Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:22425
Inhoudsindicatie
Eiser stelt dat hij uit een Arabisch land komt. Hij heeft voor de derde keer om asiel gevraagd. Hij vreest voor terroristen omdat hij werkzaam is voor Israël. Daarnaast stelt eiser dat hij joods is en dat hij biseksueel of homoseksueel is. Dit is in veel Arabische landen strafbaar. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt wat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst is. Eisers nieuwe verklaringen in deze derde asielprocedure kunnen daarom ook niet aangemerkt worden als een nieuw element. Verweerder heeft Tunesië aangemerkt als land waarnaar eiser moet terugkeren. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft hiertegen argumenten aangevoerd. Dat zijn de beroepsgronden. Op basis van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van verweerder. De rechtbank volgt verweerder. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2026:3558 Raad van State 23-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:1970 Raad van State 08-05-2024
- ECLI:EU:C:2024:892
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.099 tekens)
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.25525 (beroep) en NL26.25526 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.E. Weststrate).
Samenvatting
1. Eiser stelt dat hij uit een Arabisch land komt. Hij heeft voor de derde keer om asiel gevraagd. Hij vreest voor terroristen omdat hij werkzaam is voor Israël. Daarnaast stelt eiser dat hij joods is en dat hij biseksueel of homoseksueel is. Dit is in veel Arabische landen strafbaar.
1.1.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt wat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst is. Eisers nieuwe verklaringen in deze derde asielprocedure kunnen daarom ook niet aangemerkt worden als een nieuw element. Verweerder heeft Tunesië aangemerkt als land waarnaar eiser moet terugkeren.
1.2.
Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft hiertegen argumenten aangevoerd. Dat zijn de beroepsgronden. Op basis van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van verweerder.
1.3.
De rechtbank volgt verweerder. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
1.4.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 augustus 2025 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 30 april 2026 niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
2.2.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser stelt [eiser] te heten, uit een Arabisch land te komen en te zijn geboren op [datum] 1976. Net zoals aan zijn eerdere aanvragen, legt eiser aan deze asielaanvraag ten grondslag dat hij geholpen wil worden om terug te gaan naar Israël en tegelijkertijd dat hij bescherming zoekt in Nederland. Terroristen willen eiser iets aan doen, omdat hij werkt voor Israël. Daarnaast stelt eiser met deze opvolgende aanvraag dat hij joods is en biseksueel, dan wel homoseksueel. In Arabische landen worden eisers joodse achtergrond en seksuele geaardheid niet geaccepteerd.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In eisers eerdere procedure kon niet worden vastgesteld wat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst is. Daarom heeft verweerder eisers asielrelaas toen niet inhoudelijk beoordeeld. In deze procedure heeft eiser wederom wisselende verklaringen gegeven over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Nu verweerder nog steeds niet kan vaststellen wat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst is, kunnen eisers nieuwe verklaringen in deze procedure niet worden aangemerkt als een nieuw element of een nieuwe bevinding. Het door eiser aangevoerde asielmotief kan volgens verweerder niet afdoen aan het in de voorgaande procedure genomen besluit.
4.1.
Tegen eiser is op 1 september 2023 al een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarin staat dat hij moet terugkeren naar Tunesië. Verweerder handhaaft dit terugkeerbesluit. Zolang eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk zijn, is er volgens verweerder geen verplichting om het risico op refoulement te beoordelen. Wanneer er in de terugkeerprocedure wel een land van herkomst wordt vastgesteld, zal verweerder het risico op refoulement toetsen.
Heeft eiser procesbelang?
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er nog procesbelang is. Op 23 juli 2026 heeft verweerder immers bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Op 28 juli 2026 heeft eisers gemachtigde aangegeven dat hij geen contact meer heeft met eiser en niet weet waar eiser momenteel verblijft. Kort voor de zitting liet eisers gemachtigde echter weten dat hij weer contact met eiser heeft. De rechtbank concludeert daarom dat eiser nog steeds belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
Had verweerder met het handhaven van het terugkeerbesluit voor Tunesië een refoulementbeoordeling moeten maken?
6. Eiser voert aan dat verweerder het terugkeerbesluit voor Tunesië niet mocht handhaven. Eiser is immers homoseksueel. Als eiser naar Tunesië gaat, zal hij daar een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het handhaven van het terugkeerbesluit is daarom in strijd met het verbod op refoulement van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag. Verder voert eiser aan dat hoewel er nog veel twijfel is over zijn herkomst, het aannemelijk is dat hij uit een Arabisch land komt. In veel Arabische landen is homoseksualiteit strafbaar en levensgevaarlijk. Verweerder had eisers gestelde homoseksualiteit daarom moeten onderzoeken.
6.1.
De rechtbank volgt eiser niet. Eiser heeft zijn identiteit, nationaliteit en herkomst immers nog steeds niet aannemelijk gemaakt. Eisers stelling dat het aannemelijk is dat hij uit een Arabisch land komt, heeft hij niet concreet met stukken onderbouwd. Tegelijk maakt hij met deze stelling de onduidelijkheid over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst alleen nog maar groter. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat een asielmotief slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling en dat een verdere beoordeling van het asielrelaas niet kan worden verricht wanneer de vreemdeling deze elementen niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft dus terecht geoordeeld dat de onzekerheid over eisers identiteit, nationaliteit en herkomst in de weg staat aan de verdere beoordeling van eisers asielrelaas. Nu eiser met zijn derde asielaanvraag zijn identiteit, nationaliteit en herkomst nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder ook terecht geoordeeld dat eisers verklaringen over zijn religieuze overtuiging en zijn seksuele geaardheid niet aangemerkt kunnen worden als een nieuw element of nieuwe bevinding. Ook overweegt de rechtbank dat verweerder bij het handhaven van het al eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit nog geen nader onderzoek hoefde te doen naar het risico op refoulement in Tunesië. Eiser heeft immers onvoldoende medewerking verleend aan het vaststellen van zijn land van herkomst. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024. Dat verweerder op grond van het arrest Ararat gehouden is een refoulementbeoordeling te maken, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Uit het arrest Ararat blijkt namelijk wel dat het nodig kan zijn om een refoulementbeoordeling te maken voorafgaand aan de uitzetting, maar niet dat die beoordeling vóór de oplegging van het terugkeerbesluit moet plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
7.1.
Nu de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe dan ook af.
7.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
Uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3558.
ECLI:NL:RVS:2024:1970.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892.