. Dat eiser enkel zijn eigen verklaring heeft ingebracht doet afbreuk aan de geloofwaardigheid.



8.1.3.
Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het door eiser overgelegde Gambiaanse arrestatiebevel door Bureau Documenten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is bevonden. Daarnaast heeft eiser vaag verklaard over de wijze waarop dit document is verkregen. Zo heeft hij verklaard niet te weten waar en hoe de persoon die het document heeft geregeld daaraan is gekomen. Evenmin weet eiser wie deze persoon is. Hoewel voor het document moest worden betaald, weet eiser niet welk bedrag daarmee gemoeid was en heeft hij verklaard zelf niets te hebben betaald.



8.1.4.
Verder heeft eiser verklaard dat hij zijn relatie met [persoon 2] in het azc verborgen hield, omdat hij vreesde dat Gambiaanse medebewoners hieraan ruchtbaarheid zouden geven en de relatie daardoor in Gambia bekend zou worden, aangezien volgens eiser iedereen elkaar daar kent. Desgevraagd heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij vreest dat het doorvertellen van zijn geaardheid tot problemen kan leiden. De rechtbank acht deze verklaringen ongerijmd met eisers eerdere verklaringen dat zijn stiefmoeder op de hoogte is geraakt van zijn gestelde homoseksuele gerichtheid nadat zij eiser zou hebben betrapt met een man met wie hij een relatie had, dat zij daar vervolgens ruchtbaarheid heeft gegeven en dat de Gambiaanse autoriteiten, blijkens het overgelegde arrestatiebevel, naar hem op zoek zouden zijn vanwege homoseksuele activiteiten.



8.1.5.
Ten slotte heeft eiser verklaard dat hij samen met [persoon 2] een naturistenstrand in Den Helder heeft bezocht en hem daar openlijk heeft gezoend. Ook hierover heeft eiser enkel zelf verklaard. Een bevestiging van [persoon 2] is niet overgelegd en zelfs van de gezamenlijke reis naar het strand is geen verifieerbaar stuk overgelegd. De enkele verklaring van eiser draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde seksuele gerichtheid, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.




8.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de minister onvoldoende waarde heeft toegekend aan de in beroep overgelegde verklaring van [organisatie]. In lhbti-zaken ligt immers het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Dit geldt temeer in een geval als dit, waarbij de vreemdeling al in een eerdere procedure heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en ook bekend is met de redenen waarom hij zijn gestelde seksuele gerichtheid destijds niet aannemelijk heeft weten te maken. Het is aan de minister om een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten, waarbij hij slechts beperkt gewicht hoeft toe te kennen aan rapporten waarin een eigen oordeel wordt gegeven over de gestelde seksuele gerichtheid op basis van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen. De minister betoogt in zijn verweerschrift terecht dat de opsteller van het rapport grotendeels een eigen waardering van de verklaringen van de vreemdeling heeft gegeven, met daarbij een uiteenzetting waarom hij anders dan de minister tot het oordeel komt dat de gestelde seksuele gerichtheid wel geloofwaardig is. Dat de opsteller van het rapport op basis van deze eigen waardering kritiek levert op de geloofwaardigheidsbeoordeling, maakt nog niet dat de motivering van de minister ondeugdelijk is. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze rapportage geen afbreuk doet aan de juistheid van het bestreden besluit.



8.3.
Voor zover eiser ter zitting erop heeft gewezen dat in de onderhavige procedure, anders dan in de voorgaande procedure, niet alle kernthema's aan de orde zijn gekomen, overweegt de rechtbank als volgt. De minister was niet gehouden eiser opnieuw te bevragen over alle thema's uit WI 2019/17, nu sprake is van een opvolgende asielaanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich daarom terecht beperkt tot de door eiser aangevoerde nieuwe omstandigheden, namelijk de gestelde relatie met [persoon 2] en het overgelegde arrestatiebevel, en deze omstandigheden waar nodig betrokken bij de beoordeling in samenhang met de bevindingen uit de eerdere procedure.



8.4.
De beroepsgrond slaagt niet.



Het onderzoek van Bureau Documenten




9. Eiser voert vervolgens aan dat de minister niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Daartoe voert eiser aan dat de verklaring van onderzoek van 18 april 2023 niet inzichtelijk en concludent is. Eiser betwist de conclusies van het onderzoeksrapport, omdat volgens hem onduidelijk is welk referentiemateriaal bij het onderzoek is betrokken. Daarbij heeft eiser aangevoerd dat in Gambia geen uniform model voor arrestatiebevelen bestaat en dat de opmaak van dergelijke documenten per politiebureau kan verschillen. Ter zitting heeft eiser de rechtbank verzocht de onderliggende stukken van het onderzoek bij Bureau Documenten op te vragen.




9.1.
De rechtbank volgt eiser niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden, waarop de minister in beginsel mag afgaan. De minister moet wel nagaan of het advies van Bureau Documenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Er kunnen zich situaties voordoen waarin de vergewisplicht van de minister meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. Zo’n situatie doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als die bevindingen niet logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies leiden. Ook als een vreemdeling gemotiveerd heeft betwist dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, moet de minister nader invulling geven aan zijn vergewisplicht. Als de minister heeft voldaan aan de vergewisplicht, is het aan eiser om de conclusies uit het deskundigenonderzoek gemotiveerd te betwisten, bijvoorbeeld door een contra-expertise.



9.2.
De minister heeft in het onderhavige geval een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten overgelegd van 18 april 2023. Uit deze verklaring volgt dat het door eiser overgelegde arrestatiebevel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Daaraan heeft Bureau Documenten ten grondslag gelegd dat de verschijningsvorm, de opmaak en de wijze van afgifte van het document afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal, en dat de aangebrachte inktstempelafdruk door middel van een printtechniek (inkjet) is aangebracht en afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. De minister heeft in beroep daarnaast een vergewisbrief overgelegd van 21 april 2023. Daaruit volgt dat TOELT inzage heeft gehad in de onderliggende stukken van de verklaring van onderzoek en dat op basis daarvan is geconcludeerd dat de verklaring van onderzoek inhoudelijk inzichtelijk is. Eiser heeft geen contra-expertise laten verrichten en ook geen andere aanknopingspunten naar voren gebracht die doen twijfelen aan de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid of concludentie van het onderzoek van Bureau Documenten. Gelet hierop heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vergewisplicht en mocht hij afgaan op het onderzoek van Bureau Documenten.



9.3
De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.

11. Omdat op het beroep is beslist, is er geen reden meer voor het treffen van de voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

12. Eiser krijgt in beide zaken geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing


De rechtbank, in de zaak NL25.18055:

- verklaart het beroep ongegrond.


De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.18056:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.




Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3199.


Algemene wet bestuursrecht.


Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.


Zie artikel 41 van de Verordening (EU) 2024/1347.


Verordening (EU) nr. 604/2013.


NL18.12116 (ongepubliceerd).


NL21.11768 (ongepubliceerd).


Artikel 31, zesde lid, onder c, Vw.


Artikel 31, zesde lid, onder e, Vw.


Gebaseerd op artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef
en onder g, Vw.


ECLI:EU:C:2026:448 en ECLI:EU:C:2026:447.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977, onder 5.10.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1508.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1764, r.o. 4.2.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2765.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:636.


Team Onderzoek en Expertise Land en Taal.