Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22480

2026-08-11 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.24510
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.24510
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen afwijzing mvv-aanvraag. Inburgeringsvereiste discriminatoir. Beroep gegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.356 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht



Zaaknummer: NL25.24510



V-nummer: [V nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] 2003, van Turkse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. B. Aydin),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de afwijzing in stand kan blijven.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De afwijzing kan dus niet in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. De vader van eiseres heeft op 23 mei 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv voor eiseres.



2.1
Met een besluit van 9 januari 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.



2.2.
Met het bestreden besluit van 1 mei 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.



2.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank



Bestreden besluit



3. De minister heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Daarnaast valt de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres en referent uit. Bij de belangenafweging heeft de minister in het nadeel van eiseres meegewogen dat zij niet aan het inburgeringsvereiste voldoet.



Strijd met het discriminatieverbod



4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het discriminatieverbod. Zij verwijst daarbij naar drie uitspraken van deze rechtbank, waaronder de uitspraak van 16 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.

5. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Het Hof moet zich nog uitspreken over deze prejudiciële vragen. Omdat dit doorgaans enige tijd in beslag neemt en de Afdeling nog geen einduitspraak heeft gedaan, zal de rechtbank in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde uitspraak van 16 april 2024 oordelen. De rechtbank neemt de rechtsoverwegingen van die uitspraak over, in het bijzonder rechtsoverweging 30.


5.1.
Dit brengt mee dat de minister de door eiseres aangevraagde mvv niet heeft mogen weigeren op grond van het inburgeringsvereiste, aangezien de wijze waarop dit vereiste op dit moment is ingekleed volgens de hiervoor genoemde uitspraak van 16 april 2024 niet in overeenstemming is met onder andere de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. De beroepsgrond slaagt.




Conclusie en gevolgen


6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Met verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 april 2024 is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit discriminatoir is, omdat het in strijd is met artikel 2, eerste lid, onder a, van het IVUR, artikel 14 van het EVRM, artikel 1, eerste lid van Protocol nr. 12 bij het EVRM en artikel 21, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast is het bestreden besluit in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, alsook onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken.



6.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).



6.2.
Tot slot bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt de minister op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;


veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.


draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid vanmr. C.S. Carella, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Vergelijk ook Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 23 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:622. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, 15 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13381.


Afdeling, 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2628.


Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.


Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.