Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22431

2026-08-06 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.38922 en NL26.38923
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-06
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zaaknummer
NL26.38922 en NL26.38923
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 23 juli 20251 geoordeeld dat verweerder wat betreft alleenstaande niet kwetsbare mannen niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij in weerwil van die uitspraak toch uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Citeert (7)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (13.830 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummers: NL26.38922 (beroep) en NL26.38923 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen



[eiser], V-nummer: [nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imani).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 23 juli 2025 geoordeeld dat verweerder wat betreft alleenstaande niet kwetsbare mannen niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij in weerwil van die uitspraak toch uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Eiser heeft op 13 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.



2.2.
Het beroep en het verzoek zijn op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.




Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter



Totstandkoming van het besluit




3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). Op grond van de AMBV neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.



3.1.
In dit geval heeft Nederland aan België een kennisgeving van terugname gestuurd. België heeft verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag bevestigd. Verweerder heeft geen reden gezien om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Verweerder heeft daarom de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen.



Heeft verweerder ten aanzien van België mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?




4. Eiser is een alleenstaande mannelijke asielzoeker. Hij betwist dat verweerder in zijn geval ten aanzien van België kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.




4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de situatie in België wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van de situatie die aan de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025 ten grondslag lag. De Belgische autoriteiten hebben inspanningen verricht om de druk op het asiel- en opvangsysteem tegen te gaan en zijn niet onwelwillend om hun internationale verplichtingen na te komen. Alleenstaande, niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers die geen directe toegang tot de reguliere opvangvoorzieningen krijgen, komen op een doorstroomlijst en kunnen gebruik maken van humanitaire opvangplaatsen binnen de bestaande nood- en daklozenopvang in het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Dit wordt gefinancierd door de federale overheid via Fedasil op basis van een samenwerkingsovereenkomst (zogenoemde ‘Brussels deal’). Het aantal personen op deze doorstroomlijst neemt structureel af en is nu minder dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen. De betrokken personen kunnen gemiddeld na drie en een halve maand terecht in de reguliere opvang. Veel van de personen op de doorstroomlijst maken geen gebruik van de humanitaire opvang omdat zij verblijven bij personen uit hun persoonlijke netwerk. Bij de huidige stand van zaken bestaat er geen reëel risico dat een vreemdeling na overdracht in een situatie van een zeer verregaande materiële deprivatie terecht komt, zoals bedoeld in het arrest Jawo. Verweerder verwijst naar het Informatiebericht 2026/8 Dublin België: hervatten beslissen alleenstaande niet kwetsbare mannen, een brief van de Directeur-generaal van Fedasil van 5 februari 2026, een rapport van Asylum Information Database (AIDA) ‘Country Report Belgium (update 2025)’ van 17 juli 2026, een verslag van een contactvergadering internationale bescherming van het Federaal Migratiecentrum op 18 maart 2026 en antwoorden op parlementaire vragen door de Belgische minister van asiel, migratie, maatschappelijke integratie, belast met grootstedenbeleid van 22 april 2026.



4.2.
De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in haar uitspraak van 13 maart 2024 heeft geoordeeld dat ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In haar uitspraak van 23 juli 2025 is de Afdeling in zoverre teruggekomen van de uitspraak van 13 maart 2024 dat ten aanzien van België voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit deze uitspraak volgt dat voor wat betreft de opvangsituatie in België – voor zover het niet-kwetsbare alleenstaande mannen betreft – er niet langer sprake is van tijdelijke tekortkomingen, maar van tekortkomingen die als structureel moeten worden beschouwd. Voor dat oordeel achtte de Afdeling onder andere van belang dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen en dat de cijfers over opvangcapaciteit onduidelijk zijn en schommelen. Verder volgt uit die uitspraak dat asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat is gebleken dat de Belgische autoriteiten weigeren gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen. Ten slotte heeft de Afdeling geoordeeld dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel. Zij zetten zich niet in om nieuwe opvangplaatsen te creëren, kiezen er niet voor om beschikbare oplossingen in te zetten en leggen gerechtelijke uitspraken en dwangsommen zoals gezegd naast zich neer.



4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt de door verweerder genoemde informatie onvoldoende grond om te oordelen dat niet langer sprake is van de door de Afdeling geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor mannelijke alleenstaande niet-kwetsbare asielzoekers. Uit de informatie blijkt niet van inspanningen van de Belgische autoriteiten om het aantal opvangvoorzieningen uit te breiden, gerechtelijke uitspraken na te komen of dwangsommen te betalen sinds de uitspraak van de Afdeling. Zo was de Brussels-deal al van kracht ten tijde van de uitspraak van de Afdeling, is de overheid van plan om het aantal opvangplekken drastisch te gaan verminderen, legt Fedasil rechterlijke uitspraken onverminderd naast zich neer en heeft de Belgische minister van asiel, migratie maatschappelijke integratie in april dit jaar nog bevestigd geen dwangsommen te zullen gaan betalen. Dit gezegd hebbende, kunnen de door de Afdeling geconstateerde opvangproblemen ook zijn opgelost zonder inspanningen van de Belgische overheid, als de beschikbare opvangplaatsen voldoende blijken te zijn gelet op een afnemend aantal alleenstaande mannelijke asielzoekers die opvang nodig hebben. De door verweerder genoemde informatie biedt hier echter onvoldoende aanknopingspunten voor. AIDA concludeert dat de Brussels deal geen adequate oplossing is voor de personen op de doorstroomlijst en dat dit standpunt wordt gedeeld door het maatschappelijk middenveld. Ook blijkt uit het AIDA rapport dat personen op de doorstroomlijst moeilijk toegang krijgen tot opvangplaatsen in de noodopvang: er zijn aanzienlijke obstakels bij registratie voor opvang, er zijn nog altijd onvoldoende plekken beschikbaar en de opvang is bovendien niet exclusief voor asielzoekers noch krijgen zij voorrang. In verschillende recente rechtbank uitspraken is ook geoordeeld dat uit de brief van Fedasil nog altijd onvoldoende blijkt hoeveel van de opvangplekken in het Brussels hoofdstedelijk gewest daadwerkelijk beschikbaar zijn voor mannelijke alleenstaande niet-kwetsbare asielzoekers op de doorstroomlijst. De rechtbank sluit zich daarbij aan en neemt de overwegingen in die uitspraken over voorzover relevant voor deze zaak. Waaruit de Belgische minister opmaakt dat veel van de asielzoekers die geen gebruik maken van de humanitaire opvang bij mensen uit hun persoonlijk netwerk verblijven en hoeveel asielzoekers dat zijn is onduidelijk en behoeft gezien de in het AIDA rapport genoemde barrières wel nadere toelichting. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

5. Gelet op het voorgaande is het niet nodig om de andere beroepsgronden van eiser te bespreken.



Conclusie en gevolgen



6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en verweerder een nieuw besluit moet nemen op eisers asielaanvraag. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.



6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.



6.2.
Omdat nu op het beroep is beslist is er geen reden meer om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Die zal de voorzieningenrechter daarom afwijzen.



6.3.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroep- en een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.







Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 juli 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;


De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


De rechtbank/voorzieningenrechter:

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RVS:2025:3305.


Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.


Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 maart 2019, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.


ECLI:NL:RVS:2024:896.


ECLI:NL:RVS:2025:3305.


Zie de uitspraak van 23 juli 2025, onder 5.3.3. en 5.3.4.


Zie de uitspraak van 23 juli 2025, onder 5.4.1. en 5.4.2.


Zie de uitspraak van 23 juli 2025, onder 5.5.1-5.5.3.


Brief van de Directeur-generaal van Fedasil van 5 februari 2026, p. 1 en AIDA Country Report Belgium (Update 2025), p. 112.


AIDA Country Report Belgium (Update 2025), p. 111.


AIDA Country Report Belgium (Update 2025), p. 111.


Antwoorden op parlementaire vragen door de Belgische minister van asiel, migratie, maatschappelijke integratie, belast met grootstedenbeleid van 22 april 2026, Kamerstukken Belgische Kamer Van Volksvertegenwoordigers, CRABV 56 COM 355, p. 36.


AIDA Country Report Belgium (Update 2025), p. 111.


AIDA Country Report Belgium (Update 2025), p. 112, brief van de Directeur-generaal van Fedasil van 5 februari 2026, p. 2.


Zie onder andere uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 2 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14893, deze zittingsplaats van 2 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19417, zittingsplaats Amsterdam van 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18538.