Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22471

2026-07-24 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.39069
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-24
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.39069
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring, artikel 59a, gronden van de maatregel, lichter middel, voortvarendheid, beroep ongegrond

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.015 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.39069


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 13 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 21 juli 2026 geschorst.



2.3.
Op 21 juli 2026 heeft eiser aanvullende stukken overgelegd. De minister heeft hier dezelfde dag op gereageerd.



2.4.
Omdat beide partijen ter zitting hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten op [datum] 2026.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv). In de Ambv staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.



3.1.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Ambv indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.



3.2.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Ambv en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.




4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend.
k. de vreemdeling een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en
migratiebeheerverordening.
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.



4.2.
Eiser stelt dat de minister ten onrechte stelt dat hij geen medewerking verleent aan overdracht. Hij heeft namelijk in het vertrekgesprek van 17 juli 2026 verklaard dat hij mee zal werken aan een overdracht naar Oostenrijk. Dat eiser eerder heeft verklaard niet mee te willen werken, komt omdat hij toen nog in de veronderstelling verkeerde dat hij de behandeling van zijn beroep in de Dublinprocedure in Nederland mocht afwachten. Hij was er toen nog niet van op de hoogte dat zijn voorlopige voorziening te laat was ingediend. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij hiermee beoogt grond k te betwisten.



4.3.
Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende te achten. De gronden a en d zijn namelijk in ieder geval feitelijk juist, wat maakt dat alleen daarom al een significant risico op onttrekking kan worden aangenomen. Ten overvloede oordeelt de rechtbank verder dat de minister ook grond k aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft kunnen leggen. Dat eiser enkel heeft verklaard niet mee te willen werken omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij de behandeling van zijn beroep in de Dublinprocedure in Nederland mocht afwachten, volgt de rechtbank namelijk niet. Aan eiser is in het vertrekgesprek van 8 juni 2026 medegedeeld dat hij de behandeling van zijn beroep niet in Nederland mag afwachten. Dit is nog eens herhaald tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel tot vreemdelingenbewaring op 13 juli 2026. Eiser heeft toen echter opnieuw verklaard dat hij op dit moment nog geen keuze kan maken of hij mee wil werken aan een overdracht of niet. Dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 17 juli 2026 aangeeft nu wel te willen meewerken, maakt dit niet anders. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.



Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hij heeft namelijk aangegeven dat hij mee zal werken aan een overdracht naar Oostenrijk. Verder is eiser mantelzorger van zijn vader. Ter onderbouwing van dit betoog heeft hij verschillende stukken overgelegd.




5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.3 geoordeeld dat er voldoende gronden zijn die de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Uit deze gronden blijkt dat er een significant risico bestaat op onttrekking. Ook het feit dat eiser stelt mantelzorger te zijn voor zijn vader, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister een lichter middel had moeten opleggen. In de maatregel heeft de minister betrokken dat de vader van eiser in Nederland woont, maar dat geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Eiser heeft namelijk geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat vanwege de medische situatie afgezien moet worden van de inbewaringstelling. In de uitspraak van 14 juli 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats in de Dublinprocedure van eiser, is eveneens geoordeeld dat van een afhankelijkheidsrelatie niet is gebleken. Verder blijkt ook uit de stukken die eiser na de zitting heeft overgelegd niet dat om deze reden een lichter middel opgelegd had moeten worden. Hoewel uit de stukken blijkt dat de vader van eiser diverse medische klachten heeft, blijkt hieruit niet wat de dagelijkse zorgbehoefte van de vader van eiser is. Ook blijkt uit de stukken niet dat eiser bij een medische afspraak aanwezig is geweest, of dat hij enige zorgtaken voor zijn vader verricht. Uit de stukken kan daarom niet worden afgeleid dat eiser als mantelzorger functioneert en dat hij de enige persoon is die deze eventuele zorgverlening op zich zou kunnen nemen.



Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?

6. Eiser betoogt tot slot dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser is op 13 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld. In de maatregel van vreemdelingenbewaring staat dat gelet op de lopende Dublinprocedure bij de rechtbank een vlucht geboekt wordt voor [datum] 2026 en dat deze in overleg geannuleerd wordt indien er nog geen uitspraak of een toegewezen voorlopige voorziening is. Hiermee heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld, omdat eiser de behandeling van beroep niet in Nederland mocht afwachten nu hij te laat om een voorlopige voorziening had verzocht. Hiervoor heeft de minister de maatregel van bewaring gebruikt voor een oneigenlijk doel, namelijk het afwachten van de beroepsprocedure. Daarvoor is de maatregel echter niet bedoeld. De minister had daarom al eerder een vlucht moeten boeken.




6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. Eiser is op 13 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld. De minister heeft op 14 juli 2026 een vlucht aangevraagd voor [datum] 2026. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat deze vlucht vanwege een storing bij de regievoerder is geannuleerd, en dat eiser nu op [datum] 2026 aan Oostenrijk zal worden overgedragen. Verder heeft op 17 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat uit notities van de Dienst Terugkeer & Vertrek volgt dat in het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring abusievelijk is opgenomen dat de vlucht van [datum] 2026 geannuleerd kan worden indien er in de Dublinprocedure nog geen uitspraak is of een toegewezen voorlopige voorziening. Uit het overdrachtsbesluit blijkt namelijk ook duidelijk dat eiser zijn beroepsprocedure niet in Nederland mag afwachten als niet binnen 24 uur om een voorlopige voorziening is verzocht. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat de vlucht is aangevraagd voor [datum] 2026 omdat in het claimakkoord van de Oostenrijkse autoriteiten staat dat een overdracht zeven werkdagen voor de daadwerkelijke overdracht gemeld moet worden. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen


8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000.


Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Ambv.


Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb 2000.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.


ECLI:NL:RBDHA:2026:20098.


Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.