Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22433
2026-07-14
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.47202
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende in onderling samenhang heeft beoordeeld bij de vraag of eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Beroep gegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:4647 Raad van State 20-11-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4647 Raad van State 20-11-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.471 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47202
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Samenvatting
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende in onderling samenhang heeft beoordeeld bij de vraag of eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel voor eiser heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiser heeft op 17 augustus 2024 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw aangevraagd. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn, tot de Turkmeense bevolkingsgroep te behoren en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
2.2.
De minister heeft met het bestreden besluit van 23 september 2025 de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, lid 1, van de Vw, afgewezen als ongegrond.
2.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, P.M. Cuijpers als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3.1.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser werkte in Afghanistan voor het familiebedrijf waar hij tapijten aan Amerikaanse bedrijven verkocht. De Taliban ziet dit als een samenwerking met de vijand. Ook de leveranciers zijn gevaarlijk voor eiser, omdat het familiebedrijf hen niet meer kon betalen na de machtsovername van de Taliban. Leveranciers die niet betaald kregen hebben hierover geklaagd bij de Taliban en sommige leveranciers hebben zich bij de Taliban aangesloten. In oktober 2018 is eiser naar Turkije vertrokken om te studeren. In Turkije werkte eiser ook voor een Amerikaans bedrijf. In november 2021 is het huis van eisers familie vernield, beschoten en werd de broer van eiser vermoord door de Taliban. De familie van eiser vertelde hem dat het daarom niet veilig was om terug te keren naar Afghanistan. In februari 2024 is eiser naar Nederland gekomen om hier te studeren. Inmiddels is eiser ruim 7 jaar weg uit Afghanistan en verwesterd. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser dat hij wordt vermoord door de Taliban vanwege zijn banden met de Amerikaanse bedrijven, vanwege het niet betalen van de leveranciers, zijn verwestering en zijn Turkmeense etniciteit.
Standpunten partijen
4.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de problemen met de Taliban;
- de discriminatie vanwege zijn Turkmeense etniciteit.
De minister heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De problemen met de Taliban vindt de minister niet geloofwaardig. Daartoe heeft de minister – kort samengevat – overwogen dat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn asielmotief volledig kunnen onderbouwen en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In dit kader werpt de minister tegen dat eiser de link tussen de dood van zijn broer, de Taliban en het bedrijf niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt. De verklaringen van eiser over zijn vrees voor de Taliban berusten, volgens de minister, op aannames en vermoedens.Tot slot acht de minister de discriminatie vanwege de etnische afkomst van eiser geloofwaardig maar niet zwaarwegend. Volgens de minister is niet gebleken dat de discriminatie waar eiser mee te maken heeft gehad dusdanig ernstig is dat hij wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden.
4.2.
Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Heeft de minister de problemen met de Taliban ongeloofwaardig kunnen achten?
5.1.
Eiser voert aan dat zijn verklaringen ten onrechte niet geloofwaardig zijn geacht en dat de gebeurtenissen zoals aangegeven zich feitelijk hebben voorgedaan. Voor de machtsovername van de Taliban was eisers familie al in beeld en stonden ze in de negatieve belangstelling van de Taliban. Eiser heeft documenten overgelegd wat betreft zijn werkzaamheden in het familiebedrijf, van zijn werkzaamheden toen eiser in Turkije studeerde en foto’s van een beschoten woning. Zijn banden met de Amerikaanse bedrijven zijn na het vertrek uit Afghanistan verder voortgezet, aldus eiser. De rechtbank licht de verklaringen van eiser hieronder verder toe.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het ongeloofwaardig is dat (de familie van) eiser problemen heeft gehad met de Taliban. Hoewel de minister het geloofwaardig acht dat eiser in het familiebedrijf [bedrijf] (hierna: het familiebedrijf) heeft gewerkt, heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat eiser de link tussen het familiebedrijf, de dood van zijn broer en de Taliban niet aannemelijk heeft gemaakt. Zo heeft eiser verklaard dat zijn broer werd vermoord door de Taliban omdat de leveranciers van het familiebedrijf niet betaald werden en dat hij werd doodgeschoten toen hij de moskee uit liep. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de woning van zijn familie beschoten is. De minister heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid in aanmerking kunnen nemen dat eisers verklaringen over de gebeurtenissen met de Taliban zijn gebaseerd op eigen vermoedens en zijn gebaseerd op de verklaringen van zijn ouders. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser zelf niet in Afghanistan was tijdens de dood van zijn broer en tijdens de beschietingen op de woning. Eiser was immers in Turkije voor zijn studie. De stelling van eiser dat het de Taliban wel geweest moet zijn omdat zij op dat moment actief waren in de omgeving, volgt de rechtbank dan ook niet. Eiser heeft namelijk op geen enkele wijze geconcretiseerd op basis waarvan hij ervan uitgaat dat de Taliban verantwoordelijk is voor deze gebeurtenissen. Met betrekking tot de foto’s van de beschoten woning merkt de rechtbank op dat er in Afghanistan meerdere woningen zijn met kogelgaten en andere schade door beschietingen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het om de woning van zijn familie gaat.
5.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser de stelling met betrekking tot zijn werkzaamheden voor de Amerikanen niet nader heeft geconcretiseerd en aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank overweegt dat eiser ter onderbouwing van de gestelde werkzaamheden verschillende documenten heeft overgelegd, waaronder facturen van de werkzaamheden en foto’s van zichzelf ten tijde van zijn werkzaamheden in het familiebedrijf. Uit de door eiser overgelegde documenten blijkt echter niet hoe de Taliban op de hoogte is van de werkzaamheden van eiser en waarom specifiek eiser in de negatieve belangstelling staat van de Taliban. Uit de overgelegde documenten kan enkel worden opgemaakt dat eiser in het familiebedrijf en in Turkije heeft gewerkt. Dit element heeft de minister, zoals hierboven beschreven, ook geloofwaardig geacht. Eiser heeft verder op geen enkele wijze geconcretiseerd op basis waarvan hij ervan uitgaat hoe de Taliban hiervan op de hoogte is. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van een reëel risico op ernstige schade?
6.1.
Eiser voert aan dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan. Hij loopt daar een reëel risico op ernstige schade omdat hij in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. Uit recente landeninformatie blijkt dat verwesterde Afghanen extra kwetsbaar zijn bij terugkeer naar Afghanistan. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024. Hij voert aan dat, in tegenstelling tot de vreemdeling in die zaak, hij wel voldoet aan de verschillende kenmerken waardoor hij niet teruggestuurd kan worden naar Afghanistan. De minister gaat hier ten onrechte aan voorbij, en heeft deze kenmerken niet in onderlinge samenhang meegewogen maar afzonderlijk.
6.2.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 volgt dat hoewel niet blijkt dat uit westerse landen teruggekeerde Afghanen alleen al vanwege verblijf in het Westen systematisch aan een vernederende of onmenselijke behandeling van een zekere ernst worden blootgesteld, het risico hierop moet worden beoordeeld aan de hand van de reden van het vertrek uit Afghanistan, het profiel van de teruggekeerde Afghaan en het bestaan van vetes en persoonlijke conflicten. In dit geval gaat het om eiser, die Turkmeens is en daarmee tot een etnische minderheid behoort in Afghanistan die te maken heeft met discriminatie. De rechtbank vindt ook steun voor dit standpunt in de UNHCR Guidance Note waarin wordt gesignaleerd dat na de komst van de Taliban de discriminatie naar Turkmenen is verergerd en de discriminatie van de minderheidsgroepen verder zal toenemen. Eiser heeft een kenmerkend Turkmeens uiterlijk, draagt geen baard, draagt westerse kleding en praktiseert de Islam op een andere wijze dan die door de Taliban wordt geaccepteerd. Daarnaast heeft eiser in het nader gehoor uitgebreid verklaard over zijn waarden en normen die inmiddels sterk zijn veranderd sinds zijn verblijf in het Westen. Een belangrijk element dat niet kenbaar door de minister in de besluitvorming is betrokken, is dat eiser reeds voor de machtsovername is vertrokken naar het buitenland om Engels te studeren en dat eiser vanaf jongs af aan Engels leerde. Het voorgaande is volgens de rechtbank een belangrijke indicatie dat eiser uit een modern gezin komt en moderne opvattingen hanteert. Eiser verblijft bovendien al geruime tijd in het Westen, namelijk sinds eind 2018. De stelling van de minister dat eiser zich bij terugkeer kan aanpassen, volgt de rechtbank dan ook niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze kenmerken bij zijn beoordeling of eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Afghanistan enkel individueel betrokken en onvoldoende in onderlinge samenhang. De rechtbank stelt daarom een motiveringsgebrek vast. De beroepsgrond slaagt
Conclusie en gevolgen
7.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet verder geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of de mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien.
7.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
7.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepsschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Dit wordt berekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,00 per punt. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2024:4647.
ECLI:NL:RVS:2024:4647.
UNHCR Guidance Note on Afghanistan – update II – September 2025, p. 4.
De Algemene wet Bestuursrecht.
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47202
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Samenvatting
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende in onderling samenhang heeft beoordeeld bij de vraag of eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel voor eiser heeft.
Procesverloop
2.1.
Eiser heeft op 17 augustus 2024 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw aangevraagd. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn, tot de Turkmeense bevolkingsgroep te behoren en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
2.2.
De minister heeft met het bestreden besluit van 23 september 2025 de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, lid 1, van de Vw, afgewezen als ongegrond.
2.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, P.M. Cuijpers als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3.1.
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser werkte in Afghanistan voor het familiebedrijf waar hij tapijten aan Amerikaanse bedrijven verkocht. De Taliban ziet dit als een samenwerking met de vijand. Ook de leveranciers zijn gevaarlijk voor eiser, omdat het familiebedrijf hen niet meer kon betalen na de machtsovername van de Taliban. Leveranciers die niet betaald kregen hebben hierover geklaagd bij de Taliban en sommige leveranciers hebben zich bij de Taliban aangesloten. In oktober 2018 is eiser naar Turkije vertrokken om te studeren. In Turkije werkte eiser ook voor een Amerikaans bedrijf. In november 2021 is het huis van eisers familie vernield, beschoten en werd de broer van eiser vermoord door de Taliban. De familie van eiser vertelde hem dat het daarom niet veilig was om terug te keren naar Afghanistan. In februari 2024 is eiser naar Nederland gekomen om hier te studeren. Inmiddels is eiser ruim 7 jaar weg uit Afghanistan en verwesterd. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser dat hij wordt vermoord door de Taliban vanwege zijn banden met de Amerikaanse bedrijven, vanwege het niet betalen van de leveranciers, zijn verwestering en zijn Turkmeense etniciteit.
Standpunten partijen
4.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de problemen met de Taliban;
- de discriminatie vanwege zijn Turkmeense etniciteit.
De minister heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De problemen met de Taliban vindt de minister niet geloofwaardig. Daartoe heeft de minister – kort samengevat – overwogen dat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn asielmotief volledig kunnen onderbouwen en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In dit kader werpt de minister tegen dat eiser de link tussen de dood van zijn broer, de Taliban en het bedrijf niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt. De verklaringen van eiser over zijn vrees voor de Taliban berusten, volgens de minister, op aannames en vermoedens.Tot slot acht de minister de discriminatie vanwege de etnische afkomst van eiser geloofwaardig maar niet zwaarwegend. Volgens de minister is niet gebleken dat de discriminatie waar eiser mee te maken heeft gehad dusdanig ernstig is dat hij wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden.
4.2.
Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Heeft de minister de problemen met de Taliban ongeloofwaardig kunnen achten?
5.1.
Eiser voert aan dat zijn verklaringen ten onrechte niet geloofwaardig zijn geacht en dat de gebeurtenissen zoals aangegeven zich feitelijk hebben voorgedaan. Voor de machtsovername van de Taliban was eisers familie al in beeld en stonden ze in de negatieve belangstelling van de Taliban. Eiser heeft documenten overgelegd wat betreft zijn werkzaamheden in het familiebedrijf, van zijn werkzaamheden toen eiser in Turkije studeerde en foto’s van een beschoten woning. Zijn banden met de Amerikaanse bedrijven zijn na het vertrek uit Afghanistan verder voortgezet, aldus eiser. De rechtbank licht de verklaringen van eiser hieronder verder toe.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het ongeloofwaardig is dat (de familie van) eiser problemen heeft gehad met de Taliban. Hoewel de minister het geloofwaardig acht dat eiser in het familiebedrijf [bedrijf] (hierna: het familiebedrijf) heeft gewerkt, heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat eiser de link tussen het familiebedrijf, de dood van zijn broer en de Taliban niet aannemelijk heeft gemaakt. Zo heeft eiser verklaard dat zijn broer werd vermoord door de Taliban omdat de leveranciers van het familiebedrijf niet betaald werden en dat hij werd doodgeschoten toen hij de moskee uit liep. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de woning van zijn familie beschoten is. De minister heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid in aanmerking kunnen nemen dat eisers verklaringen over de gebeurtenissen met de Taliban zijn gebaseerd op eigen vermoedens en zijn gebaseerd op de verklaringen van zijn ouders. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser zelf niet in Afghanistan was tijdens de dood van zijn broer en tijdens de beschietingen op de woning. Eiser was immers in Turkije voor zijn studie. De stelling van eiser dat het de Taliban wel geweest moet zijn omdat zij op dat moment actief waren in de omgeving, volgt de rechtbank dan ook niet. Eiser heeft namelijk op geen enkele wijze geconcretiseerd op basis waarvan hij ervan uitgaat dat de Taliban verantwoordelijk is voor deze gebeurtenissen. Met betrekking tot de foto’s van de beschoten woning merkt de rechtbank op dat er in Afghanistan meerdere woningen zijn met kogelgaten en andere schade door beschietingen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het om de woning van zijn familie gaat.
5.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser de stelling met betrekking tot zijn werkzaamheden voor de Amerikanen niet nader heeft geconcretiseerd en aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank overweegt dat eiser ter onderbouwing van de gestelde werkzaamheden verschillende documenten heeft overgelegd, waaronder facturen van de werkzaamheden en foto’s van zichzelf ten tijde van zijn werkzaamheden in het familiebedrijf. Uit de door eiser overgelegde documenten blijkt echter niet hoe de Taliban op de hoogte is van de werkzaamheden van eiser en waarom specifiek eiser in de negatieve belangstelling staat van de Taliban. Uit de overgelegde documenten kan enkel worden opgemaakt dat eiser in het familiebedrijf en in Turkije heeft gewerkt. Dit element heeft de minister, zoals hierboven beschreven, ook geloofwaardig geacht. Eiser heeft verder op geen enkele wijze geconcretiseerd op basis waarvan hij ervan uitgaat hoe de Taliban hiervan op de hoogte is. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van een reëel risico op ernstige schade?
6.1.
Eiser voert aan dat hij niet kan terugkeren naar Afghanistan. Hij loopt daar een reëel risico op ernstige schade omdat hij in de negatieve belangstelling van de Taliban staat. Uit recente landeninformatie blijkt dat verwesterde Afghanen extra kwetsbaar zijn bij terugkeer naar Afghanistan. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024. Hij voert aan dat, in tegenstelling tot de vreemdeling in die zaak, hij wel voldoet aan de verschillende kenmerken waardoor hij niet teruggestuurd kan worden naar Afghanistan. De minister gaat hier ten onrechte aan voorbij, en heeft deze kenmerken niet in onderlinge samenhang meegewogen maar afzonderlijk.
6.2.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 volgt dat hoewel niet blijkt dat uit westerse landen teruggekeerde Afghanen alleen al vanwege verblijf in het Westen systematisch aan een vernederende of onmenselijke behandeling van een zekere ernst worden blootgesteld, het risico hierop moet worden beoordeeld aan de hand van de reden van het vertrek uit Afghanistan, het profiel van de teruggekeerde Afghaan en het bestaan van vetes en persoonlijke conflicten. In dit geval gaat het om eiser, die Turkmeens is en daarmee tot een etnische minderheid behoort in Afghanistan die te maken heeft met discriminatie. De rechtbank vindt ook steun voor dit standpunt in de UNHCR Guidance Note waarin wordt gesignaleerd dat na de komst van de Taliban de discriminatie naar Turkmenen is verergerd en de discriminatie van de minderheidsgroepen verder zal toenemen. Eiser heeft een kenmerkend Turkmeens uiterlijk, draagt geen baard, draagt westerse kleding en praktiseert de Islam op een andere wijze dan die door de Taliban wordt geaccepteerd. Daarnaast heeft eiser in het nader gehoor uitgebreid verklaard over zijn waarden en normen die inmiddels sterk zijn veranderd sinds zijn verblijf in het Westen. Een belangrijk element dat niet kenbaar door de minister in de besluitvorming is betrokken, is dat eiser reeds voor de machtsovername is vertrokken naar het buitenland om Engels te studeren en dat eiser vanaf jongs af aan Engels leerde. Het voorgaande is volgens de rechtbank een belangrijke indicatie dat eiser uit een modern gezin komt en moderne opvattingen hanteert. Eiser verblijft bovendien al geruime tijd in het Westen, namelijk sinds eind 2018. De stelling van de minister dat eiser zich bij terugkeer kan aanpassen, volgt de rechtbank dan ook niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze kenmerken bij zijn beoordeling of eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Afghanistan enkel individueel betrokken en onvoldoende in onderlinge samenhang. De rechtbank stelt daarom een motiveringsgebrek vast. De beroepsgrond slaagt
Conclusie en gevolgen
7.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet verder geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of de mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien.
7.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
7.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepsschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Dit wordt berekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,00 per punt. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RVS:2024:4647.
ECLI:NL:RVS:2024:4647.
UNHCR Guidance Note on Afghanistan – update II – September 2025, p. 4.
De Algemene wet Bestuursrecht.