Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22461
2026-07-17
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL23.26648
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Derdelander Oekraïne. Terugkeerbesluit is terecht opgelegd. Het beroep is ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2025:1829 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:EU:C:2024:1038
- ECLI:NL:RVS:2025:1829 Raad van State 23-04-2025
- ECLI:EU:C:2018:465
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.439 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.26648
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser is opgelegd op 1 augustus 2025. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en stelt van Turkse nationaliteit te zijn. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
2. Met het besluit van 25 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft bij besluit van 22 februari 2024 het besluit van 25 augustus 2023 ingetrokken.
3. Bij besluit van 1 augustus 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
4. Eiser heeft vervolgens aanvullende gronden ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn – met kennisgeving voorafgaand aan de zitting – niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
6. Het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 25 augustus 2023. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op dit laatste terugkeerbesluit.
7. Omdat de minister het besluit van 25 augustus 2023 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten voor het beroepschrift dat hij heeft ingediend tegen het besluit van 25 augustus 2025. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 16.
Is het terugkeerbesluit prematuur?
8. Eiser heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 wederom prematuur is opgelegd, omdat hij tot 4 september 2025 nog viel onder de bevriezingsmaatregel en tot die datum rechten genoot op grond van de RTB. Hij verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025.
9. Eiser stelt ook dat het terugkeerbesluit prematuur is opgelegd vanwege de op 8 april 2024 toegewezen voorlopige voorziening, waarin is bepaald dat hij wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is totdat op het beroep is beslist.
10. Daarnaast voert eiser aan dat het terugkeerbesluit prematuur is gezien de lopende bezwaarprocedure. Op 13 maart 2025 heeft hij een aanvraag voor een Gecombineerde Vergunning voor Verblijf en Arbeid (GVVA) ingediend, die bij besluit van 7 mei 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Volgens hem was er op dat moment nog geen terugkeerbesluit, waardoor hij Nederland niet hoefde te verlaten en onduidelijk is waarom hij het bezwaar niet mag afwachten in Nederland. Bovendien had hij, gezien de eerder genoemde toegewezen voorlopige voorziening, nog rechtmatig verblijf, waardoor vertrek niet noodzakelijk was.
Oordeel van de rechtbank
11. De rechtbank is van oordeel dat het terugkeerbesluit niet prematuur is opgelegd. Uit het Kaduna en Abkez-arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling is bevestigd in haar uitspraak van 23 april 2025. Het verblijf van eiser was daardoor vanaf die datum illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar slechts dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting.
12. Wat betreft de toegewezen voorlopige voorziening merkt de rechtbank op dat de toegewezen voorlopige voorziening betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar dat het toewijzen van een voorlopige voorziening alleen betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
13. Ook de omstandigheid dat eiser inmiddels een reguliere aanvraag heeft ingediend waarover de beroepsprocedure afgewacht mag worden in Nederland, maakt niet het terugkeerbesluit prematuur is opgelegd. Daarmee zijn alleen zijn de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit opgeschort. Die treden pas in werking nadat de beroepsprocedure over de reguliere aanvraag is afgerond en de afwijzing van die aanvraag in stand blijft.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 25 augustus 2023 is niet-ontvankelijk.
15. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 1 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
16. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2023 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank reden om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken voor de indiening van het beroepschrift. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2025 ongegrond;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
ECLI:NL:RVS:2025:1829.
ECLI:EU:C:2024:1038.
ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Zie het arrest Gnandi van 19 juni 2018 (ECLI:EU:C:2018:465, r.o. 44 e.v.).
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.26648
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser is opgelegd op 1 augustus 2025. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en stelt van Turkse nationaliteit te zijn. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
2. Met het besluit van 25 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft bij besluit van 22 februari 2024 het besluit van 25 augustus 2023 ingetrokken.
3. Bij besluit van 1 augustus 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
4. Eiser heeft vervolgens aanvullende gronden ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn – met kennisgeving voorafgaand aan de zitting – niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
6. Het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 25 augustus 2023. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op dit laatste terugkeerbesluit.
7. Omdat de minister het besluit van 25 augustus 2023 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten voor het beroepschrift dat hij heeft ingediend tegen het besluit van 25 augustus 2025. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 16.
Is het terugkeerbesluit prematuur?
8. Eiser heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 wederom prematuur is opgelegd, omdat hij tot 4 september 2025 nog viel onder de bevriezingsmaatregel en tot die datum rechten genoot op grond van de RTB. Hij verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025.
9. Eiser stelt ook dat het terugkeerbesluit prematuur is opgelegd vanwege de op 8 april 2024 toegewezen voorlopige voorziening, waarin is bepaald dat hij wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is totdat op het beroep is beslist.
10. Daarnaast voert eiser aan dat het terugkeerbesluit prematuur is gezien de lopende bezwaarprocedure. Op 13 maart 2025 heeft hij een aanvraag voor een Gecombineerde Vergunning voor Verblijf en Arbeid (GVVA) ingediend, die bij besluit van 7 mei 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Volgens hem was er op dat moment nog geen terugkeerbesluit, waardoor hij Nederland niet hoefde te verlaten en onduidelijk is waarom hij het bezwaar niet mag afwachten in Nederland. Bovendien had hij, gezien de eerder genoemde toegewezen voorlopige voorziening, nog rechtmatig verblijf, waardoor vertrek niet noodzakelijk was.
Oordeel van de rechtbank
11. De rechtbank is van oordeel dat het terugkeerbesluit niet prematuur is opgelegd. Uit het Kaduna en Abkez-arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling is bevestigd in haar uitspraak van 23 april 2025. Het verblijf van eiser was daardoor vanaf die datum illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar slechts dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting.
12. Wat betreft de toegewezen voorlopige voorziening merkt de rechtbank op dat de toegewezen voorlopige voorziening betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar dat het toewijzen van een voorlopige voorziening alleen betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
13. Ook de omstandigheid dat eiser inmiddels een reguliere aanvraag heeft ingediend waarover de beroepsprocedure afgewacht mag worden in Nederland, maakt niet het terugkeerbesluit prematuur is opgelegd. Daarmee zijn alleen zijn de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit opgeschort. Die treden pas in werking nadat de beroepsprocedure over de reguliere aanvraag is afgerond en de afwijzing van die aanvraag in stand blijft.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 25 augustus 2023 is niet-ontvankelijk.
15. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 1 augustus 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
16. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2023 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank reden om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken voor de indiening van het beroepschrift. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het besluit van 25 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2025 ongegrond;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
ECLI:NL:RVS:2025:1829.
ECLI:EU:C:2024:1038.
ECLI:NL:RVS:2025:1829.
Zie het arrest Gnandi van 19 juni 2018 (ECLI:EU:C:2018:465, r.o. 44 e.v.).