Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22428
2026-08-07
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.33950 en NL26.33951
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
AMBV Duitsland. Indirect refoulement. Beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2023:934
- ECLI:NL:RVS:2024:2359 Raad van State 12-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.364 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.33950 (beroep) en NL26.33951 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.W. IJland)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Weststrate).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De voorzieningenrechter beoordeelt eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit van 18 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat hij Duitsland verantwoordelijk acht voor de aanvraag.
1.1.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening.Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateert de aanvraag van vóór 12 juni 2026. Ook is de - vanaf 12 juni 2026 niet meer bestaande - voornemenprocedure nog gevolgd en heeft verweerder in dat kader een voornemen uitgebracht. Het bestreden besluit is echter genomen op 18 juni 2026, toen de AMBV al gold. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening. In deze zaak maakt de toepasselijke regelgeving overigens geen verschil. Aan eisers beroep ligt immers het reële risico op onmenselijke of vernederende behandeling ten grondslag. Dit risico moet de rechtbank zowel op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening als op grond van artikel 43, eerste lid, onder a, van de AMBV toetsen.
4.1.
Op grond van de AMBV neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 30 maart 2023 in Duitsland en op 6 maart 2026 in Zwitserland een asielaanvraag heeft ingediend. Op 24 april 2026 heeft Nederland een terugnameverzoek verstuurd aan Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 28 april 2026 geaccepteerd. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Duitsland vast komen te staan.
Eisers beroep op indirect refoulement
5. Eiser voert aan dat de overdracht aan Duitsland een risico op indirect refoulement met zich meebrengt, omdat Duitsland eisers eerdere asielaanvraag onzorgvuldig heeft beoordeeld en heeft afgewezen. Daarom mag verweerder eiser niet overdragen aan Duitsland.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet. Eiser heeft immers niet onderbouwd dat voor Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat Duitsland, net als Nederland, eisers asielaanvraag zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels zal behandelen. Eiser kan in Duitsland ook een rechtsmiddel aanwenden tegen een afwijzing van zijn asielaanvraag. Daarbij overweegt de rechtbank dat - nu er voor Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel - binnen de kaders van deze AMBV-procedure niet beoordeeld kan worden of eiser bij overdracht aan Duitsland een risico loopt op indirect refoulement. Dit volgt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van. Ook onder de nieuwe AMBV is die rechtspraak onverkort van toepassing. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Verweerder mag eiser overdragen aan Duitsland.
6.1.
Nu de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
6.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen de beslissing op het beroep van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de beslissing van de voorzieningenrechter kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met rectificatie 2025/90929.
Arrest van 30 november 2023, Ministero dell’Interno e.a., ECLI:EU:C:2023:934.
Uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.33950 (beroep) en NL26.33951 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.W. IJland)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Weststrate).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De voorzieningenrechter beoordeelt eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit van 18 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat hij Duitsland verantwoordelijk acht voor de aanvraag.
1.1.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening.Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateert de aanvraag van vóór 12 juni 2026. Ook is de - vanaf 12 juni 2026 niet meer bestaande - voornemenprocedure nog gevolgd en heeft verweerder in dat kader een voornemen uitgebracht. Het bestreden besluit is echter genomen op 18 juni 2026, toen de AMBV al gold. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening. In deze zaak maakt de toepasselijke regelgeving overigens geen verschil. Aan eisers beroep ligt immers het reële risico op onmenselijke of vernederende behandeling ten grondslag. Dit risico moet de rechtbank zowel op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening als op grond van artikel 43, eerste lid, onder a, van de AMBV toetsen.
4.1.
Op grond van de AMBV neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 30 maart 2023 in Duitsland en op 6 maart 2026 in Zwitserland een asielaanvraag heeft ingediend. Op 24 april 2026 heeft Nederland een terugnameverzoek verstuurd aan Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 28 april 2026 geaccepteerd. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Duitsland vast komen te staan.
Eisers beroep op indirect refoulement
5. Eiser voert aan dat de overdracht aan Duitsland een risico op indirect refoulement met zich meebrengt, omdat Duitsland eisers eerdere asielaanvraag onzorgvuldig heeft beoordeeld en heeft afgewezen. Daarom mag verweerder eiser niet overdragen aan Duitsland.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet. Eiser heeft immers niet onderbouwd dat voor Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat Duitsland, net als Nederland, eisers asielaanvraag zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels zal behandelen. Eiser kan in Duitsland ook een rechtsmiddel aanwenden tegen een afwijzing van zijn asielaanvraag. Daarbij overweegt de rechtbank dat - nu er voor Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel - binnen de kaders van deze AMBV-procedure niet beoordeeld kan worden of eiser bij overdracht aan Duitsland een risico loopt op indirect refoulement. Dit volgt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van. Ook onder de nieuwe AMBV is die rechtspraak onverkort van toepassing. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Verweerder mag eiser overdragen aan Duitsland.
6.1.
Nu de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
6.2.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen de beslissing op het beroep van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de beslissing van de voorzieningenrechter kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met rectificatie 2025/90929.
Arrest van 30 november 2023, Ministero dell’Interno e.a., ECLI:EU:C:2023:934.
Uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.