Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22430
2026-07-27
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.20261, NL26.20263, NL26.20265, NL26.20267, NL26.20269.
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin/Duitsland. Artikel 17 Dublinverordening, refoulement, belang van het (minderjarige) kind, gegrond.
Citeert (3)
- ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308
- ECLI:EU:C:2023:934
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25992 Rechtbank Den Haag 01-09-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (14.425 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20261, NL26.20263, NL26.20265, NL26.20267, NL26.20269
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer 1] , zaaknummer NL26.20261, eiser,
[eiseres]
, V-nummer: [nummer 2] , zaaknummer NL26.20269, eiseres,
mede namens hun (minderjarige) kinderen:
[minderjarige 1]
, V-nummer: [nummer 3] , zaaknummer NL26.20267,
[minderjarige 2]
, V-nummer: [nummer 4] , zaaknummer NL26.20265,
[minderjarige 4]
, V-nummer: [nummer 5] , zaaknummer NL26.20263,
[minderjarige 5]
, V-nummer: [nummer 6] , zaaknummer NL26.20269,[minderjarige 6] (de rechtbank leest: [achternaam] ), V-nummer: [nummer 7] , (de rechtbank begrijpt:) zaaknummer NL26.20269,
hierna samen ook: eisers
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 9 april 2026 ten aanzien van - [eiser] , - [eiseres] en de minderjarige kinderen [minderjarige 6] en [minderjarige 5] , - [minderjarige 1] , - [minderjarige 2] , en- [minderjarige 7] (samen: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de verzoeken om voorlopige voorzieningen (NL26.20262, NL26.20264, NL26.20266, NL26.20268 en NL26.20270), op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. De gemachtigde van verweerder is ook niet ter zitting verschenen.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag 1] 1982. Eiseres stelt ook van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag 2] 1984. De kinderen van eiser en eiseres stellen ook van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag 3] 2007 ( [minderjarige 1] ), [geboortedag 4] 2008 ( [minderjarige 2] ), [geboortedag 5] 2009 ( [minderjarige 4] ), [geboortedag 6] 2013 ( [minderjarige 5] ) en [geboortedag 7] 2023 ( [minderjarige 6] ). Eisers hebben op 16 december 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eisers voor het laatst op 22 oktober 2025 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming hebben ingediend. Op 11 februari 2026 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 13 februari 2026 op die grondslag aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eisers met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook hebben eisers volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om hun asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
3. Eisers stellen zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening, op grond waarvan overdracht aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Eisers vrezen in geval van een (gedwongen) overdracht aan Duitsland voor refoulement. Ondanks het gevaar dat zij bij terugkeer naar hun land van herkomst lopen, hebben zij in Duitsland afwijzende beslissingen op hun asielverzoeken ontvangen. Een gedwongen overdracht zal daarom slechts leiden tot een herhaling van zetten, nu eisers zich wederom genoodzaakt zullen zien Duitsland te verlaten en elders opnieuw asiel aan te vragen. Juist gelet op hun eerdere ervaringen vrezen eisers dat een gedwongen terugkeer naar Duitsland uiteindelijk zal leiden tot refoulement. Daarnaast voelen eisers zich veilig in Nederland en wensen zij hier de gelegenheid te krijgen hun asielmotieven volledig toe te lichten. Verder achten eisers een overdracht niet in het belang van de betrokken (minderjarige) kinderen, een omstandigheid waarmee verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden. Eisers vrezen dat een nieuwe gedwongen terugkeer een ernstige negatieve invloed zal hebben op het psychisch welzijn en de ontwikkeling van de kinderen. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Gelet hierop heeft verweerder gehandeld in strijd met het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruikmaakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
3.2.
Eisers betwisten niet dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, waardoor mag worden verondersteld dat Duitsland zich aan alle internationale verplichtingen houdt. Daar komt bij dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eisers in behandeling wordt genomen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eisers toch problemen ondervinden in Duitsland kunnen zij hierover klagen bij de Duitse autoriteiten. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk is of dat de Duitse autoriteiten hen niet willen of kunnen helpen (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk).
3.3.
Ten aanzien van het betoog van eisers dat zij bij overdracht aan Duitsland vrezen voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:934) en de Afdeling van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359). Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor is overwogen, is niet in geschil dat ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.
3.4.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder ook in de overige door eisers aangevoerde omstandigheden – te weten dat een overdracht naar Duitsland volgens hen slechts zal leiden tot een herhaling van zetten nu zij zich opnieuw genoodzaakt zullen zien Duitsland te verlaten en elders asiel aan te vragen, en dat zij zich veilig voelen in Nederland en daarom graag hun asielmotieven in Nederland willen toelichten - geen aanleiding heeft hoeven zien om te concluderen dat overdracht naar Duitsland zou leiden tot een onevenredige hardheid.
3.5.
Dan wat betreft de belangen van de minderjarige kinderen van eiser en eiseres. In artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening staat dat de lidstaten het belang van het kind voorop moeten stellen bij alle procedures inzake de Dublinverordening. In het derde lid van dit artikel staat dat om vast te stellen wat het belang van het kind is, de lidstaten nauw samenwerken en in het bijzonder rekening houden met (onder meer) het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige en de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit. Bij de beoordeling of er reden is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, kan het belang van een betrokken kind relevant zijn en moet de rechter vervolgens toetsen of er bij deze beoordeling voldoende rekenschap is gegeven van de gestelde belangen van het kind.
3.6.
De rechtbank constateert dat uit de besluitvorming inzake de ouders en de minderjarige kinderen onvoldoende blijkt dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige kinderen. Verweerder heeft weliswaar de twee oudste minderjarige kinderen ( [minderjarigen] ) gehoord, maar uit het voornemen en de betreffende besluiten blijkt onvoldoende dat de belangen van hen en de andere minderjarige kinderen zijn betrokken bij de beoordeling van de vraag of er voor verweerder redenen zijn om de aanvraag onverplicht aan zich te trekken. De besluiten voor de ouders en de minderjarige kinderen stemmen inhoudelijk grotendeels overeen en bevatten geen overwegingen over de belangen van de kinderen. Deze besluiten zijn daarom niet in overeenstemming met artikel 6 van de Dublinverordening genomen. De beroepsgrond slaagt omdat er sprake is van een motiveringsgebrek.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond vanwege een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
4.1.
De rechtbank realiseert zich dat de overwegingen over het onvoldoende betrekken van het belang van de minderjarige kinderen niet gelden voor het besluit voor [minderjarige 1] , het ten tijde van de asielaanvraag al meerderjarige kind en de broer van de minderjarige kinderen. [minderjarige 1] maakt echter als jongmeerderjarige nog wel deel uit van het gezin en het is in het belang van de gezinsleden om bij elkaar te blijven. Gelet hierop hangt zijn zaak samen met die van de overige gezinsleden en om te voorkomen dat de zaken van het gezin uit elkaar gaan lopen, zal de rechtbank ook het besluit ten aanzien van [minderjarige 1] vernietigen.
4.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Verweerder dient daarbij te betrekken wat eisers naar voren hebben gebracht over het belang van de kinderen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
4.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank beschouwt de zaken als samenhangend, zodat deze vergoeding € 934,- bedraagt (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond.;
vernietigt de bestreden besluiten van 9 april 2026 ten aanzien van[eiser] , [eiseres] en [minderjarige 6] en [minderjarige 5] ,
[minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , en
[minderjarige 7] ;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen van eisers, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.
Evenals overigens het besluit voor [minderjarige 1] .
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20261, NL26.20263, NL26.20265, NL26.20267, NL26.20269
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer 1] , zaaknummer NL26.20261, eiser,
[eiseres]
, V-nummer: [nummer 2] , zaaknummer NL26.20269, eiseres,
mede namens hun (minderjarige) kinderen:
[minderjarige 1]
, V-nummer: [nummer 3] , zaaknummer NL26.20267,
[minderjarige 2]
, V-nummer: [nummer 4] , zaaknummer NL26.20265,
[minderjarige 4]
, V-nummer: [nummer 5] , zaaknummer NL26.20263,
[minderjarige 5]
, V-nummer: [nummer 6] , zaaknummer NL26.20269,[minderjarige 6] (de rechtbank leest: [achternaam] ), V-nummer: [nummer 7] , (de rechtbank begrijpt:) zaaknummer NL26.20269,
hierna samen ook: eisers
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 9 april 2026 ten aanzien van - [eiser] , - [eiseres] en de minderjarige kinderen [minderjarige 6] en [minderjarige 5] , - [minderjarige 1] , - [minderjarige 2] , en- [minderjarige 7] (samen: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de verzoeken om voorlopige voorzieningen (NL26.20262, NL26.20264, NL26.20266, NL26.20268 en NL26.20270), op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. De gemachtigde van verweerder is ook niet ter zitting verschenen.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag 1] 1982. Eiseres stelt ook van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag 2] 1984. De kinderen van eiser en eiseres stellen ook van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag 3] 2007 ( [minderjarige 1] ), [geboortedag 4] 2008 ( [minderjarige 2] ), [geboortedag 5] 2009 ( [minderjarige 4] ), [geboortedag 6] 2013 ( [minderjarige 5] ) en [geboortedag 7] 2023 ( [minderjarige 6] ). Eisers hebben op 16 december 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eisers voor het laatst op 22 oktober 2025 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming hebben ingediend. Op 11 februari 2026 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 13 februari 2026 op die grondslag aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eisers met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook hebben eisers volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om hun asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank
3. Eisers stellen zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening, op grond waarvan overdracht aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Eisers vrezen in geval van een (gedwongen) overdracht aan Duitsland voor refoulement. Ondanks het gevaar dat zij bij terugkeer naar hun land van herkomst lopen, hebben zij in Duitsland afwijzende beslissingen op hun asielverzoeken ontvangen. Een gedwongen overdracht zal daarom slechts leiden tot een herhaling van zetten, nu eisers zich wederom genoodzaakt zullen zien Duitsland te verlaten en elders opnieuw asiel aan te vragen. Juist gelet op hun eerdere ervaringen vrezen eisers dat een gedwongen terugkeer naar Duitsland uiteindelijk zal leiden tot refoulement. Daarnaast voelen eisers zich veilig in Nederland en wensen zij hier de gelegenheid te krijgen hun asielmotieven volledig toe te lichten. Verder achten eisers een overdracht niet in het belang van de betrokken (minderjarige) kinderen, een omstandigheid waarmee verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden. Eisers vrezen dat een nieuwe gedwongen terugkeer een ernstige negatieve invloed zal hebben op het psychisch welzijn en de ontwikkeling van de kinderen. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Gelet hierop heeft verweerder gehandeld in strijd met het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruikmaakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
3.2.
Eisers betwisten niet dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, waardoor mag worden verondersteld dat Duitsland zich aan alle internationale verplichtingen houdt. Daar komt bij dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eisers in behandeling wordt genomen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eisers toch problemen ondervinden in Duitsland kunnen zij hierover klagen bij de Duitse autoriteiten. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk is of dat de Duitse autoriteiten hen niet willen of kunnen helpen (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk).
3.3.
Ten aanzien van het betoog van eisers dat zij bij overdracht aan Duitsland vrezen voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023 (ECLI:EU:C:2023:934) en de Afdeling van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359). Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor is overwogen, is niet in geschil dat ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.
3.4.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder ook in de overige door eisers aangevoerde omstandigheden – te weten dat een overdracht naar Duitsland volgens hen slechts zal leiden tot een herhaling van zetten nu zij zich opnieuw genoodzaakt zullen zien Duitsland te verlaten en elders asiel aan te vragen, en dat zij zich veilig voelen in Nederland en daarom graag hun asielmotieven in Nederland willen toelichten - geen aanleiding heeft hoeven zien om te concluderen dat overdracht naar Duitsland zou leiden tot een onevenredige hardheid.
3.5.
Dan wat betreft de belangen van de minderjarige kinderen van eiser en eiseres. In artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening staat dat de lidstaten het belang van het kind voorop moeten stellen bij alle procedures inzake de Dublinverordening. In het derde lid van dit artikel staat dat om vast te stellen wat het belang van het kind is, de lidstaten nauw samenwerken en in het bijzonder rekening houden met (onder meer) het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige en de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit. Bij de beoordeling of er reden is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, kan het belang van een betrokken kind relevant zijn en moet de rechter vervolgens toetsen of er bij deze beoordeling voldoende rekenschap is gegeven van de gestelde belangen van het kind.
3.6.
De rechtbank constateert dat uit de besluitvorming inzake de ouders en de minderjarige kinderen onvoldoende blijkt dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige kinderen. Verweerder heeft weliswaar de twee oudste minderjarige kinderen ( [minderjarigen] ) gehoord, maar uit het voornemen en de betreffende besluiten blijkt onvoldoende dat de belangen van hen en de andere minderjarige kinderen zijn betrokken bij de beoordeling van de vraag of er voor verweerder redenen zijn om de aanvraag onverplicht aan zich te trekken. De besluiten voor de ouders en de minderjarige kinderen stemmen inhoudelijk grotendeels overeen en bevatten geen overwegingen over de belangen van de kinderen. Deze besluiten zijn daarom niet in overeenstemming met artikel 6 van de Dublinverordening genomen. De beroepsgrond slaagt omdat er sprake is van een motiveringsgebrek.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond vanwege een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
4.1.
De rechtbank realiseert zich dat de overwegingen over het onvoldoende betrekken van het belang van de minderjarige kinderen niet gelden voor het besluit voor [minderjarige 1] , het ten tijde van de asielaanvraag al meerderjarige kind en de broer van de minderjarige kinderen. [minderjarige 1] maakt echter als jongmeerderjarige nog wel deel uit van het gezin en het is in het belang van de gezinsleden om bij elkaar te blijven. Gelet hierop hangt zijn zaak samen met die van de overige gezinsleden en om te voorkomen dat de zaken van het gezin uit elkaar gaan lopen, zal de rechtbank ook het besluit ten aanzien van [minderjarige 1] vernietigen.
4.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Verweerder dient daarbij te betrekken wat eisers naar voren hebben gebracht over het belang van de kinderen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
4.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank beschouwt de zaken als samenhangend, zodat deze vergoeding € 934,- bedraagt (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond.;
vernietigt de bestreden besluiten van 9 april 2026 ten aanzien van[eiser] , [eiseres] en [minderjarige 6] en [minderjarige 5] ,
[minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , en
[minderjarige 7] ;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen van eisers, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.
Evenals overigens het besluit voor [minderjarige 1] .